ECLI:NL:GHARL:2025:8056

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
200.355.892
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorgregeling in het kader van ouderlijk gezag en hoofdverblijfplaats van minderjarige

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 16 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep inzake een verzoek tot wijziging van de zorgregeling voor een minderjarige. De vader, verzoeker, heeft in hoger beroep de beschikking van de rechtbank Gelderland van 15 april 2025 aangevochten, waarin de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de moeder was vastgesteld. De vader heeft vier grieven ingediend, waarbij hij onder andere aanvoert dat de rechtbank ten onrechte de hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft bepaald en dat er zorgen zijn over de psychische gesteldheid van de moeder en de communicatie tussen de ouders. Het hof heeft de procedure in hoger beroep behandeld, waarbij beide ouders en hun advocaten aanwezig waren, evenals een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming. Het hof heeft vastgesteld dat de ouders gezamenlijk het gezag over de minderjarige uitoefenen en dat de zorgregeling redelijk goed verloopt, ondanks de spanningen tussen de ouders. Het hof heeft geoordeeld dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de moeder moet blijven, omdat dit in het belang van het kind is. De verzoeken van de vader tot wijziging van de zorgregeling en de hoofdverblijfplaats zijn afgewezen. De proceskosten in hoger beroep zijn gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.355.892
(zaaknummer rechtbank Gelderland 446023)
beschikking van 16 december 2025
inzake
[verzoeker](de vader)
die woont in [woonplaats1] , gemeente [naam]
advocaat: mr. S.S. Zijderveld
en
[verweerster](de moeder)
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. R. de Vries

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 15 april 2025, uitgesproken onder zaaknummer 446023 (hierna: de bestreden beschikking).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift, tevens verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv, met bijlagen, ingekomen op 19 juni 2025;
- het verweerschrift;
- een journaalbericht namens de vader van 4 november 2025 met bijlagen;
- een journaalbericht namens de moeder van 6 november 2025 met bijlagen.
2.2
De moeder heeft - onder verwijzing naar het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven - bezwaar gemaakt tegen het overleggen van de bijlagen door de vader bij voormeld journaalbericht van 4 november 2025, aangezien deze niet tijdig zijn ingediend. Het hof heeft daarop beslist dat het niettemin acht zal slaan op die bijlagen omdat deze kort en eenvoudig te doorgronden zijn en de moeder en haar advocaat zonder nadere maatregel van het hof in redelijkheid voldoende moeten hebben kunnen kennisnemen van die bijlagen. Wel buiten beschouwing laat het hof de bijlage met de aanduiding ‘Betreft: update, stand van zaken, pleitnota’ , omdat die bijlage een (verkapte) tweede schriftelijke ronde inhoudt en dat is in strijd met de tweeconclusieleer.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 11 november 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren de vader en de moeder, bijgestaan door hun advocaten. Voorts was aanwezig een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming te Arnhem (hierna: de raad).

3.De feiten

3.1
Partijen hebben samengewoond tot [in] 2024. Zij zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2023.
3.2
De vader heeft [de minderjarige] erkend. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige] .

