ECLI:NL:GHARL:2025:8077

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
200.359.506/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uithuisplaatsing van minderjarige kinderen na bestreden beschikkingen

In deze zaak gaat het om de uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen, [kind1] en [kind2], na drie beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel. De kinderrechter heeft op 18 juni, 1 juli en 29 juli 2025 (spoed)machtigingen tot uithuisplaatsing verleend. De ouders zijn het niet eens met deze beslissingen en hebben hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het hof oordeelt dat er gronden voor de machtigingen tot uithuisplaatsing aanwezig zijn, maar niet voor de spoedmachtiging. Het hof vernietigt de beschikking van de kinderrechter van 18 juni 2025, omdat de ouders en kinderen niet in de gelegenheid zijn gesteld hun mening te geven. De machtigingen van 1 juli en 29 juli 2025 worden bekrachtigd, omdat de zorgen over de ontwikkeling van de kinderen nog steeds aanwezig zijn. De ouders hebben onvoldoende inzicht in de problematiek en de noodzakelijke hulpverlening wordt niet geaccepteerd. Het hof concludeert dat de kinderen in hun huidige gezinshuizen blijven, waar zij de nodige ondersteuning en begeleiding ontvangen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.359.506/01
(zaaknummers rechtbank Overijssel 334633 en 336442)
beschikking van 16 december 2025
over de uithuisplaatsing van [kind1] en [kind2] [achternaam1]
in de zaak van
[verzoeker1](de vader),
[verzoekster2](de moeder),
die wonen in [woonplaats1] ,
verzoekers in hoger beroep,
advocaat: mr. S.M. Carabain-Klomp te IJhorst,
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering(de GI),
die is gevestigd in Amsterdam.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming(de raad),
regio Overijssel, locatie Zwolle.

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, heeft bij beschikkingen van
18 juni 2025, 1 juli 2025 en 29 juli 2025 (spoed)machtigingen tot uithuisplaatsing van [kind1] en [kind2] verleend. Het hof beslist dat er gronden voor de machtigingen tot uithuisplaatsing aanwezig zijn, maar niet om met spoed een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen. