ECLI:NL:GHARL:2025:7987

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
24/632 en 24/633
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen met betrekking tot specifieke zorgkosten en vervoerskosten

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland, waarin de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor de jaren 2016 en 2017 zijn verminderd. De Rechtbank had de aanslagen voor 2016 en 2017 vastgesteld op respectievelijk € 24.974 en € 12.469, en had de belastingrente en verzuimboetes verlaagd. Belanghebbende had bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de aanslagen en de aftrekbare zorgkosten, met name de vervoerskosten in verband met ziekte. De Rechtbank had de Inspecteur veroordeeld tot het betalen van immateriële schadevergoeding en proceskosten. In hoger beroep is de vraag aan de orde of de Rechtbank de Inspecteur tot een hoger bedrag aan terug te betalen griffierecht had moeten veroordelen en of de aftrekbare vervoerskosten juist zijn vastgesteld. Het Hof heeft geoordeeld dat de Rechtbank de Inspecteur inderdaad had moeten veroordelen tot terugbetaling van tweemaal griffierecht van € 50, en heeft het hoger beroep op dat punt gegrond verklaard. Wat betreft de aftrekbare vervoerskosten heeft het Hof geoordeeld dat de Rechtbank de juiste bedragen heeft vastgesteld en dat belanghebbende niet heeft aangetoond dat de werkelijke vervoerskosten hoger zijn dan door de Rechtbank berekend. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd, behalve voor het griffierecht, dat nu op € 238 is vastgesteld. De proceskosten voor het hoger beroep zijn vastgesteld op € 555, te betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummers BK-ARN 24/632 en 24/633
uitspraakdatum: 9 december 2025
Uitspraak van de zevende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 23 februari 2024, nummers ARN 22/2371 en 22/5434, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem(hierna: de Inspecteur)
en
de Staat der Nederlanden(de minister van Justitie en Veiligheid)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2016 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een verzamelinkomen van € 27.537. Bij beschikking is belastingrente van € 387 berekend en verder is een verzuimboete opgelegd van € 369.
1.2.
De Inspecteur heeft het tegen de aanslag 2016 gerichte bezwaar gegrond verklaard, de aanslag verminderd naar een verzamelinkomen van € 25.558, de belastingrente dienovereenkomstig verminderd en de verzuimboete verminderd tot nihil.
1.3.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2017 ambtshalve een aanslag IB/PVV opgelegd naar een verzamelinkomen van € 19.793. Bij beschikking is belastingrente van € 112 berekend en verder is een verzuimboete opgelegd van € 369.
1.4.
De Inspecteur heeft het tegen de aanslag 2017 gerichte bezwaar gegrond verklaard, de aanslag verminderd naar een verzamelinkomen van € 12.990, en de belastingrente en de verzuimboete verminderd tot nihil.
1.5.
Belanghebbende is tegen de onder 1.2 en 1.4 vermelde uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de aanslagen verminderd naar verzamelinkomens van respectievelijk € 24.974 (2016) en € 12.469 (2017) en de belastingrente verminderd. De Rechtbank heeft de Staat en de Inspecteur veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van € 2.000 en die voor € 1.333 toegerekend aan de Inspecteur en voor € 667 aan de Staat. Verder heeft de Rechtbank de Inspecteur veroordeeld tot het vergoeden van proceskosten van € 2.234,20 en griffierecht van € 50.
1.6.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.7.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, bijgestaan door haar gemachtigde mr. K. Bozia. Namens de Inspecteur zijn verschenen mr. [naam1] en [naam2] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.De feiten

