ECLI:NL:GHARL:2025:7818

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
200.315.216/02
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:764 lid 1 BWArt. 6:83 aanhef en onder a BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over opzegging aannemingsovereenkomst bouw manege en berekening besparingen

In deze civiele zaak gaat het om een geschil tussen een aannemer en een opdrachtgever over de bouw van een manege die niet is afgemaakt omdat de opdrachtgever de overeenkomst heeft opgezegd vanwege vertragingen en gebreken.

De aannemer had de herbouw van de manege geoffreerd en een aannemingsovereenkomst gesloten met betalingsafspraken. De uitvoering liep vertraging op en de opdrachtgever uitte kritiek op de kwaliteit en voortgang. Uiteindelijk heeft de opdrachtgever op 15 september 2020 de overeenkomst opgezegd en de aannemer de toegang tot het terrein ontzegd.

De aannemer vorderde betaling van een factuur, terwijl de opdrachtgever tegenvorderingen stelde wegens gebreken en vertragingen. De rechtbank wees de vordering van de aannemer toe, maar het hof vernietigde dit deels en oordeelde dat sprake was van opzegging en niet van ontbinding wegens verzuim. Het hof maakte een redelijke schatting van de besparingen die de aannemer had door de opzegging, waarbij het percentages van 40% tot 50% toepaste op diverse onderdelen van het werk.

Het hof veroordeelde de opdrachtgever tot betaling van een lager bedrag dan gevorderd, vermeerderd met wettelijke rente, en bepaalde dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen. Het vonnis van de rechtbank werd voor een deel vernietigd en voor het overige bekrachtigd.

Uitkomst: De opdrachtgever wordt veroordeeld tot betaling van een lager bedrag dan gevorderd, na redelijke schatting van besparingen, met ieder eigen proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.315.216/02
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 520829
arrest van 9 december 2025
in de zaak van
Exploitatiemaatschappij De Uilenhof B.V.,
die is gevestigd in [woonplaats1] ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de rechtbank optrad als oorspronkelijk gedaagde,
hierna:
[appellant],
advocaat: mr. P.M. Jongeling te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde], handelend onder de naam [naam1] ,
die woont in [woonplaats2] ,
en bij de rechtbank optrad als oorspronkelijk eiser,
hierna:
[naam1],
advocaat: mr. A.F.H. Spoormaker

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
Naar aanleiding van het arrest van 25 maart 2025 heeft op 13 november 2025 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.
1.2
In deze zaak zijn in een voorlopig getuigenverhoor getuigen gehoord door raadsheer-commissaris [naam2] . Deze raadsheer is inmiddels echter niet meer aan dit hof verbonden en kan om die reden geen deel uitmaken van de hofcombinatie die dit arrest wijst.

