ECLI:NL:GHARL:2025:7781

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
23/1234
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake naheffingsaanslag BPM en schadeverleden van een auto

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 2 december 2025 uitspraak gedaan in het hoger beroep van [belanghebbende] B.V. tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 23 maart 2023. De rechtbank had de naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) van € 2.513 verminderd tot € 1.994 en vergoedingen voor immateriële schade, proceskosten en griffierecht toegekend. Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag, maar de Inspecteur verklaarde het bezwaar ongegrond. In hoger beroep was de kern van het geschil of de bruto-schade aan de auto meer dan € 5.664 bedroeg en of 100% van de geraamde herstelkosten als waardevermindering in aanmerking kon worden genomen. Het Hof oordeelde dat de bewijslast voor de waardevermindering bij belanghebbende lag en dat het taxatierapport van belanghebbende niet bruikbaar was. Het Hof concludeerde dat belanghebbende niet had aangetoond dat de bruto-schade aan de auto hoger was dan het bedrag dat door de Inspecteur was vastgesteld. Tevens werd de aanspraak van belanghebbende op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep toegewezen, met een schadevergoeding van € 1.000. Het hoger beroep zelf werd ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/1234
uitspraakdatum: 2 december 2025
Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.te
[vestigingsplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 23 maart 2023, nummer AWB 21/3762 in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen/Team auto bpm(hierna: de Inspecteur)
en
de Staat der Nederlanden(Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 2.513.
1.2.
Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de naheffingsaanslag verminderd tot € 1.994. Voorts heeft de Rechtbank belanghebbende vergoedingen van immateriële schade, proceskosten en griffierecht toegekend.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5
Op 27 november 2024 en 2 april 2025 hebben regiezittingen plaatsgevonden waar BPM-zaken aan de orde zijn geweest die bij het Hof aanhangig waren en waarin de gemachtigde van belanghebbende namens verschillende belanghebbenden als procesvertegenwoordiger optrad, waaronder de onderhavige zaak. In het kader van deze regiezittingen hebben partijen over en weer stukken uitgewisseld.
1.6.
Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 19 november 2025. Namens belanghebbende is mr. [naam1] verschenen. Namens de Inspecteur zijn mr. [naam2] en mr. [naam3] verschenen.

2.Feiten

2.1.
Belanghebbende heeft op 13 februari 2020 een uit Duitsland afkomstige gebruikte personenauto van het merk Mazda (MX-5 RF 2.0 SkyActiv-G 160 GT-M; hierna: de auto) gekocht voor een bedrag van € 12.500 (excl. btw). Op de factuur is vermeld dat het “Fahrzeug (…) als Unfallfahrzeug [wird] verkauft (..)’. De datum van eerste toelating van de auto is 8 mei 2018.
2.2.
De auto is op 17 februari 2020 door de RDW goedgekeurd. Belanghebbende heeft op 24 februari 2020 voor de auto aangifte BPM gedaan naar een verschuldigd bedrag van € 1.510. De daarbij gehanteerde vermindering (afschrijving) heeft belanghebbende berekend aan de hand van een door [naam4] van [bedrijf1] op 18 februari 2020 opgesteld taxatierapport. De schouw van de auto door deze taxateur heeft op 17 februari 2020 plaatsgevonden. De kilometerstand beliep toen 19.794. In het taxatierapport is onder meer – op basis van een schadecalculatie – uitgegaan van een bedrag aan herstelkosten wegens schade aan de auto van € 15.574 welk bedrag voor (bijna) 100% (€ 15.200) als waardevermindering in aanmerking is genomen. Volgens het taxatierapport is er schade aan de carrosserie, het interieur, de bekleding, de velgen en banden, en het lakwerk. Met betrekking tot de waardevermindering van (nagenoeg) 100% van de herstelkosten is in het rapport het volgende vermeld:
‘100% aftrek minus gebruikssporentabel i.v.m. jonge leeftijd en lage kilometerstand
Ex verhuur of lease’
Verder is in een bijlage bij het taxatierapport vermeld:
‘Bijlage verklaring waardeverminderende factoren betreffende een import-motorvoertuig
(…)
2e
Een (ernstig) schadeverleden ook al is deze professioneel gerepareerd zal een waardevermindering teweeg brengen van min. 30% op de in de handel gebruikte koerslijstwaardes.
3e
Ex-verhuur / lease zal betekenen dat het betreffende voertuig intensiever gebruikt is waardoor deze aan een grotere slijtage onderhevig is geweest dan een referentievoertuig welke in privebezit is geweest dit brengt een waardevermindering teweeg van min. 10% op de in de handel gebruikte koerslijstwaardes
(…)’
2.3.
Belanghebbende heeft de auto op 27 februari 2020 op verzoek van de Inspecteur getoond bij Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). DRZ heeft op basis van het onderzoek met dagtekening 6 maart 2020 een rapport opgesteld. DRZ heeft een schade vastgesteld van € 5.664 en 72% daarvan (€ 4.078) als waardevermindering in aanmerking genomen. De handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat heeft DRZ op basis van een koerslijst van [bedrijf2] (Marge) Rental bepaald op € 23.696, zodat de handelsinkoopwaarde volgens DRZ € 19.618 beloopt.
2.4.
De Inspecteur heeft op basis van voornoemd DRZ-rapport de onderhavige naheffingsaanslag BPM ten bedrage van € 2.513 aan belanghebbende opgelegd. Daarbij is rekening gehouden met een extra leeftijdskorting.
2.5.
De tenaamstelling van de auto in het Nederlandse kentekenregister heeft op 20 maart 2020 plaatsgevonden.
2.6.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag vergeefs bezwaar aangetekend. In beroep heeft de Rechtbank de naheffingsaanslag verminderd tot € 1.994 omdat beide partijen het erover eens waren geworden dat voor de bepaling van de handelsinkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat mocht worden uitgegaan van de koerslijst van [bedrijf3] (met een bijstelling van 15% voor markt- en dealersituatie). De Rechtbank heeft de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding aan belanghebbende van haar proceskosten voor de beroepsfase en het griffierecht. De aanspraak van belanghebbende op vergoeding van haar kosten voor de bezwaarfase heeft de Rechtbank niet gehonoreerd. Voorts heeft de Rechtbank belanghebbende wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg een vergoeding van immateriële schade toegekend van € 500, te vergoeden door de Staat.
2.7.
Belanghebbende heeft op 20 april 2023 hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank aangetekend.