2.1.
Belanghebbende is geboren [in] 1960 en heeft geen fiscaal partner. In 2016 en 2017 vormt belanghebbende een eenpersoonshuishouden.
2016
2.2.
Belanghebbende heeft in haar aangifte over 2016 specifieke zorgkosten (hierna: zorgkosten) van € 5.100 opgevoerd. De persoonsgebonden aftrek (pga) heeft zij, na verhoging van de grondslag met 40% en toepassing van de drempel, berekend op € 6.607.
2.3.
De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag rekening gehouden met aftrekbare zorgkosten ten bedrage van € 1.033 en heeft de pga berekend op € 977.
2.4.
In de bezwaarfase heeft de Inspecteur de aftrekbare zorgkosten verhoogd naar € 2.447. De Inspecteur is hierbij uitgegaan van het door belanghebbende gestelde bedrag aan werkelijke vervoerskosten van € 5.543, en heeft de aftrekbare vervoerskosten op € 1.547 berekend. De pga is bij uitspraak op bezwaar vastgesteld op € 2.956.
2.5.
Bij de Rechtbank waren voor 2016 enkel de vervoerskosten in geschil. De Inspecteur heeft in de beroepsfase nadere berekeningen van het besteedbaar inkomen en de aftrekbare kosten gemaakt. De Rechtbank heeft deze berekeningen overgenomen. De Rechtbank heeft het netto besteedbaar inkomen van belanghebbende voor het jaar 2016 berekend op € 1.712 per maand. Op basis van de Nibud-tabel leidt dit tot een bedrag aan gemiddelde vervoerskosten van de ‘maatman’ van € 143 per maand, en daarmee van € 1.716 per jaar. Bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van belanghebbende voor het jaar 2016 heeft de Rechtbank rekening gehouden met:
Teruggaaf voorlopige aanslag 2015
+ 1.428
Ontvangen huurtoeslag 2016*
+ 3.043
Ontvangen zorgtoeslag 2016*
+ 1.003
Terugbetaalde zorgtoeslag 2014
-/- 198
* de Rechtbank heeft in haar uitspraak abusievelijk 2017 vermeld
2.6.
De Rechtbank heeft de op belanghebbende drukkende vervoerskosten voor het jaar 2016 vastgesteld op: werkelijke kosten € 5.543 -/- vergoeding van de werkgever van € 1.863 = € 3.680. Verminderd met de kosten van de maatman van € 1.716 (zie 2.5), leidt dit tot een bedrag van € 1.964 aan aftrekbare vervoerskosten. De totale aftrekbare zorgkosten heeft de Rechtbank vastgesteld op € 2.864 en de pga op € 3.540. De Rechtbank heeft het verzamelinkomen vastgesteld op € 24.974 en het beroep voor het jaar 2016 gegrond verklaard.
2017
2.7.
Belanghebbende heeft voor het jaar 2017, ondanks daartoe te zijn uitgenodigd, herinnerd en aangemaand, geen aangifte IB/PVV ingediend. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de ambtshalve aanslag geen aftrek in verband met zorgkosten in aanmerking genomen.
2.8.
In de bezwaarfase heeft belanghebbende een aangifte ingediend. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar een bedrag aan zorgkosten in aanmerking genomen, waarbij hij is uitgegaan van de door belanghebbende gestelde werkelijke vervoerskosten van € 6.003. De aftrekbare vervoerskosten heeft de Inspecteur berekend op € 4.192. De totale zorgkosten heeft de Inspecteur in de uitspraak op bezwaar berekend op € 5.092, en de pga op € 6.803.
2.9.
Bij de Rechtbank waren de vervoerskosten in geschil. De Inspecteur heeft in de beroepsfase nadere berekeningen van het besteedbaar inkomen 2017 en de aftrekbare kosten gemaakt. Deze berekeningen heeft de Rechtbank overgenomen. De Rechtbank gaat uit van een netto besteedbaar inkomen van belanghebbende voor het jaar 2017 van € 14.748 [1] , en daarmee van € 1.229 per maand. Op basis van de Nibud-tabel leidt dit tot een bedrag aan gemiddelde vervoerskosten van de ‘maatman’ van € 71 per maand, en daarmee van € 852 per jaar. Bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van 2017 heeft de Rechtbank rekening gehouden met:
Ontvangen huurtoeslag 2017
3.003
Ontvangen zorgtoeslag 2017
+ 978
Terugbetaalde zorgtoeslag 2014
-/- 115
2.10.
De Rechtbank heeft de op belanghebbende drukkende vervoerskosten voor het jaar 2017 vastgesteld op: werkelijke kosten € 6.003 -/- vergoeding werkgever € 588 = € 5.415. Verminderd met de kosten van de maatman van € 852 (zie 2.9), leidt dit tot een aftrekbaar bedrag van € 3.882 aan vervoerskosten. De totale aftrekbare zorgkosten heeft de Rechtbank vastgesteld op € 4.564 en de aftrekbare pga op € 7.324. De Rechtbank heeft het verzamelinkomen vastgesteld op € 12.469 en het beroep voor het jaar 2017 gegrond verklaard.

3.Geschil

In hoger beroep is in geschil:
  • of de Rechtbank de Inspecteur tot een hoger bedrag aan terug te betalen griffierecht had moeten veroordelen;
  • of de aftrekbare vervoerskosten juist zijn vastgesteld. Meer specifiek is in geschil of de besteedbare inkomens van 2016 en 2017 juist zijn berekend en wat de omvang van de werkelijke vervoerskosten moet zijn.
Het inkomen uit vroegere dienstbetrekking voor het jaar 2017 is in hoger beroep niet meer in geschil.