2.De kern van de zaak

2.1
In opdracht van [appellant] heeft [naam1] gewerkt aan de bouw van een manege. Dat werk is niet afgemaakt, omdat [appellant] niet wilde dat [naam1] met de bouw verder ging. De aanleiding daarvoor vormde een discussie over de kwaliteit van het geleverde werk en opgelopen vertragingen. Omdat partijen niet tot afspraken konden komen, zijn de vorderingen die zij op elkaar menen te hebben in deze procedure aan de orde gesteld. Het volgende staat vast.
2.2
[naam1] is een aannemer, [appellant] exploiteert een manege. [naam3] .
2.3
Nadat het hoofdgebouw van de manege in februari 2020 door brand was verwoest, heeft [naam1] op 10 juli 2020 de herbouw (met woonappartement voor [naam3] ) geoffreerd voor € 42.918.70 incl. btw. In de begeleidende e-mail staat het volgende:
Startdatum vrijdag 17-7 krijgen wij het staal binnen wij verwachten donderdag 23-7 daadwerkelijk op locatie te starten, wij hebben donderdag 23-7 en 24-7 een kraan besproken. Maandag 27-7 hopen wij te starten met de balkenlaag van de verdiepmgsvloer.
De week van 3-8 zouden de dakdekkers kunnen starten met het dak, waarna wij verder gaan met de betonvloer op de begane grond, wij verwachten eind van die week de vloer te kunnen storten.
De week van 10-8 willen wij starten met de ruwbouw van het appartement op de 1e verdieping. Wij verwachten daarmee klaar te zijn in de week van 24-8.
Dit alles onder voorbehoud van onvoorziene omstandigheden.
2.4
Op deze basis is een aannemingsovereenkomst gesloten. De afspraak was dat 30% bij het verstrekken van de opdracht diende te worden betaald, 30% bij de start van de werkzaamheden aan de broodjesvloer, 30% bij de start van de werkzaamheden op de verdiepingsvloer en 10% bij het afronden van de werkzaamheden. De eerste factuur, met een betalingstermijn van twee weken, is op 5 augustus 2020 verstuurd.
2.5
Vanaf dat moment zijn voorbereidende werkzaamheden getroffen, zoals het plaatsen van poeren. Medewerkers van [naam1] zijn echter pas op 13 augustus 2020 met de bouwwerkzaamheden verdergegaan, na de mededeling dat de factuur was betaald. [naam3] schrijft die dag dat is afgesproken dat 1 september de buitenkant zou staan (staal, verdiepingsvloer, sandwich en betonvloer). Ook de muren beneden zouden dan schilderklaar zijn en er zou boven gestuukt zijn. Op 21 augustus 2020 herhaalt zij dat de afspraak is dat
1 september de kale bouw inclusief binnenmuren gestuukt klaar moet zijn.
2.6
Eind augustus 2020 is bij [naam3] irritatie ontstaan over de voortgang en de kwaliteit van de werkzaamheden. Zij heeft [naam1] daar in whatsappberichten op aangesproken. Op 4 september 2020 schreef zij dat [naam1] moest zorgen dat alles
11 september klaar zou zijn, ´zoals afgesproken´. Een dag later, na een overleg dat de dag ervoor had plaatsgehad, schreef zij dat de prioriteit op dat moment moest liggen bij het zo snel mogelijk regendicht maken van de constructie. Kort daarna heeft de contactpersoon van [naam1] aan [naam3] gevraagd "Gaan we verder of stoppen we er mee?'' [naam3] antwoordde op 7 september 2020: “Als het aan mij ligt gaan we verder maar dan moet er wel wat gaan gebeuren".
2.7
De ergernis bij [naam3] is blijven bestaan, en zij heeft [naam1] namens [appellant] op 15 september 2020 meegedeeld dat de overeenkomst werd ontbonden. Daarbij is behalve op vertraging in het uitvoeren van werkzaamheden gewezen op gebreken in het tot stand gebrachte werk en het niet nakomen van afspraken. In deze e-mail staat verder het volgende:
Door de ongeplande en onlogische wijze van werken wordt er nu een ondeugdelijk en op onderdelen onveilig gebouw neergezet. Meerdere gebreken hebben wij zelf moeten constateren. Jullie hebben de afgelopen weken laten zien dat niet te kunnen oplossen. Naast het beëindigen van de overeenkomst, verbied ik jullie daarom zonder toezicht de toegang tot het terrein.
2.8
[geïntimeerde] heeft deze mededeling niet opgevat als een ontbinding, maar als een opzegging en heeft op 2 oktober 2020 € 28.287,32 inclusief btw aan [appellant] in rekening gebracht (het offertebedrag van € 42.918,70 excl. btw plus € 1.139,95 excl. btw en € 8.050 excl. btw aan meerwerk, minus twee betalingen van in totaal € 25.751,22 incl. btw). [appellant] heeft deze factuur onbetaald gelaten.
2.9
[naam1] heeft bij de rechtbank gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld om het bedrag van deze laatste rekening te betalen, vermeerderd met rente en kosten. [appellant] heeft daar vorderingen tegenovergesteld van € 38.722,68 en € 1.754,50.
2.1
De rechtbank heeft de vorderingen van [naam1] toegewezen en die van [appellant] afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de vorderingen van [naam1] alsnog stranden en dat die van [appellant] worden toegewezen. [appellant] heeft daarbij haar eis vermeerderd. Tegen die vermeerdering is op zichzelf geen bezwaar gemaakt. Ook het hof acht die wijziging niet strijdig met het procesrecht.

