ECLI:NL:GHARL:2025:8061

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
21-001094-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake verkrachting stiefdochter en mishandeling ex-partner met overtreding van gedragsaanwijzingen

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 9 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Overijssel. De verdachte, een stiefvader, is veroordeeld voor de verkrachting van zijn minderjarige stiefdochter, mishandeling van zijn ex-partner en het meermalen overtreden van een contact- en locatieverbod. De rechtbank had eerder een gevangenisstraf van dertig maanden opgelegd, waarvan achttien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Tijdens de zitting op 25 november 2025 heeft het hof de zaak behandeld, waarbij de advocaat-generaal en de verdediging hun standpunten hebben gepresenteerd. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte zijn stiefdochter heeft verkracht in de periode dat haar moeder in het ziekenhuis was, en dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn positie als stiefvader. De verdachte heeft de stiefdochter drugs gegeven, wat heeft bijgedragen aan haar kwetsbaarheid. Het hof heeft de eerdere veroordeling bevestigd en de gevangenisstraf gehandhaafd, met inachtneming van de bijzondere voorwaarden die aan de voorwaardelijke straf zijn verbonden. Daarnaast is de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen, waarbij de verdachte is veroordeeld tot betaling van € 7.500 aan immateriële schade.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001094-24
Uitspraakdatum: 9 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem , gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 22 februari 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 08-326470-22 en 08-090481-22, 08-119563-22, tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag 1] 1987 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 25 november 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte, zijn raadsman, mr. D.L.A.M. Pluijmakers, en de advocaat van de benadeelde partij, mr. J.J.J Broekhuizen, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank heeft verdachte voor de verkrachting van zijn stiefdochter, de mishandeling van zijn ex-partner en het meermalen overtreden van een gedragsaanwijzing veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden met aftrek van het voorarrest.
Het hof zal het vonnis om proceseconomische redenen vernietigen en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Zaak met parketnummer 08-326470-22:
primair
hij in of omstreeks de periode van 29 november 2021 tot en met 1 december 2021 te [plaats 1] , althans in Nederland,
door geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door bedreiging met geweld en/of met één of meer andere feitelijkheden,
[benadeelde] (geboren op [geboortedag 2] 2005),
heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [benadeelde]
door
- het (tong)zoenen van [benadeelde] en/of
- het betasten en/of aanraken van de borst(en) van [benadeelde] en/of
- het likken en/of het betasten van de vagina van [benadeelde] en/of
- het brengen van zijn vinger(s) in de vagina van [benadeelde] en/of
- het brengen van zijn penis in de mond en/of vagina van [benadeelde] en/of
- ( hierbij) misbruik te maken van het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend (emotioneel en/of psychisch) overwicht op [benadeelde] , immers was [benadeelde] aan de zorg en/of waakzaamheid van hem, verdachte, toevertrouwd en/of was [benadeelde] onvoldoende in staat om weerstand aan verdachte te bieden en/of
- zich (telkens) binnen de huiselijke sfeer agressief en/of gewelddadig op te stellen en/of
- [benadeelde] de woorden toe te voegen: “niet tegen je moeder vertellen”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of
- ( hierdoor) een situatie te creëren waaraan [benadeelde] zich niet kon onttrekken en waarin [benadeelde] zich niet kon verzetten en/of (aldus) voor [benadeelde] een bedreigende situatie te creëren.
subsidiair
hij – als (toenmalig) partner van de moeder van [benadeelde] – in of omstreeks de periode van 29 november 2021 tot en met 1 december 2021 te [plaats 1] , althans in Nederland,
ontucht heeft gepleegd
met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige
[benadeelde] geboren op [geboortedag 2] 2005,
door
- [benadeelde] te (tong)zoenen en/of
- de borst(en) van [benadeelde] te betasten en/of
- de vagina van [benadeelde] te likken en/of te betasten en/of
- zijn vinger(s) in de vagina van [benadeelde] te brengen en/of
- zijn penis in de mond en/of vagina van [benadeelde] te brengen.
Zaak met parketnummer 08-119563-22 (gevoegd):
hij op of omstreeks 12 mei 2022 te [plaats 1]
opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 11 april 2022 gegeven door de officier van Justitie te Oost-Nederland, kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte, zich (onder meer) niet op mocht houden in een straal van 500 meter rondom de woning gelegen op/aan de [adres 2] ,
door zich in of nabij voornoemde woning te bevinden en/of zich op te houden.
Zaak met parketnummer 08-090481-22 (gevoegd):
1.
hij op of omstreeks 3 maart 2022 te [plaats 1] ,
opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 1 januari 2022 gegeven door de officier van justitie te Oost-Nederland kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte, zich dient te onthouden van contact met [slachtoffer] (geboren [geboortedag 3] 1981) door voornoemde [slachtoffer] een of meer berichten te sturen en/of door voornoemde [slachtoffer] te volgen, aan te spreken en/of te mishandelen;
2.
hij op of omstreeks 3 maart 2022 te [plaats 1] ,
[slachtoffer] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer] een of meerdere malen aan het haar te trekken, in/op/tegen het hoofd/gezicht te slaan/stompen en/of te trappen/schoppen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging primair tenlastegelegde verkrachting in de zaak met parketnummer 08-326470-22
Het standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de primair tenlastegelegde verkrachting.
Het standpunt verdediging
De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat sprake is geweest van dwang.
Het oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat op grond van de hierna opgenomen bewijsmiddelen het tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Bewijsmiddelen
In de hierna vermelde bewijsmiddelen wordt steeds verwezen naar bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd ORBC22001, gesloten en getekend op 30 december 2022 door [brigadier 1] (gecertificeerd zedenrechercheur) van politie Eenheid Oost-Nederland (verder ‘het politiedossier’ genoemd).
1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van aangiftevan 5 januari 2022, ondertekend door [brigadier 2] van politie Eenheid Oost-Nederland en [brigadier 3] van politie Eenheid Oost-Nederland, (pagina 1 tot en met 9 van het politiedossier), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als
verklaring van aangeefster [slachtoffer]:
Feit : verkrachting
Plaats delict : [adres 2]
Pleegdatum/tijd : Tussen dinsdag 30 november 2021 om 20:00 uur en
woensdag 1 december 2021 om 23:00 uur
Aangever
Achternaam : [slachtoffer]
Voornamen : [slachtoffer]
V: Tegen wie doe je aangifte?
A: Tegen [verdachte]
V: Waarvan doe je aangifte?
A: Dat hij mijn dochtertje [benadeelde] heeft verkracht.

Thuissituatie

V: Nou begreep ik gisteren van [benadeelde] dat zij sinds oktober vorig jaar weer bij jou is komen wonen? Vertel eens hoe dat zit?
A: Toen ik haar zag kwam zij huilend op mij af en gaf aan dat zij graag bij mij wilde wonen. Ik heb toen met de instanties overleg gehad en uiteindelijk is besloten dat zij bij mij mag komen wonen.
V: Waar woonde zij?
A: Bij haar tante.
V: Hoe kwam het zo dat zij bij haar tante woonde?
A: Zij woonde bij haar vader. Dat wilde zij graag. Het ging echter niet goed bij haar vader. Ik had al een relatie met [verdachte] en [benadeelde] had een keer een ruzie tussen mij en [verdachte] meegemaakt. Dat was de reden dat zij niet bij mij wilde wonen en om die reden ging zij dus bij haar tante wonen.

