ECLI:NL:HR:2013:BY8728
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beoordeling opzegging aannemingsovereenkomst en verrekening besparingen aannemer
In deze zaak stond centraal de opzegging van een overeenkomst tot aanneming van werk tussen eiseres en verweerders. Verweerders hadden de overeenkomst met onmiddellijke ingang beëindigd, waarna eiseres betaling van het restant van de aanneemsom vorderde. De rechtbank kende een bedrag toe, verminderd met besparingen die voor eiseres uit de opzegging zouden voortvloeien.
Het hof oordeelde dat verweerders aannemelijk hadden gemaakt dat eiseres haar werknemers op andere klussen kon inzetten, waardoor zij besparingen had gerealiseerd. Eiseres had onvoldoende tegenbewijs geleverd, ondanks haar stelling dat zij in de betrokken periode geen andere werkzaamheden had weten te acquireren. Het hof stelde vast dat het eerder afronden van andere klussen en het eerder kunnen starten van nieuw werk een besparing opleverde, en dat verweerders daarom slechts de helft van de niet gewerkte arbeidsuren hoefden te vergoeden.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte dat op grond van artikel 7:764 lid 2 BW Pro de opdrachtgever die besparingen aanvoert, de stelplicht en bewijslast draagt. Tevens rust op de aannemer een belangrijke mededelingsplicht omtrent de benutting van vrijgekomen arbeidstijd. Het beroep van eiseres werd verworpen en zij werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.