De moeder heeft het gezag over een minderjarige geboren in 2024, die sinds voor haar geboorte onder toezicht is gesteld. De ondertoezichtstelling is verlengd tot oktober 2026. De gecertificeerde instelling (GI) verzocht op 13 november 2025 spoedmachtiging tot uithuisplaatsing voor twee weken en aansluitend voor zes maanden. De kinderrechter verleende alleen de spoedmachtiging en wees het vervolgverzoek af.
Het hof vernietigde deze afwijzing en verleende een machtiging tot uithuisplaatsing van 27 november tot 23 december 2025, met aanhouding voor het vervolg. Na verdere behandeling besloot het hof het verzoek van de GI voor verlenging tot 27 mei 2026 toe te wijzen.
Het hof baseerde zich op de ernstige zorgen over het functioneren van de moeder, die een licht verstandelijke beperking en intensieve begeleiding heeft, maar onvoldoende in staat is om de hulp om te zetten in adequaat opvoedgedrag. De minderjarige vertoonde tekenen van ontwikkelingsachterstand en gezondheidsproblemen die verbeterden na plaatsing in een pleeggezin. Het hof oordeelde dat voortzetting van de uithuisplaatsing noodzakelijk is voor de veiligheid en gezonde ontwikkeling van het kind.