[verdachte]V: Wat gebruikte [verdachte] ?A: Wat ik weet is dat hij een tijdje 3 MMC gebruikte.

V: Wat was het effect?
A: Als je iets te veel nam, viel je in een roes en je raakt er opgewonden van. Je kunt dan de hele nacht wel seks hebben. Alles draait daar dan om.

IncidentO: je vertelde dat je aangifte doet namens je 16 jaar oude dochter [benadeelde] . Dat je aangifte doet van het feit dat zij verkracht is.

V: Vertel eens hoe jij gehoord hebt over wat er gebeurd was tussen [benadeelde] en [verdachte] ?
A: Dat was op 1 januari 2022.
V: Vertel eens vanaf het begin hoe jij dat precies hoorde en wat daaraan vooraf ging.
A: Op Oudejaarsavond was [verdachte] er gewoon. (…) Ik zei hem: ‘Je moet nu vertrekken’.
Ik weet nog heel goed, ik zat op de poef en [benadeelde] zat links van mij. [naam 1] , een vriendin van [benadeelde] , zat tegenover [benadeelde] en ik hoorde [naam 1] tegen [benadeelde] zeggen: ‘Nu moet je het mama vertellen.’
[benadeelde] zei mij: ‘Toen je in het ziekenhuis zat heeft [verdachte] aan mij gezeten.’
Ik hoorde haar toen zeggen: ‘Na het drinken had zij zich heel naar haar gevoeld. Zij vertelde dat zij zich heel raar en geil begon te voelen en dat [verdachte] haar opeens aan het betasten was bij haar borsten en vagina. En dat ze op een gegeven moment naar haar slaapkamer zijn gegaan en dat zij daar seks hebben gehad.
V: En toen?
O: Aangeefster begint te huilen.
A: Omdat ik haar niet heb kunnen beschermen omdat ik in het ziekenhuis lag. [verdachte] was er bij toen [benadeelde] ons begon te vertellen over wat er allemaal was gebeurd met [naam 2] , dat is de jongen die misbruik van haar heeft gemaakt, een soort van loverboy.
Ik ben op 28 of 29 november naar het ziekenhuis in [plaats 1] gegaan vanwege een zware nierbekkenontsteking.
Het moet in de nacht 30 november op 1 december 2021 zijn gebeurd.
V: Waarom moet het in die nacht zijn gebeurd?
A: [benadeelde] vertelde dat het gebeurd was in de nacht, voordat ik naar huis kwam.
V: Ik wil nog even terug naar dat gesprek dat [benadeelde] vertelde dat [verdachte] seks met haar had gehad. Heeft zij ook verteld op welke manier zij seks met hem heeft gehad.
A: Ja ze vertelde dat hij boven op haar lag. Meer heb ik haar ook niet gevraagd, ik merk dat zij zich schuldig voelt.
V: Vertelde zij ook over wat voor stemmetjes het zijn?
A: Ja, omdat [verdachte] zei dat het haar schuld was, maar ik denk dat het er ook mee te maken heeft dat [verdachte] tegen haar zei dat als zij het aan mij zou vertellen dat ik haar dan uit huis zou zetten en dat soort van dingen.
V: Je geeft aan dat [benadeelde] bang is. Waar is zij bang voor?
A: Voor [verdachte] .
V: Want?
A: Zij is bang, omdat hij haar dit heeft aangedaan en hij de ruiten heeft ingegooid. Ik denk ook dat zij bang is voor [verdachte] door het verleden door eerdere ruzies met geweld door [verdachte] . Ik denk ook dat zij bang is dat ik haar op straat zet, omdat [verdachte] dat tegen haar gezegd heeft, dat dat zou gebeuren als zij mij zou vertellen wat er gebeurd was.
V: Wat heeft [benadeelde] meegemaakt m.b.t. de ruzies met [verdachte] ?
A: Ruzies, maar vooral weet zij dat ik door hem mishandeld ben. Ik bedenk mij nu dat er nog een akkefietje is geweest. [verdachte] zei toen dat hij dreigde met de auto het huis in te rijden. Daarna gebeurd het dat [verdachte] heel hard kwam aanrijden, de tuin inreed en dan op het laatste moment de auto voor het huis parkeerde.
V: Was [benadeelde] daar bij?
A: Ja daar was [benadeelde] bij.
V: Hoe weet [benadeelde] dat je door [verdachte] mishandeld bent?
A: Ze is er één keer bij geweest, maar dat is jaren geleden geweest en ik denk via familieleden. Het is algemeen bekend.
V: Wat voor meisje is [benadeelde] ?
A: Het is niet zo bedoeld, maar een meisje dat best wel veel problemen heeft meegemaakt en ook best wel veel problemen heeft veroorzaakt. Ze kan moeilijk haar gevoel uiten en ze snijdt zichzelf wel eens.

StiefvaderV: Toen jij in het ziekenhuis lag, aan wie heb je toen de zorg overgedragen en hoe ging dat?A: Aan [verdachte] .

V: Heb je nog met [verdachte] besproken wat je van hem verwachtte m.b.t. de zorg?
A: Ja dat ze netjes moest eten, dat hij toezicht moest houden op de slaapkamer en op tijd naar bed ging. Ik zei hem ook dat hij haar telefoon af en toe moest controleren. Op dit laatste reageerde hij door te zeggen dat hij dat niet zou doen, dat hem dat te ver ging.
V: Als jij er niet was, wie had dan de zorg over [benadeelde] , bijvoorbeeld die keer in het ziekenhuis?
A: Ik was er eigenlijk altijd wel, alleen die keer. Dan was het [verdachte] .
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van verhoor aangevervan 3 februari 2022, ondertekend door [brigadier 3] van politie Eenheid Oost-Nederland, (pagina 12 van het politiedossier), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als
verklaring van aangeefster [slachtoffer]:
O: Ik leg uit dat [benadeelde] kwetsbaar is, door wat ze heeft meegemaakt vroeger en door haar sociaal-emotionele achterstand.
A: Ja dat klopt. Daarom vind ik het zo erg wat [verdachte] heeft gedaan. Hij wist ook wat er was gebeurd, ook met [naam 2] en dergelijke en dat ze kwetsbaar is daar in.
3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van verhoor getuigevan 23 februari 2022
,ondertekend door [brigadier 3] van politie Eenheid Oost-Nederland, (pagina 12 van het politiedossier), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als
verklaring van getuige [benadeelde]:
Op dinsdag 22 februari 2022 verhoorde ik, in persoon, de getuige:
Voornamen: [benadeelde]
Achternaam: [benadeelde]
Geboortedatum: [geboortedag 2] 2005
VerhoorregistratieHet verhoor werd audiovisueel geregistreerd.

Verklaring getuigeIk weet nog wel dat [verdachte] mij drugs gaf en zei dat ik daardoor goed kon slapen. Dat [verdachte] seks met mij heeft gehad en dat hij zei dat ik het niet tegen mama mocht vertellen.Bank woonkamerV: Je vertelde de vorige keer dat je met [verdachte] in de woonkamer zat.