3.Geschil

In hoger beroep is in geschil of de bruto-schade aan de auto € 15.574 beloopt, of in elk geval meer dan € 5.664, zoals belanghebbende verdedigt en de Inspecteur betwist. Voorts is in geschil of 100% van de geraamde herstelkosten (bruto-schade) als waardevermindering in aanmerking kan worden genomen, en of grond bestaat voor een waardevermindering wegens ‘schadeverleden’ van de auto, welke vragen belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt. Belanghebbende heeft tot slot aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
De grief van belanghebbende dat de Rechtbank haar ten onrechte geen vergoeding van de kosten voor de bezwaarfase heeft toegekend, heeft belanghebbende ter zitting van het Hof uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken.

4.Beoordeling van het geschil

Omvang schade
4.1.
De bewijslast met betrekking tot het in aanmerking nemen van een waardevermindering wegens schade rust op belanghebbende. Deze bewijslastverdeling brengt mee dat indien er twijfel bestaat over het door belanghebbende gestelde, dit ten nadele van belanghebbende werkt.
4.2.
Belanghebbende gaat naar het oordeel van het Hof terecht ervan uit dat de hoogte van de afschrijving van een gebruikte auto in een zaak als hier moet worden bepaald naar de staat van de auto ten tijde van het doen van aangifte (vgl. onder meer HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:317, r.o. 3.1.3 en 3.1.4 en HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415, r.o. 3.5.2).
4.3.
Belanghebbende heeft in hoger beroep zelf gesteld dat tussen het moment waarop de schouw van de auto door haar taxateur heeft plaatsgevonden en het taxatierapport is opgemaakt (op 17 februari 2020 respectievelijk 18 februari 2020) en het moment waarop zij aangifte heeft gedaan (op 24 februari 2020) de schade aan de auto ten dele door belanghebbende was hersteld – waarbij overigens door haar in het midden is gelaten welk ‘deelherstel’ heeft plaatsgevonden – en dat dit ‘deelherstel’ het verschil in schadecalculatie tussen haar taxateur en DRZ verklaart. Daarom moet, aldus belanghebbende, worden uitgegaan van de door haar taxateur bepaalde schade van € 15.574 (€ 15.200). De Inspecteur heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat het taxatierapport van belanghebbende niet bruikbaar is als bewijs voor de geclaimde afschrijving wegens schade. Het Hof deelt dat standpunt van de Inspecteur. De in het taxatierapport van belanghebbende vermelde staat van de auto komt immers niet overeen met de staat van de auto ten tijde van het doen van de aangifte. Dit betekent, gelet op hetgeen hiervoor in 4.2 is overwogen, dat het taxatierapport van belanghebbende niet voldoet aan de wettelijke eisen en daarom niet bruikbaar is. De omstandigheid dat een bij een aangifte gebruikt taxatierapport (op grond van goedkeurend beleid) een geldigheidsduur van één maand heeft, dat wil zegen dat het bij de aangifte gebruikte taxatierapport moet zijn opgemaakt uiterlijk één maand voordat de aangifte is ingediend (vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 18 november 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7364), doet daaraan niet, aangezien daarbij wel de voorwaarde geldt dat de staat van de auto ten tijde van de taxatie dezelfde is als de staat van de auto ten tijde van het doen van de aangifte. Dat is hier niet het geval.
4.4.
Nu het taxatierapport van belanghebbende in deze procedure niet bruikbaar is, ziet het Hof geen grond voor de conclusie dat belanghebbende het bewijs heeft geleverd dat de bruto-schade aan de auto meer beloopt dat het bedrag dat door de Inspecteur in aanmerking is genomen ( € 5.664).
Percentage waardevermindering
4.5.
Belanghebbende betoogt voorts dat de Inspecteur ten onrechte slechts 72% van de door DRZ geraamde herstelkosten van € 5.664 in mindering op de waarde van de auto in onbeschadigde staat heeft toegestaan in plaats van 100%.
4.6.
Op grond van artikel 3.5 van bijlage 1 bij de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (
tekst 2020) geldt als uitgangspunt dat de waardevermindering als gevolg van schade wordt vastgesteld op 72% van het schadebedrag. Op belanghebbende rust de last aannemelijk te maken dat de waardevermindering als gevolg van schade aan de auto (niet zijnde normale gebruiksschade) meer bedraagt dan – het ook in dit geval door de Inspecteur geaccepteerde percentage van – 72% van de geraamde herstelkosten (vgl. HR 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1084). Het Hof acht belanghebbende daarin niet in geslaagd. Zoals hiervoor is overwogen, is het taxatierapport van belanghebbende in deze procedure niet bruikbaar, maar zelfs als dat rapport wel als bewijsmiddel kan worden gebruikt, acht het Hof belanghebbende niet in haar bewijslast geslaagd. De in het taxatierapport opgenomen passage over het percentage van 100 (zie 2.2), acht het Hof daartoe niet toereikend. De stelling van de gemachtigde van belanghebbende dat het een jonge auto met een lage kilometerstand betreft, en dat sprake is van een omvangrijke en technisch gecompliceerde schade, acht het Hof daartoe evenmin toereikend. Dat sprake is van een omvangrijke en technisch gecompliceerde schade is niet aannemelijk gemaakt. Verder zegt de enkele stelling dat sprake is van een jonge auto met weinig kilometers onvoldoende over de concrete waardevermindering van de onderhavige auto.
4.7.
In zoverre belanghebbende stelt dat het in aanmerking nemen van ‘slechts’ 72% van de geraamde herstelkosten als waardevermindering leidt tot schending van artikel 110 VWEU, faalt die stelling evenzeer. Belanghebbende heeft met de enkele verwijzing naar een in hoger beroep overgelegde brief van 17 oktober 2014 van de [stichting1] aan de Belastingdienst over een onderzoek naar de verhouding tussen de vermindering van de handelswaarde van een voertuig als gevolg van schade en de normcalculatie zoals vervaardigd met behulp van de in de Nederlandse schadeherstelbranche gangbare calculatiesystemen niet aannemelijk gemaakt dat het door de Inspecteur geheven bedrag aan BPM hoger is dan het restbedrag aan BPM dat is vervat in de handelswaarde van een of meer gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die al in het binnenland zijn geregistreerd. Nog daargelaten dat geen sprake is van een deskundigenonderzoek, heeft belanghebbende in die brief niet gewezen op concrete gelijksoortige gebruikte auto’s met vergelijkbare schade die ten tijde van de registratie van de auto in Nederland was geregistreerd en wat de waardeverminderende invloed van die schade op de handelsinkoopwaarde werkelijk is geweest.
Schadeverleden
4.8.
Het in aanmerking nemen van een (extra) waardevermindering wegens een (ernstig) schadeverleden van een auto kan door een belastingplichtige in een concreet geval op twee manieren worden bewerkstelligd, te weten (i) via de weg van de in artikel 10, leden 8 en 9, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 vervatte taxatiemethode of (ii) via de weg van het in artikel 110 VWEU vervatte discriminatieverbod (vgl. HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.6.2).
Nationaal recht: taxatiemethode
4.9.
Gelet op de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, dient belanghebbende aannemelijk te maken – kort gezegd – dat sprake is van een auto met een schadeverleden waarvan een blijvende waardevermindering uitgaat en, zo daarvan sprake is, hoeveel die waardevermindering beloopt.
4.10.
Belanghebbende is naar het oordeel van het Hof niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat met betrekking tot de auto ten opzichte van de koerslijstwaarde sprake is van een waardevermindering wegens het schadeverleden. Het taxatierapport dat door belanghebbende bij de aangifte is gebruikt, is – zoals gezegd – in deze procedure niet bruikbaar. Maar zelfs als het rapport wel bruikbaar zou zijn, is dat taxatierapport niet toereikend voor het honoreren van de door belanghebbende geclaimde aftrek van € 1.000. Daarin is immers – zonder enige deugdelijk onderbouwde toelichting – slechts vermeld dat ‘Een (ernstig) schadeverleden ook al is deze professioneel gerepareerd een waardevermindering teweeg [zal] brengen van min. 30% op de in de handel gebruikte koerslijstwaardes’. Dat acht het Hof (ruim) onvoldoende voor het in aanmerking nemen van de bepleite waardevermindering wegens schadeverleden. Verder is het Hof met de Rechtbank van oordeel dat de in de bijlage vermelde omstandigheden niet specifiek zien op de auto. Tot slot mag niet onvermeld worden gelaten dat noch de taxateur van belanghebbende noch DRZ een waardevermindering wegens schadeverleden in aanmerking heeft genomen.