3.Het oordeel van het hof

Inleiding
3.1
Het hof zal beslissen dat de bestreden uitspraak deels wel en deels niet in stand blijft. De vordering van [naam1] zal voor een lager bedrag worden toegewezen. Dat wordt hierna uitgelegd. De bezwaren (grieven) zullen daarbij thematisch worden behandeld.
Uitgangspunt van de rechtbank was dat de overeenkomst niet kon worden ontbonden
3.2
Volgens de rechtbank kon [appellant] de overeenkomst niet ontbinden. Zij heeft de beëindiging van de opdracht door [appellant] om die reden net als [naam1] opgevat als een opzegging in de zin van art. 7:764 lid 1 BW Pro. Het belangrijkste argument dat [appellant] daartegen inbrengt, is dat [naam1] op 15 september in verzuim was komen te verkeren, en dat zij de overeenkomst om die reden wel degelijk heeft kunnen ontbinden. De vraag of dat kan worden aangenomen, zal hierna worden besproken.
Heeft [appellant] terecht aangevoerd dat [naam1] in verzuim was?
- Was 1 september 2020 een fatale termijn?
3.3
Het hof stelt voorop dat het op de weg van [appellant] ligt om duidelijk te maken dat [naam1] op 15 september in verzuim was en zij daarom kon ontbinden. Dat zou het geval zijn geweest als is afgesproken dat 1 september zou worden opgeleverd en dat die termijn een fataal karakter had. Dat heeft [appellant] ook aangevoerd: deze opleveringsdatum is afgesproken en was op grond van de wet in beginsel fataal (tenzij zou blijken dat de termijn een andere strekking had, wat niet aan de orde is; zie artikel 6:83 aanhef Pro en onder a BW). Het was voor [naam3] ook van belang dat het voor haar bestemde casco woongedeelte voor 1 september 2020 gereed zou zijn, omdat zij een maand later de woning moest verlaten die zij had verkocht om de herbouw van de manege te financieren.
3.4
Hoewel deze datum regelmatig in de correspondentie terugkeert en het belang van [naam3] daarbij voor [naam1] ook wel duidelijk moet zijn geweest, kan het hof om de volgende redenen niet de conclusie trekken dat sprake was van een fatale termijn.
( i) Oorspronkelijk is [naam1] ervan uitgegaan dat het werk gereed zou zijn op 1 september 2020 (dat wil zeggen, in de loop van de daaraan voorafgaande laatste week van augustus). De toen nog geplande start van de bouw werd echter niet gehaald, zonder dat uit de correspondentie blijkt dat dat aan [naam1] kan worden verweten. Behalve [naam1] vond namelijk ook [appellant] het van belang dat er een schriftelijke opdracht zou liggen. Zij schreef dat op 23 juli 2020, ervan uitgaande dat op 3 augustus 2020 zou kunnen worden gestart. De offerte heeft zij echter niet getekend. Dat [naam1] pas nadien, op 5 augustus 2020 zijn eerste factuur stuurde, kan hem dan ook niet worden verweten. De bouwwerkzaamheden heeft hij vervolgens onmiddellijk na betaling van die factuur wel opgepakt. Dat is in overeenstemming met de gemaakte afspraken. Het feit dat de in die factuur gestelde betalingstermijn op dat moment nog niet was verstreken, is daarbij irrelevant. Uitstel van betaling zou immers alleen maar verdere vertraging hebben opgeleverd.
(ii) Naar aanleiding van de offerte schreef [naam3] aan [naam1] : “Je dacht eerder dat het in drie weken te doen zou zijn, nu is het vijf geworden? Is voor ons niet problematisch. Ik hoop voor jullie ook niet.” Beide partijen gingen er dus bij het begin van de werkzaamheden vanuit dat de bouw vijf weken zou duren. Omdat de bouw pas op 13 augustus 2020 echt van start ging, zou dat zijn neergekomen op een verwachte opleveringsdatum van 17 september 2020 - ruim twee weken na 1 september 2020.
(iii) De tijdsplanning van [naam1] is gegeven onder voorbehoud van onvoorziene omstandigheden. Die hebben zich onbetwist voorgedaan (slecht weer en ziekte door covidbesmettingen).
(iv) In de loop van het project is bovendien sprake geweest van aanzienlijk meerwerk aan het dak (€ 8.050 excl. btw), waardoor ook een bouwperiode van vijf weken evenmin nog realistisch was. De aannemer die door [appellant] voor dat laatste had benaderd, bleek dit werk niet meer te kunnen uitvoeren.