A: De eerste nacht dat mama in het ziekenhuis lag is er niets gebeurd. Toen was het doodnormaal en de tweede nacht was er dus wat gebeurd.
V: Hoe is dat de tweede nacht dan begonnen?
A: Dat was tegen een uur of 21:00 uur of 22:00 uur. Ik mocht een paar hijsjes wiet van [verdachte] . Toen heeft hij het 3MMC gegeven. Ik deed dat spul in mijn drinken, omdat [verdachte] zei dat het vies was. We hadden nog een half zakje over. Later hebben we de andere helft van het zakje drugs opgemaakt. [verdachte] had de TV aangezet. Ik keek op mijn telefoon filmpjes, Netflix. Toen stond [verdachte] op en deed alle lichten uit. Ik dacht we gaan film kijken. [verdachte] zei dat ik mijn broek uit moest doen. Ik deed dat ook. Ik weet niet waarom, misschien onder invloed van drugs. [verdachte] deed mijn onderbroek uit en vingerde mij.
V: Wat deed hij dan?
A: Hij deed zijn vingers in mijn geslachtsdeel.
V: Waar in je geslachtsdeel?
A: in het spleetje en in het gaatje van mijn geslachtsdeel.
Toen heeft hij met mij seks gehad op de bank.
V: Wat deed hij dan?
A: Hij ging met zijn geslachtsdeel in mijn geslachtsdeel. Ik had niet echt de kans dat ik weg kon gaan. Daarna ging hij naar de keuken om iets te doen. Ik weet niet meer wat, omdat ik verstijfd was. Toen kwam [verdachte] weer terug. Ik weet niet meer of er beneden nog iets is gebeurd of dat hij zei dat ik naar boven moest gaan.
V: Wat is er boven gebeurd dan?
A: [verdachte] zei dat ik naar boven moest gaan. Ik ging alleen naar boven. Toen moest ik naar het bed van [verdachte] en mama. Hij zei toen dat hij zou komen. Dat duurde even. Ik dacht dat bij hem toen het besef zou komen dat hij verkeerd bezig was. [verdachte] kwam naar boven met twee brandende sigaretten. Ik was eerst bang dat hij die op mij uit zou drukken. [verdachte] gaf er één aan mij om op te roken. Daarna begon hij weer met seks met mij. [verdachte] geslacht ging weer in mijn geslacht. Dat ging een hele tijd door. Ik had toen niet meer het besef hoe laat het was. Daarna ging hij weer naar beneden. Ik ging toen naar mijn eigen bed. Ik dacht: Nu komt bij hem misschien het besef dat het niet goed was. In mijn kamer heeft hij toen weer seks met mij gehad.
[verdachte] zei dat ik moest gaan slapen omdat mijn pupillen drie keer zo groot waren. Mijn pupillen waren zo groot door de drugs.
V: En daarna?
A: De volgende morgen riep [verdachte] mij. Toen ben ik naar hem toe gegaan. Ik hoorde hem uit bed stappen en dacht toen het is menens laat ik toch maar gaan. [verdachte] zei toen dat ik hem moest pijpen. Dat heb ik gedaan.
V: Wat moest je doen?
A: Met mijn mond om zijn geslachtsdeel heen.
En daarna had hij weer seks met mij.
Dat was de laatste keer van die ochtend. Toen [verdachte] bij mama was geweest, ging ik op de bank slapen, omdat ik moe was. Tussen 11:00 en 12:00 moest ik naar boven om mijn kamer op te ruimen. Dat zei hij om mij naar boven te lokken. Toen heeft hij op mijn kamer seks gehad met mij.

BenedenV: Je vertelde dat [verdachte] zei dat je je broek uit moest doen in de woonkamer en dat hij later zelf je onderbroek had uitgedaan Wat had je toen nog aan?A: Mijn shirt en beha.

V: Hoe was het met zijn kleren?
A: Hij was toen al in zijn onderbroek en shirt. Dat is normaal, want zo loopt hij vaker rond in huis.
V: Toen hij jou ging vingeren, zei hij toen ook wat?
A: Nee, ik verstijfde helemaal op dat moment.
V: Wat vond je er van dat hij dat deed?
A: Niet fijn.
V: Wat voelde je?
A: Mijn lichaam was geil door de drugs, maar mijn gedachten waren dat niet.
V: Wat merkte je aan je lijf dat je geil was?
A: Mijn lichaam vond het fijn, maar mijn hoofd zei: dit klopt niet.
V: Dan heeft hij seks met jou, waar blijft zijn onderbroek?
A: Volgens mij had hij die zelf uit gedaan. Dat denk ik, want ik heb hem niet uitgetrokken.
V: Wat waren jullie houdingen toen [verdachte] seks met je had op de bank?
A: Ik zat en [verdachte] deed mijn benen naar boven. Volgens mij stond hij daarbij, maar daar heb ik niet echt op gelet.
V: Hoe lang duurde dat, dat hij met zijn geslachtsdeel in jouw geslachtsdeel zat?
A: Niet zo lang, ongeveer een kwartiertje denk ik.

BovenV: Welke dingen zijn er boven op seksueel gebied gebeurd met [verdachte] ?A: Seks, met zijn penis in mijn vagina. En de volgende morgen pijpen.

V: Als ik het net goed heb begrepen is er boven, die avond één keer seks geweest in het bed van mama en [verdachte] .
A: Ja, dat klopt.
V: Hoe was jullie houding toen?
A: Ik lag onder met mijn benen omhoog. [verdachte] duwde mijn benen omhoog. [verdachte] zat met zijn knieën op bed.
V: Hoe lang duurde dat?
A: Ik denk een half uur à drie kwartier.
V: Wat merkte je, hoorde je of zag je aan [verdachte] toen hij seks met je had?
A: Ik was meer op mezelf gefocust dan op hem. Ik dacht: dit hoort niet. Ik was in mijn hoofd bezig, maar niet met hem.
V: Je vertelde over het vingeren, dat je lijf geil was, maar je gedachtes niet. Hoe was dat met de seks?
A: Hetzelfde.
V: Welke dingen zijn er in het bed van mama nog meer gebeurd, die keer? Als in knuffelen, tongzoenen, aanraken borsten, penis of vagina?
A: Tongzoenen alleen. Voor de rest niet.
V: Wie zoende wie?
A: [verdachte] zoende mij.
V: En hoe reageerde jij?
A: Ik zoende wel terug.
V: Kun je uitleggen hoe dit komt?
A: Ja, mijn lichaam was geil, dus ik zoende terug.
V: Je vertelde dat je de volgende dag dat je naar hem toe ging en hij vroeg je toen om hem te pijpen. Dat je ook gedaan.
Wat waren jullie houdingen toen je hem pijpte?
A: Ik lag schuin op mijn buik en hij lag op zijn rug op hun bed.
V: Wat moest je doen met pijpen?
A: Met mijn mond aan zijn geslacht en dan met mijn hoofd naar boven en onder, met zijn geslacht in mijn mond.
V: En kwam het toen zo dat jullie weer seks hadden?
A: Hij stond op en toen duwde hij mij op mijn rug en toen deed hij benen omhoog en toen deed hij zijn geslachtsdeel in mijn geslachtsdeel.
V: Hoe komt het dat je die keer hem hebt gepijpt en seks met hem had?
A: Hij vroeg of ik hem wilde pijpen en hij duwde mij op mijn rug om seks te hebben. De drugs was nog niet uitgewerkt en daarom was ik nog geil.
V: Die dag heb je nog een keer seks gehad in jouw kamer, toen je je kamer op moest ruimen.
A: Ook weer op dezelfde manier, dus hij deed mijn benen omhoog en ging met zijn geslachtsdeel in mijn geslachtsdeel.
V: Op welke plekken van je lijf heeft hij je aangeraakt?
A: Tieten, kont en geslacht.
V: En op welke plekken heb je hem aangeraakt?
A: Alleen met pijpen, zijn geslacht.