4.Beoordeling van het geschil

Griffierecht
4.1.
Belanghebbende wijst erop dat zij voor de behandeling van de beroepszaken van 2016 en 2017 tweemaal griffierecht van € 50 heeft moeten betalen. De Rechtbank heeft beide beroepen gegrond verklaard en had de Inspecteur daarom moeten veroordelen tot terugbetaling van tweemaal € 50 aan griffierecht, in plaats van éénmaal.
4.2.
De grief slaagt. Het hoger beroep is reeds hierom gegrond.
Specifieke zorgkosten - vervoerskosten
4.3.
Op grond van artikel 6.17, lid 1, aanhef en letter b, Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB) komen uitgaven voor vervoer in verband met ziekte of invaliditeit voor aftrek in aanmerking. Tussen partijen is niet in geschil dat de aandoening van belanghebbende een ziekte is in de zin van artikel 6.17, lid 1, Wet IB.
4.4.
Tot de uitgaven voor vervoer behoren onder meer de uitgaven die zijn gedaan in rechtstreeks verband met het verkrijgen van geneeskundige hulp, zoals (auto)kosten van vervoer gedaan door een zieke of invalide voor het ondergaan van een medische behandeling of het bezoeken van een arts. [2] Deze uitgaven ter zake van de zogenoemde ‘medische kilometers’ zijn volledig aftrekbaar.
4.5.
Dit is anders bij autokosten die niet rechtstreeks zijn verbonden met het verkrijgen van geneeskundige hulp, maar betrekking hebben op het overige gebruik van een auto door een zieke of invalide in verband met zijn ziekte of invaliditeit. Die uitgaven voor zogenoemde ‘leefkilometers’ kunnen slechts in aftrek worden gebracht voor zover deze meer bedragen dan die uitgaven in het normale bestedingspatroon van personen die niet ziek of invalide zijn maar overigens wat inkomen, vermogen en gezinsomstandigheden betreft in een gelijke positie verkeren, de zogenoemde ‘maatman’. Daarbij moet worden uitgegaan van de objectief te bepalen meerkosten van het autogebruik door de zieke of invalide. [3]
4.6.
Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat de vervoerskosten voor beide jaren tot een hoger bedrag in aanmerking genomen moeten worden dan de Rechtbank heeft gedaan. Zij heeft in dat kader aangevoerd dat haar besteedbaar inkomen in beide jaren te hoog is berekend en de berekeningen van de kosten van de maatman daarom niet kloppen. Ter onderbouwing van die stelling heeft zij erop gewezen dat in 2016 ten onrechte de gehele teruggaaf voorlopige aanslag 2015 van € 1.428 tot het besteedbaar inkomen is gerekend, terwijl – naar tussen partijen niet in geschil is – slechts € 250 daarvan aan belanghebbende is uitbetaald. Het resterende bedrag van € 1.178 is verrekend met openstaande belastingschulden. Belanghebbende stelt dat slechts € 250 tot het besteedbaar inkomen in 2016 kan worden gerekend. Belanghebbende stelt verder voor 2016 en 2017 dat de in die jaren ontvangen toeslagen (zie 2.5 en 2.9) dienen om kosten, zoals huurlasten, te voldoen. Daarom kunnen de toeslagen evenmin tot het besteedbaar inkomen worden gerekend.
4.7.
Het Hof volgt belanghebbende hierin niet. Het enkele gegeven dat belanghebbende door verrekening niet vrijelijk over bedragen kan beschikken dan wel niet vrij is in de keuze waaraan zij de ontvangen bedragen besteedt, betekent niet dat de bedragen niet tot het besteedbaar inkomen van belanghebbende hebben behoord. Zo is het bedrag van € 1.178 (door de ontvanger) besteed aan het aflossen van schulden van belanghebbende en heeft zij ontvangen toeslagen (onder meer) aan haar vaste lasten besteed. Voor zover belanghebbende de hoogte van de in 2016 en 2017 ontvangen toeslagen betwist, is het Hof van oordeel dat belanghebbende, mede gelet op het overzicht van de bedragen van de Inspecteur en de door hem toegevoegde bijlagen, niet aannemelijk heeft gemaakt dat van lagere bedragen moet worden uitgegaan. Belanghebbende heeft geen andere grieven tegen de berekeningen van de uitgaven van de maatman aangevoerd, zodat het Hof voor beide jaren van de juistheid daarvan zal uitgaan.
4.8.
Belanghebbende heeft voorts het standpunt ingenomen dat de Inspecteur van onjuiste bedragen aan werkelijke vervoerskosten is uitgegaan. In (de bijlagen bij) het hogerberoepschrift stelt zij wisselend dat de totale werkelijke vervoerskosten in 2016 uitkomen op € 5.543 dan wel € 3.163, en in 2017 op € 1.132. De bijdrage van de werkgever, die daarvan wordt afgetrokken om de omvang van de op belanghebbende drukkende kosten te bepalen, is daarbij niet in geschil.
4.9.
Het Hof wijst erop dat de Rechtbank in haar beslissing is uitgegaan van werkelijke vervoerskosten van € 5.543 in 2016 en van € 6.003 in 2017, zodat deze stelling belanghebbende niet in een betere positie kan brengen. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende desgevraagd niet aangegeven welk bedrag aan vervoerskosten zij (nader) voorstaat en heeft zij enkel naar de stukken verwezen. Voor een hogere aftrek dan waarmee de Rechtbank rekening heeft gehouden, heeft belanghebbende ook geen bewijs aangeleverd, waarbij het Hof opmerkt dat voor het jaar 2017 een verzwaarde bewijslast geldt, omdat belanghebbende niet binnen de daarvoor geldende uiterste termijn aangifte heeft gedaan (zie 2.7). Het hoger beroep slaagt op het punt van de vervoerskosten daarom niet.
Overig
4.10.
Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof verklaard dat het belang van deze procedures vooral zit in het contact met de ontvanger, dat tot op heden zeer moeizaam verloopt. De Inspecteur heeft toegezegd hij dat dit met de ontvanger zal opnemen.
4.11.
Belanghebbende heeft er tenslotte over geklaagd dat het dictum van de Rechtbank niet juist is uitgevoerd, in die zin dat niet het juiste bedrag aan vergoedingen voor immateriële schade en proceskosten is uitbetaald en voorts, dat de Inspecteur de vergoedingen aan de gemachtigde had moeten uitbetalen omdat belanghebbende op basis van toevoeging procedeert.
4.12.
Het Hof heeft ter zitting met partijen vastgesteld dat uit het dossier bij de Rechtbank niet volgt dat werd geprocedeerd op toevoegingsbasis en evenmin dat de Inspecteur daarvan vóór de uitbetaling van de vergoedingen op de hoogte was. In zoverre is de uitspraak van de Rechtbank op dat punt niet onjuist of onvolledig en valt de Inspecteur niet te verwijten dat de uitbetalingen aan belanghebbende in plaats van aan de gemachtigde hebben plaatsgevonden. Voor zover de klachten van belanghebbende verband houden met de omvang en wijze van uitbetaling van bedragen die de Rechtbank heeft opgenomen onder ‘Beslissing’, is het Hof als bestuursrechter niet bevoegd hierover te oordelen. Het Hof merkt ten overvloede op dat uit de stukken niet naar voren lijkt te komen dat te weinig is uitbetaald.
Belastingrente
4.13.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is in zoverre ongegrond.
Slotsom4.14. Op grond van het in 4.2 overwogene is het hoger beroep gegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