( v) Uit de correspondentie blijkt dat de opleveringsdatum waarover partijen hebben gesproken - ook de in de correspondentie genoemde datum van 1 september 2020 - in korte tijd in onderling overleg is verschoven. Zo ging [naam3] er op 4 september 2020 kennelijk vanuit dat was afgesproken dat alles op 11 september 2020 klaar zou zijn (en dus niet tien dagen eerder).
3.5
Uit de in een voorlopig getuigenverhoor afgelegde verklaringen die zijn overgelegd, valt geen duidelijke conclusie te trekken over het karakter van de genoemde datum van
1. september. Getuige [naam5] zegt weliswaar dat die bij herhaling aan de orde is geweest, maar dat speelde zich naar zijn zeggen steeds af voordat de offerte van 10 juli 2020 werd ontvangen. Zoals gezegd, werd in die offerte uitgegaan van een startdatum die vervolgens niet kon worden gehaald. [naam5] merkt op dat hij daarna niet persoonlijk een termijn heeft gesteld. Dat was volgens hem een kwestie waarmee [naam3] was belast. Getuige [naam6] heeft over termijnen niets kunnen verklaren, en getuige [naam7] spreekt over een streefdatum, nu [naam3] haar huis uit moest. Gelet op het voorgaande kan de datum van
1 september 2020 niet als fatale termijn in de zin van artikel 6:83 aanhef Pro en onder a BW worden beschouwd.
- Is [naam1] na ingebrekestelling op 11 september 2020 in verzuim gekomen?
3.6
Op 4 september 2020 schreef [naam3] aan [naam1] : “Tot nu toe hebben jullie je nog aan geen afspraak gehouden. Jullie zorgen maar dat nu voor 11 september alles klaar is zoals afgesproken…Tot die tijd betaal ik niks meer”. Anders dan [appellant] leest het hof hierin geen deugdelijke ingebrekestelling (redelijke termijnstelling). Het hof licht dat toe:
3.7
Een dag later, op 5 september 2020, na een overleg dat op 4 september 2020 al had plaatsgevonden, volgde de mededeling vanuit [appellant] dat de prioriteit op dat moment moest liggen bij het zo snel mogelijk regendicht maken van de constructie. Kort daarna heeft de contactpersoon van [naam1] aan [naam3] gevraagd "Gaan we verder of stoppen we er mee?'' [naam3] antwoordde op 7 september 2020: “Als het aan mij ligt gaan we verder maar dan moet er wel wat gaan gebeuren". Op dat moment was het redelijkerwijs niet mogelijk het gehele aan [naam1] opgedragen werk binnen enkele dagen af te ronden. Partijen zijn er immers op enig moment vanuit gegaan dat de bouw zelfs zonder meerwerk tot 17 september zou duren (vijf weken), nu daarmee – na wat voorbereidend werk - pas medio augustus was begonnen. Weliswaar hoeft de bij ingebrekestelling genoemde termijn niet in alle gevallen zo lang te zijn als feitelijk minimaal nodig is om het werk nog af te kunnen maken [1] , maar naar het oordeel van het hof is de gestelde termijn - de hiervoor weergegeven omstandigheden in aanmerking genomen – in dit geval niet redelijk te achten.
- Kan [appellant] zich erop beroepen dat [naam1] in dit geval niet in gebreke hoefde te worden gesteld?
3.8
Als de conclusie moet zijn dat verzuim niet is ingetreden op grond van een fatale termijn of na ingebrekestelling, beroept [appellant] zich erop dat het onder omstandigheden mogelijk is dat het beroep op het ontbreken van een ingebrekestelling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn, dan wel dat kan worden aangenomen dat op grond van de (aanvullende) redelijkheid en billijkheid het verzuim zonder een ingebrekestelling is ingetreden. Die mogelijkheid bestaat inderdaad, maar anders dan [appellant] lijkt te denken, is enkel haar ergernis of het aanbod dat [appellant] op 15 september heeft gedaan om met gesloten beurzen uit elkaar te gaan, niet voldoende om met behulp van de redelijkheid en billijkheid voorbij te gaan aan het in dit geval ontbreken van een fatale termijn respectievelijk een deugdelijke ingebrekestelling. Ook overigens heeft [appellant] onvoldoende aangevoerd om op de door haar bepleite wijze(n) toepassing te geven aan genoemde norm.
De berekening van de vordering van [naam1]