Niets zeggen?V: Waarom ging je het niet tegen je moeder vertellen, wat er aan de gang was?Kun je dat uitleggen aan mij?A: Dat is moeilijk om te vertellen. Ik was bang dat mijn moeder boos op mij zou zijn en mij het huis uit zou ‘schoppen’. Dus daarom vond ik het moeilijk om aan haar te vertellen.V: Bij ons vertelde je dat [verdachte] dat tegen je zei: dat mama boos zou worden en je op straat zou zetten. Klopt dat dan of zat het in je hoofd alleen?A: [verdachte] zei dit tegen mij, dat mama boos zou worden en me op straat zou schoppen.

GevoelensV: Wat vond je van [verdachte] ?A: Ik zag hem als normale stiefvader.

V: Even een lastige vraag: Wat vond je van de seks met [verdachte] ?
A: Niet fijn.
V: Wat kon hij daar van merken?
A: Niets. Dat kun je niet aan me zien. Ik kan heel goed mijn emoties verbergen.
V: Hoe komt dat?
A: Omdat ik dat vroeger altijd deed. Ik was depressief, maar dat konden mensen aan de buitenkant niet zien. Ik zette altijd een lach op.
V: Je zegt dat je je emoties verborg. Welke emoties had je dan?
A: Dan was ik boos, dat hij dat deed terwijl ik dat niet wilde. Ook was ik geschrokken, dat hij seks met mij had.
4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van verhoor getuigevan 12 januari 2022, ondertekend door [brigadier 2] en [brigadier 3] , beiden brigadier (gecertificeerd zedenrechercheur) van politie Eenheid Oost-Nederland, (pagina … van het politiedossier), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als
verklaring van getuige [getuige 1]:[benadeelde]V: Hoe zit het gezin van [benadeelde] in elkaar?
A: Moeder, [verdachte] en [benadeelde] . Dat was toen.
V: Wat vond je van hoe het ging bij [benadeelde] thuis?
A: Ellendig. Die stiefvader [verdachte] is heel druk en schreeuwerig. [slachtoffer] is heel vaak moe en [benadeelde] wilde liever weg, dan dat zij thuis was, als [verdachte] er was. Als [verdachte] er niet is dan is zij het liefst bij haar moeder thuis. Ze was bang voor [verdachte] .
V: Waarom was ze bang voor [verdachte] ?
A: Omdat hij schreeuwde denk ik. Hij heeft een keer haar moeder geslagen wat ik weet.
Ik had het idee dat zowel [slachtoffer] als [benadeelde] beiden heel bang waren voor [verdachte] .
De bang tussen [benadeelde] en [slachtoffer] is heel goed. [benadeelde] durfde niet goed te zeggen wat er aan de hand was. Dit kwam omdat zij heel erg bang was dat zij daardoor uit huis geplaatst zou worden.
IncidentV: Wat bedoel je met “ [benadeelde] durfde niet goed te zeggen wat er aan de hand was”
A: Over dat zij verkracht was door de stiefvader.
V: Wanneer heb je daar voor het eerst wat over gehoord?
A: 4 december.
[benadeelde] was bang dat zij uit huis werd gezet en ook omdat haar moeder elke keer gedoe had met [verdachte] . Dat er ruzie was met [verdachte] .
V: Hoe weet jij dat [benadeelde] bang was om uit huis gezet te worden?
A: Dat vertelde zij mij. Ik wist dat zij mocht proberen te wonen bij haar moeder thuis.
V: Je vertelde over dat er ruzie thuis was met [verdachte] . Wat heb je daar zelf van gezien of gehoord?
A: Dat was met Oud en Nieuw.
V: Hoe wist je dat de moeder gedoe had met [verdachte] ?
A: Dat hoorde ik van [benadeelde] .
V: Ik vroeg je wanneer je van [benadeelde] had gehoord wat er gebeurd was met [verdachte] en toen zei je 4 december. Hoe komt het dat je die datum nog uit je hoofd weet?
A: 4 december is de datum dat [benadeelde] mij, via de app, vertelde dat zij door [verdachte] was betast en verkracht.
V: Vertel eens over hoe dat ging met Oud en Nieuw?
A: Toen de politie weg was gingen wij met ons drieën aan tafel zitten. [slachtoffer] was overstuur. Ik zie tegen [benadeelde] : ‘Nu kun je het zeggen, want hij is nu toch weg.’ Toen heeft [benadeelde] gezegd van: ‘Toen jij in het ziekenhuis was, heeft [verdachte] mij aangeraakt. [slachtoffer] raakte helemaal overstuur en huilde en vroeg wat er precies was gebeurd en toen vertelde [benadeelde] dat [verdachte] haar had geneukt.
V: Heeft [benadeelde] jou verteld wat er precies was gebeurd tussen haar en [verdachte] ?
A: Via de app heeft zij uitgelegd dat zij op de bank waren, dat ze naar boven gingen en dat zij geen ‘stop’ durfde te zeggen.
V: Vertelde [benadeelde] ook waarom zij geen ‘stop’ durfde te zeggen?
A: Omdat zij bang is voor [verdachte] .
V: Waar was zij bang voor met betrekking tot [verdachte] ?
A: Dat hij iets bij haar zou flikken. Slaan of zo.
V: [benadeelde] vertelde over dat zij betast werd. Weet je ook waar zij betast werd?
A: Ja aan haar tieten en zij vertelde dat hij ook naar beneden ging.
V: Wat bedoelde zij daarmee, met ‘naar beneden’?
A: Haar vagina. Ik weet dat zij naar boven zijn gegaan.
V: Wat vertelde zij over het neuken?
A: Zij lag onder en hij boven. Op haar slaapkamer. Toen hij klaar was, zei hij tegen haar: ‘Niet tegen je moeder zeggen’, en toen is hij weg gegaan.
5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van verhoor verdachtevan 8 december 2022, ondertekend door [brigadier 1] (gecertificeerd zedenrechercheur) van politie Eenheid Oost-Gelderland en [hoofdagent 1] (gecertificeerd zedenrechercheur) van politie Eenheid Oost-Gelderland, (pagina 74 e.v. van het politiedossier), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als
verklaring van [verdachte]:

MiddelengebruikV: Welke drugs gebruik je?A: Ik gebruikte in die tijd 3MMC.

V: Hoeveel gebruikte je?
A: Ik zat op anderhalf of 2 gram.

V: Wat doet het gebruik van drugs met je?

[benadeelde]

V: Hoe oud was [benadeelde] toen jij en [slachtoffer] elkaar leerden kennen?
A: Een jaar of 11.
V: Waar woonde [benadeelde] toen?
A: [benadeelde] woonde bij haar vader en oma in, maar ze kwam wel heel veel bij haar moeder. Ze woonden dicht bij elkaar.
V: Op welke plekken heeft [benadeelde] gewoond tijdens jouw relatie met [slachtoffer] ?
A: In eerste instantie bij haar oma en vader, toen is ze met ons meegegaan. Met dat huiselijk geweld is ze bij haar tante gaan wonen. De afgelopen jaren heeft ze daar gewoond. Wij hebben nooit beter geweten dat het altijd goed ging. We kregen een bericht van [benadeelde] dat zij in [plaats 2] was. Toen gooide [benadeelde] alles eruit wat er aan de hand was. [benadeelde] was met dingen bezig wat een meisje op die leeftijd niet hoort te doen. [slachtoffer] wilde dat zij mee ging naar huis. Wij hebben toen hulp gehad voor [benadeelde] .
V: Van wie kregen jullie toen hulp?
A: We kregen twee keer in de week hulp thuis voor [benadeelde] . Alles draaide om [benadeelde] op dat moment. Ze had ook wel wat meegemaakt. Er kwamen meer problemen bij kijken als wij verwacht hadden. Wij kwamen er ook achter dat zij zichzelf kraste. Ze had wel heel veel problemen zeg maar. Ze was al veel verder dan eigenlijk moest. Ik heb haar wel gezien als mijn eigen dochter.
V: Wat voor meisje is [benadeelde] ?
A: Probleemgeval.
V: Hoe noemde [benadeelde] jou?
A: Gewoon [verdachte] . Ik heb wel een keer een gesprek met haar gehad waarin zij aangaf dat ze mij als haar tweede vader zag.

