ECLI:NL:GHARL:2025:8018

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
Wahv 200.352.747/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 13a Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen proceskostenvergoeding bij overschrijding redelijke termijn in Wahv-zaak

De betrokkene kreeg een sanctie van €150 opgelegd voor rijden op het trottoir op 26 oktober 2022. De kantonrechter mat de sanctie wegens overschrijding van de redelijke termijn tot €112,50 en kende een proceskostenvergoeding toe met een wegingsfactor van 0,25, omdat het geschil beperkt was tot de vaststelling van die overschrijding.

De gemachtigde van de betrokkene stelde dat de wegingsfactor onjuist was toegepast en eiste een hogere vergoeding. Het hof oordeelde dat de kantonrechter onvoldoende had gemotiveerd waarom een wegingsfactor van 0,25 werd toegepast, terwijl in vergelijkbare Mulderzaken doorgaans 0,5 wordt gehanteerd.

Het hof vernietigde daarom het besluit over de proceskostenvergoeding en bepaalde dat de advocaat-generaal de proceskosten van de betrokkene moet vergoeden tot een bedrag van €929,68, waarbij rekening is gehouden met de aard van de zaak, het aantal punten en de redelijke termijn. Tevens werd een vergoeding voor de kosten in hoger beroep toegekend.

De uitspraak benadrukt het belang van een goede motivering bij het toepassen van wegingsfactoren in proceskostenvergoedingen en bevestigt de vaste jurisprudentie omtrent Mulderzaken en redelijke termijnen.

Uitkomst: Het hof vernietigt het besluit over de proceskostenvergoeding en veroordeelt de advocaat-generaal tot vergoeding van €929,68 aan de betrokkene.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.352.747/01
CJIB-nummer
: 253469021
Uitspraak d.d.
: 15 december 2025
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 30 januari 2025, betreffende

[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 112,50. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 453,50.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “rijden op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 26 oktober 2022 om 15:47 uur op de Geitstraat-Wannerstraat in Heerlerheide met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie wegens de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg gematigd tot € 112,50.
3. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter bij de toekenning van een proceskostenvergoeding ten onrechte de wegingsfactor 0,25 in plaats van 0,5 heeft toegepast.
4. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie met 25 procent gematigd, omdat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in eerste aanleg is overschreden en daarin aanleiding gezien het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen. De kantonrechter heeft in dit verband overwogen dat de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) wordt toegepast, omdat het geschil is beperkt tot de vaststelling van de schending van de redelijke termijn van berechting.
5. De betrokkene is met de wijziging van het sanctiebedrag inhoudelijk (gedeeltelijk) in het gelijkgesteld. De kantonrechter heeft terecht een proceskostenvergoeding toegekend. Met betrekking tot de hoogte daarvan overweegt het hof dat het uitgangspunt is dat de wegingsfactor van een Mulderzaak waarbij de betrokkene inhoudelijk in het gelijk wordt gesteld 0,5 (gewicht van de zaak = licht) is. Dit geldt ook als het sanctiebedrag uitsluitend wordt gematigd in verband met overschrijding van de redelijke termijn van berechting. [1]
6. Het begrip ‘gewicht van de zaak’ dient te worden opgevat als het belang en de ingewikkeldheid van de in administratief beroep of in de (hoger) beroepsfase als geheel voorliggende geschilpunten. Daarbij dient te worden gekeken naar de aard van de zaak, waaronder begrepen het soort zaak, de omvang van het dossier en het onderwerp van geschil. Het gaat daarbij - met het oog op een uniforme en voorspelbare toepassing van het recht - om het gewicht van een zaak, zoals deze zich doorgaans voordoet. De meeste Mulderzaken zijn feitelijk en juridisch gezien vrij eenvoudig van aard. Dat komt tot uitdrukking in vorengenoemde vaste jurisprudentie in Mulderzaken. [2]
7. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter onvoldoende gemotiveerd waarom een wegingsfactor van 0,25 wordt toegepast. Uit de motivering van de kantonrechter blijkt niet waarom de onderhavige zaak zich onderscheidt van andere Mulderzaken, die - zoals hiervoor is overwogen - doorgaans feitelijk en juridisch gezien vrij eenvoudig van aard zijn. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen voor zover daarbij is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding, en doen hetgeen de kantonrechter zou behoren te doen.
8. De matiging van het sanctiebedrag vindt uitsluitend zijn grondslag in de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. De proceskosten gemaakt in de fase van het administratief beroep komen niet voor vergoeding in aanmerking. [3] Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het verschijnen ter zitting van de kantonrechter dienen twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 907,-
(= 2 x € 907,- x 0,5).
9. Naar het oordeel van het hof bestaat in deze zaak tevens aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding in hoger beroep. Aan het indienen van het hoger beroepschrift dient één punt te worden toegekend. In de fase van het hoger beroep, waarin de betrokkene slechts in het gelijk wordt gesteld voor wat betreft de hoogte van de proceskostenvergoeding, wordt de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. Omdat de beslissing van de kantonrechter na
31 december 2023 is bekendgemaakt, wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,1. [4]
Aldus zal het hof de advocaat-generaal in deze zaak veroordelen voor de in hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 22,68 (= (1 x € 907,- x 0,25 x 0,1).
10. Het hof zal de advocaat-generaal, gelet op het voorgaande, veroordelen in de proceskosten tot een bedrag van in totaal € 929,68 (= € 907,- + € 22,68).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 929,68.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Meulen als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.

Voetnoten

1.vgl. het arrest van het hof van 17 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7764
2.vgl. het arrest van het hof van 20 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4173
3.vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369
4.vgl. het arrest van het hof van 3 november 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6822