3.9
In geval van opzegging van een aannemingsovereenkomst kan de aannemer de aanneemsom vorderen, verminderd met de besparingen die voor de aannemer uit de opzegging voortvloeien. Volgens [appellant] is daarvan sprake, en moet € 12.924 + € 4.480 + € 3.941 + € 6.600 aan besparingen in mindering worden gebracht op de waarde van het uitgevoerde werk. Het hof zal deze bedragen hierna afzonderlijk bespreken, onder de aantekening dat [appellant] moet duidelijk maken dat deze besparingen zich hebben voorgedaan. Daarbij rust op [naam1] wel een belangrijke mededelingsplicht [2] .
3.1
Voor een goed begrip stelt het hof bij de beoordeling van deze discussie verder het volgende voorop.
3.11
In de inleidende dagvaarding heeft [naam1] opgemerkt dat van besparingen geen sprake is geweest, omdat alle materialen zijn aangeleverd (en door [appellant] zijn behouden), en omdat [naam1] door de plotselinge opzegging in de voor het project gereserveerde tijd geen ander werk heeft kunnen aannemen, zodat ook daarop niet is bespaard. In zijn schadeberekening gaat hij echter wel van besparingen uit: hij heeft per onderdeel van het project berekend welk percentage gereed is gekomen, en heeft slechts dat percentage in rekening gebracht. Uit het feit dat hij aanvoert dat alle in de offerte begrepen materialen wel zijn geleverd, leidt het hof af dat [naam1] uitgaat van procentuele besparingen op de begrote arbeid. Hieruit leidt het hof vervolgens af dat bij de beoordeling ook - in volle omvang - rekening moet worden gehouden met besparingen aan arbeidsuren die zouden zijn gemoeid met herstel van gebreken in de uitvoering van het al wel verrichte werk. Dat er – in de woorden van getuige [naam5] – fouten in het werk waren die moesten worden hersteld, staat op zichzelf niet ter discussie.
3.12
Anders dan [naam1] heeft aangevoerd, kan het hof er niet van uitgaan dat de in de offerte begrepen materialen niet volledig in rekening kunnen worden gebracht. Getuige [naam5] noemt als materialen die nog niet geleverd waren een deel van de staalconstructie, het staal voor de kozijnen en ontbrekend beton. Uitvoerder [naam7] heeft verklaard dat ‘voor boven’ het materiaal ‘grotendeels’ al wel aanwezig was en dat het materiaal voor beneden, zoals betonbroodjes, er ‘deels’ was. Uit de berekening van [naam1] blijkt niet dat hij daar zelf rekening mee heeft gehouden. Deze berekening is als volgt samen te vatten.
3.13
In totaal was voor € 35.470 exclusief btw werk aangenomen. Daarbij kan aan meerwerk € 8.080 worden opgeteld (het dak). In totaal: € 43.550. Na aftrek van gedane betalingen van € 21.282 zou dan resteren € 22.268 exclusief btw. [naam1] heeft per saldo echter slechts € 15.852,95 exclusief btw in rekening gebracht. Hij heeft dus rekening gehouden met een besparing van (22.268 – 15.852,95 =) € 6.415,05. Die besparing is uitsluitend toegerekend aan werk dat nog niet was uitgevoerd (en dus niet aan wel uitgevoerd werk dat nog zou moeten worden hersteld, en ook niet aan niet geleverd materiaal).
3.14
Het hof constateert verder dat in de onderbouwing van [naam1] niet een duidelijk onderscheid is gemaakt tussen kosten die zijn gemoeid met de aanschaf van materialen, kosten van arbeid, sowiesokosten en gehanteerde marges.
3.15
Door al het voorgaande ontkomt het hof er niet aan om naar redelijkheid een schatting te maken van de besparingen. Daarvan uitgaande overweegt het hof voor de individueel bestreden posten het volgende.
- € 12.924 wordt (14.360/2 =)
€ 7.180
3.16
[appellant] beroept zich op een deskundigenrapport van [naam8] , waarin is geconcludeerd dat enkele punten niet zijn afgerond, maar wel zijn doorbelast, zoals delen van de staalconstructie. Daarvan is € 12.924 doorbelast op grond van 90% afronding. Dat percentage wordt bestreden.
3.17
[naam1] heeft aangevoerd dat de materialen al wel waren geleverd, maar dat het werk inderdaad nog niet gereed was. Uitsluitend de besparing ter zake van niet verrichte arbeid heeft hij in zijn berekening betrokken.