Artikel 110 VWEU
4.11.
De omstandigheid dat belanghebbende niet via de taxatiemethode haar aanspraak op een waardevermindering wegens schadeverleden kan verzilveren, laat onverlet dat zij in dit concrete geval met succes een beroep zou kunnen doen op het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU. In dat geval moet belanghebbende ter weerlegging van de onderhavige naheffingsaanslag aannemelijk maken dat het geheven bedrag aan BPM hoger is dan het restbedrag aan BPM dat is vervat in de handelswaarde van een of meer gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die al in het binnenland zijn geregistreerd. Daartoe moet belanghebbende de werkelijke handelswaarde van de auto aantonen. Om dat te staven moet belanghebbende op basis van deskundigenonderzoek aantonen dat er ten tijde van de registratie een gelijksoortige, gebruikte personenauto met een vergelijkbaar schadeverleden in Nederland was geregistreerd en wat de waardeverminderende invloed van dat schadeverleden op de handelsinkoopwaarde werkelijk is geweest ten opzichte van gelijksoortige, gebruikte personenauto’s die toentertijd in Nederland waren geregistreerd en niet een dergelijk schadeverleden kenden. Een verwijzing naar een algemeen bekend feit en/of een schatting in goede justitie is niet voldoende (vgl. HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.6.2).
4.12.
Belanghebbende heeft naar het oordeel van het Hof niet aan deze bewijslast voldaan, aangezien zij in deze procedure geen bewijs heeft bijgebracht dat voldoet aan deze door de Hoge Raad geformuleerde maatstaf. De NIVRE-Richtlijn – waarop belanghebbende zich beroept – kan niet als een deskundigenonderzoek worden aangemerkt. Dit betekent dat belanghebbende ook via het Unierecht geen recht heeft op de door haar in hoger beroep bepleite vermindering wegens schadeverleden.
4.13.
De naheffingsaanslag, zoals verminderd door de Rechtbank, is niet tot een te hoog bedrag vastgesteld.
Vergoeding immateriële schade
4.14.
Belanghebbende heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. In aanmerking genomen dat belanghebbende op 20 april 2023 hoger beroep heeft ingesteld en het Hof op 2 december 2025 uitspraak doet, is die aanspraak terecht. De redelijke termijn in hoger beroep van twee jaar is met meer dan zes maanden maar met minder dan 12 maanden overschreden. Redenen voor een termijnverlenging zijn hier niet aanwezig. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade van € 1.000, te vergoeden door de Staat.
Slotsom
4.15.
Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. Wel dient aan belanghebbende de in 4.14 vermelde vergoeding van € 1.000 te worden toegekend.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Omdat het hoger beroep op zichzelf beschouwd ongegrond is, wordt uitsluitend een vergoeding van proceskosten toegekend voor de proceshandelingen die samenhangen met het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Bij de berekening van die vergoeding wordt een wegingsfactor 0,25 gehanteerd. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 226,75 (1 punt voor verzoekschrift, wegingsfactor 0,25, waarde per punt € 907). Opmerking verdient dat het Hof, in afwijking van zijn eerdere rechtspraak, in een dergelijk geval niet langer een punt toekent voor de zitting (vgl. ABRvS 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:771).
5.2.
Nu het hoger beroep ongegrond wordt verklaard, wordt geen griffierecht vergoed.

6.Beslissing

Het Hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade van € 1.000; en
  • veroordeelt de Staat in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 226,75.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, lid van de tiende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025.
De griffier, De raadsheer,
(E.D. Postema) (R. den Ouden)
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.