SeksualiteitV: Gebruikten jullie iets bij of voor de seks?A: Met [slachtoffer] wel eens drugs gebruikt, 3 MMC. Wij gebruikten dat dan samen. Het was op een leuke manier dat wij dat namen.

V: [slachtoffer] vertelde dat jullie dan 3MMC gebruikten. Wat was het effect daar van?
A: Klopt. 3MMC is hoe jij je op dat moment voelt. Dat gevoel wordt dan versterkt bijvoorbeeld op erotisch gebied.

Aangifte

V: Wat gebeurde er?A: Ik zie haar op dat moment als vrouw. Het is verleidend als een vrouw zo voor je staat. Dan weet je als man zijnde dat de vrouw ook ergens op uit is. Zo ervaarde ik dat tenminste wel. Ik begon haar te zoenen op haar buik en toen wat lager. Zij ging op de bank liggen met haar benen wijd en zo is het verder gegaan.

V: En toen?
A: Zijn we verder gegaan. Zoenen, daar beneden zoenen.
V: Wat bedoel je dan?
A: Tussen haar benen, schaamstreek.
V: En verder?
A: Volgens mij zijn we toen naar boven gegaan en hebben we seks gehad.
V: Op welke kamer hadden jullie seks?
A: In haar kamer en de kamer van mij en [slachtoffer] .
V: Wat bedoel je met seks, wat hebben jullie precies gedaan?
A: Volgens mij alles erop en eraan. Orale seks. Seks met een paar standjes.
V: Wat is voor jou het hebben van seks?
A: Met mijn geslachtsdeel in haar vagina.
V: Hoe lang heeft het geduurd?
A: Volgens mij de hele nacht.
6.
De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 8 februari 2024, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:“We hadden volledige seks, ik ben klaargekomen, zonder voorbehoedsmiddelen. We zijn na die eerste keer samen naar boven gegaan en toen is er nog een keer seks geweest op de kamer die ik normaal met [slachtoffer] deel. Volgens mij hebben we toen weer volledige seks gehad. We hebben toen ook gebeft, gepijpt en getongzoend.”

Bewijsoverweging ‘dwang door andere feitelijkheden’

Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen staat vast dat tussen verdachte en aangeefster seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Daarbij gaat het om de seksuele handelingen zoals die in de tenlastelegging zijn omschreven.
De vraag die het hof moet beantwoorden is of het handelen van de verdachte is aan te merken als verkrachting in de zin van artikel 242 (oud) van het Wetboek van Strafrecht. Daarvoor is onder meer vereist dat aangeefster door de verdachte tot seks is gedwongen. Verdachte heeft dit ontkend: er was volgens hem sprake van vrijwilligheid en er is geen geweld gebruikt.
Voor een bewezenverklaring van dwang in de zin van verkrachting is vereist dat komt vast te staan dat verdachte opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer seksuele handelingen tegen de (kenbare) wil ondergaat. Bewezen dient te worden dat de seksuele handelingen voor het slachtoffer niet of nauwelijks te vermijden zijn geweest. Hiervoor is enige vorm van verzet nodig of ten minste een bij het slachtoffer bestaande handelingsonvrijheid die de afwezigheid van verzet verklaart. Die handelingsonvrijheid kan voortkomen uit geweld, een bedreigende sfeer of een andere omstandigheid. Bovendien moet kunnen worden bewezen dat de verdachte opzet heeft gehad op het dwingen.
Uit het dossier blijkt niet dat verdachte aangeefster door geweld of bedreiging met geweld heeft gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen. Het komt daarom aan op de vraag of de verdachte aangeefster opzettelijk door een (andere) feitelijkheid heeft gedwongen tot het ondergaan van de tenlastegelegde seksuele handelingen.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan sprake zijn van door een feitelijkheid dwingen als de verdachte opzettelijk een zodanige psychische druk heeft uitgeoefend of het slachtoffer in een zodanige afhankelijkheidssituatie heeft gebracht dat het slachtoffer zich daardoor naar redelijke verwachting niet tegen die handelingen heeft kunnen verzetten. Daarvan kan ook sprake zijn als de verdachte het slachtoffer heeft gebracht in een zodanige door hem veroorzaakte (bedreigende) situatie dat het slachtoffer zich naar redelijke verwachting niet aan die handelingen heeft kunnen onttrekken. Of die dwang zich heeft voorgedaan, laat zich niet in zijn algemeenheid beantwoorden, maar hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Uit de jurisprudentie volgt daarnaast dat onder een feitelijkheid ook misbruik van autoriteit in samenhang met leeftijdsverschil kan vallen en dat het creëren van een afhankelijkheidssituatie hierbij van belang kan zijn. Tot slot geldt dat voor het bewijs van de in de tenlastegelegde periode uitgeoefende dwang mede redengevend kunnen zijn feitelijkheden die hebben plaatsgevonden voorafgaand aan die periode.
Het hof acht de tenlastegelegde dwang bewezen. Zoals hiervoor al is overwogen, is er weliswaar geen sprake geweest van (bedreiging met) geweld, maar uit het dossier blijkt wel van andere feitelijkheden waardoor er bij [benadeelde] sprake was van handelingsonvrijheid. Verdachte heeft [benadeelde] in een situatie gebracht waarin zij zich naar redelijke verwachting niet aan de tenlastegelegde handelingen heeft kunnen onttrekken. Het hof acht daarbij de volgende feitelijkheden van belang:
Verdachte was de stiefvader van [benadeelde] en zij was in die periode voor het eerst alleen thuis met hem, omdat haar moeder was opgenomen in het ziekenhuis. Haar moeder had [benadeelde] aan de zorg van verdachte toevertrouwd. Hierdoor bevond [benadeelde] zich in een afhankelijkheidsverhouding tot verdachte. Verdachte was op de hoogte van het (ook op seksueel vlak) belaste verleden van [benadeelde] . Hij wist dus dat hij te maken had met een kwetsbaar, minderjarig meisje, dat bovendien aan zijn zorg was toevertrouwd. [benadeelde] was bang voor verdachte, omdat zij wist en zelfs getuige was geweest van agressie en het gebruik van geweld door haar stiefvader. Daar komt nog bij dat verdachte aan [benadeelde] 3MMC heeft gegeven, drugs waarvan verdachte wist dat dit middel een seksueel stimulerende werking kan hebben. [benadeelde] heeft deze 3MMC vervolgens ook gebruikt en werd daar (lichamelijk) opgewonden van.
Door deze combinatie van feiten heeft verdachte [benadeelde] in een situatie gebracht, waarin zij - naar redelijke verwachting - niet de vrijheid heeft gevoeld de seksuele handelingen te weigeren of zich daaraan te onttrekken.
Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde verkrachting.
Betrouwbaarheid verklaringen [benadeelde] van 4 januari 2022 en 22 februari 2022
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [benadeelde] , die zij ten overstaan van de politie heeft afgelegd op 4 januari 2022 en 22 februari 2022, van het bewijs moeten worden uitgesloten, omdat deze verklaringen, in ieder geval over het element dat de seks tegen haar wil zou hebben plaatsgevonden, niet juist blijken te zijn.
Het hof zal beoordelen of de verklaringen van [benadeelde] betrouwbaar zijn en voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Daarbij merkt het hof op dat het enkele feit dat in verklaringen op punten tegenstrijdigheden voorkomen, deze verklaringen op zichzelf nog niet onbetrouwbaar maakt. Dat kan immers te wijten zijn aan de feilbaarheid van het menselijk geheugen, teweeggebracht onder invloed van emoties, ontstaan door het delict of tijdsverloop. Het gaat om de totale indruk die verklaringen maken en ook om de wijze waarop zij zijn afgelegd. Daarbij moet ook nog worden opgemerkt dat een als onbetrouwbaar beoordeelde verklaring niet betekent dat de getuige als onbetrouwbaar beschouwd moet worden of dat aangenomen wordt dat zij bewust onjuist zou hebben verklaard.
Het hof zal de eerste verklaring van [benadeelde] , die zij op 4 januari 2022 bij de politie heeft afgelegd, niet voor van het bewijs gebruiken, omdat [benadeelde] zelf heeft aangegeven dat deze verklaring, voor wat betreft het drugsgebruik, onwaarheden bevat.
Daarentegen is het hof van oordeel dat de tweede verklaring van [benadeelde] , afgelegd op 22 februari 2022, betrouwbaar is en voor het bewijs kan worden gebruikt. [benadeelde] heeft daarin immers gedetailleerd en op essentiële punten consistent verklaard. Ook is die verklaring van [benadeelde] vrijwel identiek aan de verklaring van de verdachte. Daarnaast wordt de verklaring van [benadeelde] , op de punten die het hof van doorslaggevende betekenis heeft geacht voor het bewijs van dwang, niet alleen ondersteund door de verklaring van verdachte zelf, maar ook door de verklaringen van getuigen [slachtoffer] en [getuige 1] .
Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat de verklaring van [benadeelde] van 22 februari 2022 betrouwbaar is. Het hof zal deze verklaring daarom gebruiken voor het bewijs.
Betrouwbaarheid verklaring getuigen [slachtoffer] en [getuige 1]
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van [slachtoffer] van 5 januari 2022 en [getuige 1] van 12 januari 2022 moet worden uitgesloten van het bewijs, nu de inhoud van die verklaringen gebaseerd is op onjuiste mededelingen van [benadeelde] .
Het hof constateert dat de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige 1] inderdaad mede berusten op de verklaring van [benadeelde] van 4 januari 2022, ook op het punt dat verdachte haar gedrogeerd zou hebben. Gelet op wat het hof hiervoor heeft overwogen over wat [benadeelde] op 4 januari 2022 heeft verklaard over het drugsgebruik, zal het hof deze verklaringen op dat punt niet voor het bewijs gebruiken. Voor het overige vinden de verklaringen van de getuigen steun in zowel de verklaring van verdachte zelf, als in de verklaring van [benadeelde] op de punten die het hof van doorslaggevende betekenis heeft geacht voor het bewijs van dwang. Het hof heeft daarom geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van deze getuigen. De getuigenverklaringen van [slachtoffer] en [getuige 1] worden daarom als steunbewijs gebruikt.
Het verzoek tot het alsnog horen van [benadeelde]
Het hof heeft geconstateerd dat de raadsman in de pleitnota onder punt 14 heeft opgenomen dat de verdediging persisteert bij het verzoek tot het horen van [benadeelde] als getuige. De raadsman heeft dit punt niet uitdrukkelijk ter terechtzitting voorgedragen. Het verzoek is dus ook niet expliciet gedaan. Voor zover de raadsman toch bedoeld heeft dit verzoek te doen, is het hof van oordeel dat het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting of in een andere setting in gevaar wordt gebracht. Het voorkomen van dit gevaar weegt zwaarder dan het belang om de getuige ter terechtzitting of in een andere setting te kunnen ondervragen. Het hof zal dit (eventuele) verzoek dan ook afwijzen.
Voldoet procedure als geheel aan recht op een eerlijk proces ex artikel 6 EVRM?
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de procedure in haar geheel niet voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces als het hof de verklaringen van [benadeelde] voor het bewijs gebruikt, terwijl zij niet door de verdediging is gehoord.
In het kader van het door artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces, heeft de verdediging in beginsel het recht om belastende getuigen te ondervragen. De Hoge Raad heeft bepaald dat, als geen ondervraging door de verdediging heeft plaatsgevonden, de rechter, voordat hij einduitspraak doet, moet nagaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Zo nodig zal hij hetzij ambtshalve alsnog overgaan tot het oproepen en het horen van een getuige, hetzij bij zijn beslissing over de bewezenverklaring onder ogen moeten zien of er, en zo ja welke, gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om de relevante getuige in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen.
Deze wijze van beoordeling sluit aan bij de drie stappen die in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) deel uitmaken van de beoordeling of, in gevallen waarin de verdediging niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen, het proces als geheel eerlijk is verlopen. Van belang hierbij zijn (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van die getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijk onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Deze beoordelingsfactoren moeten daarbij in onderling verband worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring groter is, is het – wil de verklaring voor het bewijs worden gebruikt – des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan. Dit betekent dat met name in gevallen waarin niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen zonder dat die in beslissende mate zal steunen op de verklaring van de getuige, terwijl de verdediging het nodige initiatief heeft getoond om het ondervragingsrecht te kunnen uitoefenen en een goede reden ontbreekt om de getuige niet te horen, de rechter (alsnog) zal moeten overgaan tot het oproepen en horen van die getuige, althans nog zal moeten doen wat redelijkerwijs mogelijk is om de verdediging de gelegenheid te bieden tot uitoefening van het ondervragingsrecht.
Als de uitoefening van het ondervragingsrecht niet wordt gerealiseerd, moet de rechter onderzoeken of voldoende compenserende factoren hebben bestaan voor de door de verdediging ondervonden beperkingen bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige, waarmee ook de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing wordt gewaarborgd. Als de rechter oordeelt dat (vooralsnog) onvoldoende compenserende factoren hebben bestaan, onderzoekt hij of daartoe alsnog stappen kunnen worden gezet. Het gaat er daarbij in de kern om dat de rechter de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige zorgvuldig onderzoekt, een en ander in samenhang met het overige bewijsmateriaal en in het licht van de betwisting door de verdachte van die verklaring.
( i)
De reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend
Het verzoek van de verdediging om aangeefster [benadeelde] als getuige te horen is toegewezen bij beslissing van de poortraadsheer van 1 augustus 2024. De raadsheer-commissaris heeft vervolgens op 13 februari 2025 besloten het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) opdracht te geven om een onderzoek te verrichten of [benadeelde] , zelfs in een studioverhoor, in staat is om het getuigenverhoor te ondergaan en welke gevolgen dit voor haar zou kunnen hebben.
Klinisch psycholoog dr. [naam 3] heeft in zijn rapportage geconcludeerd dat [benadeelde] , gelet op de gezondheidsrisico’s, op grond van artikel 288, eerste lid, sub b., van het Wetboek van Strafvordering niet als getuige kan worden gehoord, ook niet in een aangepaste verhoorsetting.
Het hof is daarom, met de raadsheer-commissaris, van oordeel dat het gegronde vermoeden aanwezig is dat de gezondheid en het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring, zowel ter terechtzitting als in een andere setting, in gevaar wordt gebracht. Het is van oordeel dat het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om de getuige ter terechtzitting of ten overstaan van de raadsheer-commissaris te kunnen ondervragen.
( ii)
Het gewicht van de verklaring van de getuige
In het voorgaande heeft het hof gemotiveerd weergegeven waarom zij de tweede verklaring van [benadeelde] wel betrouwbaar acht. Deze verklaring van [benadeelde] staat niet op zichzelf en wordt op essentiële punten ondersteund door de verklaringen van verdachte en de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige 1] . Dit leidt tot de conclusie dat de tweede verklaring van [benadeelde] niet het enige of doorslaggevende
(sole or decisive)bewijs is.
( iii)
Het bestaan van compenserende factoren
Uit het dossier blijkt dat [benadeelde] zowel in haar eerste verhoor op 4 januari 2022 als in het tweede verhoor op 22 februari 2022 is verhoord door gecertificeerde zedenrechercheurs en dat deze verhoren audiovisueel zijn geregistreerd, waardoor het verloop van de verhoren voor de verdediging controleerbaar is. Naar het oordeel van het hof is het ontbreken van de gelegenheid voor de verdediging om aangeefster zelf te ondervragen hierdoor in voldoende mate gecompenseerd.
( iv)
Conclusie
Het gebruik van de verklaring van [benadeelde] voor het bewijs is niet in strijd met het recht van verdachte op een eerlijk proces, omdat de procedure als geheel voldoet aan de eisen die daaraan moeten worden gesteld op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Bewijsoverweging in de zaak met parketnummer 08-119563-22