4.De omvang van het geschil

4.1
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank – samengevat – de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] vastgesteld bij de moeder en als regeling voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (de zorgregeling) vastgesteld dat [de minderjarige] :
a. bij de vader verblijft:
- in week A van woensdag 9.00 uur tot en met vrijdag 18.30 uur,
- in week B van vrijdag 9.00 uur tot en met zondag 18.00 uur,
- iedere eerste maandag van de maand,
waarbij het wisselmoment bij station [plaats] zal zijn,
b. bij ieder van de ouders verblijft tijdens vakanties en feestdagen overeenkomstig het aan de bestreden beschikking gehechte overzicht.
De bestreden beschikking is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard, de behandeling van de zaak is aangehouden wat betreft de verzochte kinderalimentatie en de verzoeken van partijen zijn voor het overige afgewezen
4.2
De vader is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven 1, 2 en 4 zien op de zorgregeling en grief 3, die bestaat uit de subgrieven 3A tot en met 3G, op de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] .
De vader verzoekt het hof – bij wege van provisionele vordering (voorlopige voorziening) – te bepalen dat de wisselmomenten thuis plaatsvinden en twee uur later dan in de bestreden beschikking is bepaald en – in de hoofdzaak – de bestreden beschikking te vernietigen en (verkort weergegeven)
- de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] te bepalen bij de vader;
- een (reguliere) zorgregeling vast te stellen als volgt:
a. [de minderjarige] is
- elke week van maandag 11:00 uur tot woensdag 11:00 uur bij de moeder;
- elke week van woensdag 11:00 uur tot vrijdag 20:00 uur bij de vader;
- het weekend (van vrijdag 20:00 uur tot maandag 11:00 uur) in even weken bij
de moeder en in oneven weken bij de vader;
b. de wisselmomenten vinden thuis plaats waarbij [de minderjarige] door de ouder waar hij verbleef naar de andere ouder wordt gebracht;
- de zorgregeling voor de vakanties en feestdagen wordt vastgesteld zoals verzocht in het beroepschrift.
4.3
De vrouw voert verweer en vraagt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken of deze af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Omdat het hof nu een beslissing geeft in de hoofdzaak heeft de vader geen belang meer bij de verzochte voorlopige voorziening. Het hof zal dat verzoek van de vader daarom afwijzen.
5.2
De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a BW kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan – onder meer – omvatten:
- een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;
- de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
5.3
Het hof zal eerst beslissen op het verzoek van de vader te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem is. Volgens de vader heeft de rechtbank op verkeerde gronden de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder bepaald. Daartoe voert hij aan
- dat de rechtbank is voorbijgegaan aan de zorgen over psychische problemen van de moeder, huiselijk geweld en fysieke agressie jegens de vader;
- dat de rechtbank er ten onrechte vanuit is gegaan dat de moeder meer zorg droeg over [de minderjarige] tijdens en na de relatie dan de vader;
- dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen overeenstemming bestond over de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] en de zorgregeling;
- dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de eenzijdige beslissing van de moeder om [de minderjarige] in te schrijven in [woonplaats2] , te verhuizen buiten de regio zonder toestemming van de vader, de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] te wijzigen en [de minderjarige] in te schrijven bij een andere huisarts en een ander kinderdagverblijf;
- dat de rechtbank het verweer van vader tegen het door de moeder over hem geschetste beeld terzijde ongemotiveerd terzijde heeft gesteld en dat hij, ondanks de problemen bij de moeder, steeds redelijk en constructief is gebleven in het overleg met de moeder.
5.4
De moeder heeft de stellingen van de vader uitdrukkelijk en gemotiveerd betwist. Daartegenover heeft de vader zijn stellingen niet (nader) onderbouwd. Aanwijzingen dat de vader beter dan de moeder in staat is [de minderjarige] de dagelijkse zorg te bieden zijn er niet. Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden die rechtvaardigen dat een andere beslissing wordt genomen dan de rechtbank heeft gedaan. Zoals de rechtbank heeft overwogen doet die beslissing recht aan de feitelijke situatie, waarin het aandeel van de moeder (die nu tweeëneenhalve dag per week werkt) in de zorg voor [de minderjarige] iets groter is dan het aandeel van de vader daarin. De raad heeft geadviseerd geen wijziging te brengen in de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] . Het hof is gelet hierop dan ook van oordeel dat het het meest in het belang van [de minderjarige] is dat zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder zal zijn. Het verzoek van de vader tot wijzing van de hoofdverblijfplaats zal worden afgewezen. Dat de moeder [de minderjarige] zonder toestemming van de vader bij een andere huisarts en een ander kinderdagverblijf heeft ingeschreven doet daar niet aan af.
5.5
De vader kan zich verder niet vinden in de vastgestelde zorgregeling omdat deze volgens hem in de praktijk te belastend is voor [de minderjarige] en praktisch niet goed uitvoerbaar is.
5.6
Het hof ziet – evenals de raad – geen aanleiding de zorgregeling te wijzigen zoals de vader heeft verzocht. Uit de stukken en de toelichting van partijen ter zitting van het hof is gebleken dat de zorgregeling redelijk goed verloopt en dat partijen het op onderdelen ook eens zijn met elkaar. De spanningen rond (de uitvoering van) de zorgregeling zijn grotendeels te wijten aan de verstoorde verhouding en communicatie tussen partijen. Aanpassing van de zorgregeling overeenkomstig de verzoeken van de vader maakt dat niet anders. Dat geldt ook voor (aanpassing van) de wisselmomenten. Het hof kan zich voorstellen dat de overdracht van [de minderjarige] op station [plaats] op de door de rechtbank vastgestelde wisselmomenten niet ideaal is, maar is van oordeel dat deze wel het meest in het belang van [de minderjarige] is zolang partijen niet in onderling overleg tot andere afspraken komen.
De verzoeken van de vader worden daarom afgewezen.

6.De slotsom

6.1
Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen voor zover daarin is beslist over de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] en de zorgregeling.
6.2
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt, omdat de procedure over het kind van partijen gaat.

7.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 15 april 2025 ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] en de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, R. Feunekes en A.T. Bol, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, en is op 16 december 2025 uitgesproken in het openbaar.