3.18
Uitgaande van de inleidende opmerkingen en de bevindingen van [naam8] over de uitvoering van dit deel van het werk (de deskundige bespreekt meerdere afwijkingen in de geplaatste constructie en niet deugdelijk uitgevoerd werk, zoals slordige lasnaden en niet waterpas of haaks geplaatste onderdelen) schat het hof een besparing van 10% in als te laag. Het hof zal dat percentage bepalen op 50%.
- € 4.480 wordt (4.480/2 =)
€ 2.240
3.19
De underlaymentplaten zijn volgens [naam8] niet volledig aangebracht, maar worden wel volledig doorbelast (€ 4.480). Het hof kan uit hetgeen partijen op dit punt over en weer hebben aangevoerd niet afleiden welk deel is aangebracht, maar houdt het er wel voor dat [naam1] ten onrechte uitgaat van volledige en correcte realisatie van dit onderdeel van het werk. Uitgaande van de inleidende opmerkingen en de bevindingen van [naam8] schat het hof in dat dit werk niet volledig in rekening kan worden gebracht. Het hof zal het bespaarde percentage ook hier bepalen op 50%.
- € 3.941 wordt (5.630/2 =)
€ 2.815
3.2
Anders dan [naam1] aanneemt, was volgens De Uilenhorst niet al 70% van de broodjesvloer gereed. Die vloer is namelijk achteraf voor het grootste deel door [appellant] zelf aangelegd.
3.21
Wat hiervoor is overwogen, geldt in gelijke mate voor de broodjesvloer. Het hof verwijst bovendien naar de hiervoor al weergegeven verklaring van uitvoerder [naam7] , en bepaalt de besparing schattenderwijs opnieuw op 50%.
- € 6.600 blijft gelijk
3.22
De binnenwanden, plafonds en kozijnen zijn volgens [naam1] voor 60% opgeleverd. Daarom wordt € 6.600 doorbelast. Dat is volgens [appellant] onjuist, getuige het deskundigenrapport. Daaruit volgt dat kozijnen niet waren geplaatst, binnenwanden en plafonds nog niet waren gegipst, en de gipsplaten van de wanden en de plafonds nog niet sausklaar waren.
3.23
Hier zijn partijen het erover eens dat het werk nog niet gereed was. Daarmee heeft [naam1] ook rekening gehouden. De besparing van materiaalkosten en arbeidsloon tezamen heeft hij begroot op 40% van het totaal. Het hof zal [naam1] hierin volgen, omdat onvoldoende reden bestaat om van een ander percentage uit te gaan.
- Overige besparingen
3.24
Dat behalve deze specifieke besparingen ook andere besparingen aan de orde zijn, heeft [appellant] niet voldoende onderbouwd.
De conclusie
3.25
Het hoger beroep slaagt deels. De beslissing van de rechtbank zal worden vernietigd voor zover [appellant] is veroordeeld tot betaling van € 28.287,32, vermeerderd met rente (het dictum onder 5.1). Toegewezen zal slechts worden (7.180 + 2.240 + 2.815 + 6.600 + 1.139,95 + 8.080 – 21.282) x 121/100 =
€ 8.195,27.
3.26
Omdat beide partijen in het hoger beroep gedeeltelijk in het (on)gelijk worden gesteld, zal het hof bepalen dat zij in dit hoger beroep ieder de eigen proceskosten moeten dragen. Ook de proceskosten in de eerste aanleg zullen op deze wijze worden gecompenseerd (het dictum onder 5.3).

4.De beslissing

Het hof:
4.1
Vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van
1 juni 2022 voor zover dat onder 5.1 en 5.3 is gewezen en beslist in zoverre het volgende.
5.1
veroordeelt [appellant] om aan [naam1]
€ 8.195,27te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dit bedrag, met ingang van
17 november 2020 tot de dag van volledige betaling,
5.3
bepaalt dat partijen ieder de eigen kosten van deze procedure moeten dragen,
4.2
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.3
bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;
4.4
bepaalt dat partijen ieder de eigen kosten van dit hoger beroep moeten dragen;
4.5
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, J.H. Kuiper en P.S. Bakker, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
9 december 2025.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld HR 11.10.2019, ECLI:NL:HR:2019:1581.
2.HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8728, NJ 2013/225, met verwijzing naar TM, Kamerstukken II 1992/93, 23095, 3, p. 39.