Het oordeel dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, berust op de inhoud van de hierna te noemen bewijsmiddelen. Hierin wordt verwezen naar een bijlage van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL0600-2022208522, gesloten en getekend op 18 mei 2022, door [hoofdagent 2] van politie Eenheid Oost-Nederland, (verder ‘het politiedossier’ genoemd).
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. De verdachte heeft het tenlastegelegde feit bekend. Om deze reden zal het hof met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met onderstaande opsomming van de bewijsmiddelen:
  • Het in de wettelijke vorm opgemaakte
  • Een geschrift, te weten de
  • De

Bewijsoverwegingen in de zaak met parketnummer 08-090481-22

Feit 1: Overtreding gedragsaanwijzing op 3 maart 2022

Het oordeel dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, berust op de inhoud van de hierna te noemen bewijsmiddelen, waarin wordt verwezen naar een bijlage van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL0600-2022157038, gesloten en getekend op 19 april 2022, door [brigadier 5] van politie Eenheid Oost-Nederland (verder ‘het politiedossier’ genoemd).
De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof. De verdachte heeft het tenlastegelegde feit bekend. Om deze reden zal het hof met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met onderstaande opsomming van de bewijsmiddelen:
  • Het in de wettelijke vorm opgemaakte
  • Een geschrift, te weten de
  • De

Feit 2: mishandeling van [slachtoffer]

Het oordeel dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, berust op de inhoud van de hierna te noemen bewijsmiddelen, waarin telkens wordt verwezen naar de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd PL0600-2022157038, gesloten en getekend op 19 april 2022, door [brigadier 5] van politie Eenheid Oost-Nederland (verder ‘het politiedossier’ genoemd).
Het in de wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van aangiftevan 3 maart 2022, met bijlagen, ondertekend door [brigadier 6] van politie Eenheid Oost-Nederland, (pagina 19 van het politiedossier), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als
verklaring van aangeefster [slachtoffer]:
Feit : Eenvoudige mishandeling
Plaats delict : [weg] ter hoogte van [nummer 1]
Pleegdatum/tijd : Tussen donderdag 3 maart 2022 om 15:30 uur en donderdag 3
maart 2022 om 15:41 uur
VerklaringOp donderdag 3 maart 2022 doe ik aangifte van mishandeling. Ik ben mishandeld door mijn ex-vriend genaamd [verdachte] .
Fysiek
Toen ik ter hoogte van [nummer 2] op de [weg] liep was [verdachte] nog steeds bij mij in de buurt. Net toen ik had gezegd dat ik zelf bepaalde met wie ik wat zou doen, haalde [verdachte] mij in. Vervolgens sloeg hij met een vuist tegen mijn gezicht. Zijn vuist raakte mij op mijn linkerwang/lip. Deze slag was met kracht en deed mij erg zeer.
Het in de wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van verhoor getuigevan 3 maart 2022, ondertekend door [hoofdagent 3] van politie Eenheid Oost-Nederland, (pagina 24 van het politiedossier), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende als
verklaring van [getuige 2]:
Achternaam : [getuige 2]
Voornamen : [getuige 2]
Adres : [adres 3]
Plaats : [plaats 1]

