In deze civiele zaak gaat het om een geschil tussen een aannemer en een opdrachtgever over de bouw van een manege die niet is afgemaakt omdat de opdrachtgever de overeenkomst heeft opgezegd vanwege vertragingen en gebreken.
De aannemer had de herbouw van de manege geoffreerd en een aannemingsovereenkomst gesloten met betalingsafspraken. De uitvoering liep vertraging op en de opdrachtgever uitte kritiek op de kwaliteit en voortgang. Uiteindelijk heeft de opdrachtgever op 15 september 2020 de overeenkomst opgezegd en de aannemer de toegang tot het terrein ontzegd.
De aannemer vorderde betaling van een factuur, terwijl de opdrachtgever tegenvorderingen stelde wegens gebreken en vertragingen. De rechtbank wees de vordering van de aannemer toe, maar het hof vernietigde dit deels en oordeelde dat sprake was van opzegging en niet van ontbinding wegens verzuim. Het hof maakte een redelijke schatting van de besparingen die de aannemer had door de opzegging, waarbij het percentages van 40% tot 50% toepaste op diverse onderdelen van het werk.
Het hof veroordeelde de opdrachtgever tot betaling van een lager bedrag dan gevorderd, vermeerderd met wettelijke rente, en bepaalde dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen. Het vonnis van de rechtbank werd voor een deel vernietigd en voor het overige bekrachtigd.