De heffingsambtenaar stelde op grond van de Wet WOZ de waarden van meerdere onroerende zaken vast per peildatum 1 januari 2019 en legde aanslagen OZB 2021 op. Belanghebbende diende bezwaarschriften in, die door de heffingsambtenaar niet-ontvankelijk werden verklaard wegens te late indiening. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
Het hof oordeelt dat de bezwaartermijn zes weken bedroeg, startend de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet (31 januari 2020), en eindigde op 13 maart 2020. Het bezwaarschrift werd echter pas op 24 maart 2021 ontvangen, ruim na de termijn. Het hof wijst het verweer van belanghebbende af dat de heffingsambtenaar hem had moeten toestaan het verzuim te herstellen, omdat termijnoverschrijding in principe niet herstelbaar is.
Hoewel de heffingsambtenaar niet expliciet naar verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding vroeg, acht het hof dit gebrek niet doorslaggevend omdat belanghebbende geen feiten heeft gesteld die verschoonbaarheid aannemelijk maken. Ook de stelling dat de aanslag later was verstuurd dan vermeld, wordt niet aannemelijk geacht. Het hof bevestigt daarom de niet-ontvankelijkverklaring en verklaart het hoger beroep ongegrond.