Verklaring getuigeOp donderdag 3 maart 2022 was ik aanwezig in mijn woning gelegen aan de [weg] te [plaats 1] . Omstreeks 15:25 uur diezelfde dag hoorde ik geschreeuw komen van de straat. Ik stond op en keek naar buiten en zag aan de overzijde van de straat twee mensen met elkaar vechten. 1 man en 1 vrouw. Dit was ter hoogte van perceel [nummer 1] . Ik zag dat de man een harde vuistslag gaf aan de vrouw. Ik zag dat de man dit met zijn rechterhand deed.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het volgens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 08-326470-22 en het in de zaak met parketnummer 08-119563-22 en het in de zaak met parketnummer 08-090481-22 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak met parketnummer 08-326470-22:
1.
hij in
of omstreeksde periode van 29 november 2021 tot en met 1 december 2021 te [plaats 1] ,
althans in Nederland, door
geweld en/of één of meerandere feitelijkheden
en/of door bedreiging met geweld en/of met één of meer andere feitelijkheden, [benadeelde] (geboren op [geboortedag 2] 2005), heeft gedwongen tot het ondergaan van
een of meerhandelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [benadeelde] door
- het (tong)zoenen van [benadeelde] en
/of
- het betasten en/of aanraken van de borst(en) van [benadeelde] en
/of
- het likken en
/ofhet betasten van de vagina van [benadeelde] en
/of
- het brengen van zijn vinger(s) in de vagina van [benadeelde] en
/of
- het brengen van zijn penis in de mond en/of vagina van [benadeelde] en
/of
-
(hierbij
)misbruik te maken van het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend (emotioneel en
/ofpsychisch) overwicht op [benadeelde] , immers was [benadeelde] aan de zorg en
/ofwaakzaamheid van hem, verdachte, toevertrouwd en
/ofwas [benadeelde] onvoldoende in staat om weerstand aan verdachte te bieden en
/of
- zich
(telkens)binnen de huiselijke sfeer agressief en/of gewelddadig op te stellen en
/of
- [benadeelde] de woorden toe te voegen: “niet tegen je moeder vertellen”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en
/of
-
(hierdoor
)een situatie te creëren waaraan [benadeelde] zich niet kon onttrekken en waarin [benadeelde] zich niet kon verzetten
en/of (aldus) voor [benadeelde] een bedreigende situatie te creëren.
Zaak met parketnummer 08-119563-22 (gevoegd):
1.
hij op
of omstreeks12 mei 2022 te [plaats 1] opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 11 april 2022 gegeven door de officier van Justitie te Oost-Nederland, kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte, zich (onder meer) niet op mocht houden in een straal van 500 meter rondom de woning gelegen
op/aan de [adres 2] , door zich in of nabij voornoemde woning te bevinden en
/ofzich op te houden.
Zaak met parketnummer 08-090481-22 (gevoegd):
1.
hij op
of omstreeks3 maart 2022 te [plaats 1] , opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 1 januari 2022 gegeven door de officier van justitie te Oost-Nederland kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte, zich dient te onthouden van contact met [slachtoffer] (geboren [geboortedag 3] 1981) door voornoemde [slachtoffer] een of meer berichten te sturen en
/ofdoor voornoemde [slachtoffer] te volgen, aan te spreken en
/ofte mishandelen;
2.
hij op of omstreeks 3 maart 2022 te [plaats 1] , [slachtoffer] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer]
een of meerdere malen aan het haar te trekken, in/op/tegen het hoofd/gezicht te slaan
/stompen en/of te trappen/schoppen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 08-326470-22 bewezenverklaarde levert op:
verkrachting.
Het in de zaak met parketnummer 08-119563-22 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering.
Het in de zaak met parketnummer 08-090481-22 onder 1 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering.
Het in de zaak met parketnummer 08-090481-22 onder 2 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De advocaat-generaal heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren onder oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
De raadsman heeft verzocht aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van langere duur dan het voorarrest.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen en vindt daarin de redenen tot de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van de hierna aan te geven duur.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de verkrachting van [benadeelde] , de minderjarige dochter van zijn toenmalige partner, die deel uitmaakte van het gezin van verdachte en als zijn eigen dochter werd verzorgd en opgevoed. Toen de moeder van [benadeelde] in het ziekenhuis was opgenomen, werd zij aan de zorg en waakzaamheid van verdachte toevertrouwd. De verkrachting heeft plaatsgevonden in de woonkamer, de slaapkamer van [benadeelde] moeder en in haar eigen slaapkamer, plekken waar zij zich veilig moet kunnen voelen. Daarbij heeft verdachte die avond samen met [benadeelde] drugs gebruikt, waarvan hij wist dat dit een seksueel stimulerende werking had.
De verdachte heeft, als stiefvader, op zeer ernstige wijze misbruik gemaakt van zijn stiefdochter en heeft daarmee een grove inbreuk gemaakt op zowel haar lichamelijke als psychische integriteit, zo blijkt ook uit de slachtofferverklaring die namens haar ter zitting bij het hof is voorgedragen.
Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn ex-partner [slachtoffer] . Hiermee heeft hij inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en haar pijn toegebracht. Ook heeft verdachte zich tweemaal schuldig gemaakt aan het overtreden van (verschillende) gedragsaanwijzingen, die bedoeld waren om verdachte ervan te weerhouden contact te zoeken met [slachtoffer] of in haar buurt te komen.
Binnen de rechtspraak zijn oriëntatiepunten ontwikkeld, met als doel het bevorderen van een consistent straftoemetingsbeleid. Deze oriëntatiepunten kunnen dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de op te leggen straf. Voor verkrachting met een beperkte mate van dwang geldt als vertrekpunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden. Voor verkrachting met geweld of met een daarmee vergelijkbare mate van dwang geldt als vertrekpunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden.
Voor een mishandeling waarbij sprake is van een droge klap met enkel pijn tot gevolg, geldt als vertrekpunt een geldboete van € 500. Voor het overtreden van een gedragsaanwijzing is geen oriëntatiepunt voorhanden. Bij het bepalen van de hoogte van de straf voor deze feiten heeft het hof daarom mede acht geslagen op straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd.
Het hof heeft ook acht geslagen op het Uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 24 oktober 2025, waaruit volgt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsfeiten, waaronder huiselijk geweld. Artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht is ook van toepassing.
Ten slotte heeft het hof rekening gehouden met wat de bij verdachte betrokken [reclasseringswerker] op de zitting naar voren heeft gebracht. De reclasseringswerker heeft bevestigd dat sprake is van positieve ontwikkelingen in het leven van verdachte. Er is sprake van meer stabiliteit op alle leefgebieden. De reclasseringswerker adviseert het hof het in de zaak met parketnummer 08-155706-24 opgelegde toezicht en de behandeling bij [forensische polikliniek 1] voort te zetten.
Het hof is van oordeel dat gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, met name de verkrachting, niet kan worden volstaan met een straf die geen vrijheidsbeneming met zich brengt.
In beginsel is de straf zoals opgelegd door de rechtbank, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, passend.
In de voorzichtig positieve ontwikkelingen in het leven van verdachte ziet het hof echter aanleiding om een deel van deze straf voorwaardelijk op te leggen. Dat is enerzijds, om verdachte in de toekomst van strafbare gedragingen te weerhouden en anderzijds om hem te motiveren de ingeslagen weg te vervolgen en om zijn behandeling en begeleiding te waarborgen. Gelet daarop dient dit voorwaardelijke deel van aanzienlijke duur te zijn en niet alleen onder de algemene, maar ook onder bijzondere voorwaarden te worden opgelegd, zoals geadviseerd door de reclasseringswerker.
Het opleggen van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, of een waarvan het onvoorwaardelijke deel niet langer is dan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, zou op geen enkele wijze recht doen aan wat er gebeurd is.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, waarvan achttien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarden, passend en geboden is. Het zal deze straf dan ook opleggen.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze vordering bedraagt € 10.000. De rechtbank heeft dit bedrag volledig toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot het volledig toewijzen van de vordering.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Hij stelt dat niet, of onvoldoende, is gebleken dat sprake is van een causaal verband tussen het tenlastegelegde en de gediagnosticeerde klachten. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de gevorderde immateriële schade te matigen tot een bedrag van € 3.500.
Op de zitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij, door het in de zaak met parketnummer 08-326470-22 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden, volledig bestaande uit immateriële schade.
De benadeelde partij heeft recht op een billijke vergoeding van haar immateriële schade indien zij op andere wijze in haar persoon is aangetast (artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder c BW). Op grond van het voorgaande en rekening houdend met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, met de gevolgen ervan voor de benadeelde partij en met de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen, acht het hof en bedrag van € 7.500 aan immateriële schadevergoeding billijk. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen.
Voor het overige deel wordt de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. Zij kan haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Verdachte is vanaf 1 december 2021 wettelijke rente verschuldigd over het toegewezen bedrag aan immateriële schade.
Het hof ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 184a, 242 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 08-326470-22 primair en het in de zaak met parketnummer 08-119563-22 en het in de zaak met parketnummer 08-090481-22 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen wat de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 08-326470-22 primair en het in de zaak met parketnummer 08-119563-22 en het in de zaak met parketnummer 08-090481-22 onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
30 (dertig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
18 (achttien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
  • veroordeelde zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt;
  • veroordeelde meewerkt aan behandeling door de [forensische polikliniek 1] of [forensische polikliniek 2] , te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de afspraken en de aanwijzingen die de behandelaar geeft.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het in de zaak met parketnummer 08-326470-22 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 08-326470-22 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 72 (tweeënzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 1 december 2021.
Dit arrest is gewezen door mr. R.H. Koning, mr. M.E. van der Werf en mr. R.W.E. van Leuken, in aanwezigheid van de griffier mr. M. Klein en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 9 december 2025.