5.1.
Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur het betaalde griffierecht te vergoeden, vast te stellen op (2 x € 50 =) € 100 voor beroep en € 138 voor hoger beroep, derhalve in totaal € 238.
5.2.
De Rechtbank heeft beslist dat voor een vergoeding van kosten van de bezwaarfase geen aanleiding bestaat en heeft de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van beroep. Tegen deze beslissing en de hoogte van de door de Rechtbank uitgesproken vergoeding zijn in hoger beroep geen grieven aangevoerd, zodat het Hof die beslissing in stand zal laten.
5.3.
Het Hof ziet verder aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken. Overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb) zijn de kosten van rechtsbijstand die belanghebbende in verband met die behandeling heeft moeten maken vast te stellen op € 1.814 (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 907). Het Hof ziet in de omstandigheid dat het hoger beroep enkel slaagt op een punt van ondergeschikt belang - het door de Rechtbank te laag bepaalde bedrag aan te vergoeden griffierechten - aanleiding om de vergoeding op grond van artikel 2, lid 2, van het Bpb te matigen tot een vergoeding van € 500. De reiskosten van belanghebbende zijn in overeenstemming met het Bpb te berekenen op € 55. De totale proceskosten komen daarmee op € 555. Omdat aan belanghebbende een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand, moet de Inspecteur de proceskostenvergoeding aan de rechtsbijstandverlener betalen.

6.Beslissing

Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover het betreft de beslissing omtrent het te vergoeden griffierecht,
– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige,
– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht van € 238 vergoedt, en
– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van het hoger beroep tot een bedrag van € 555, uit te betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Breij, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.
De beslissing is op 9 december 2025 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De raadsheer,
(J.H. Riethorst) (M.M. Breij)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.De Rechtbank heeft in de uitspraak in de tabel voor het jaar 2017 in rechtsoverweging 35 bij dit besteedbaar inkomen abusievelijk het jaar 2016 vermeld.
2.Vgl. HR 4 mei 2007, ECLINL:HR:2007:BA4296, rechtsoverweging 3.2.
3.Vgl. HR 24 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9626, rechtsoverweging 3.1.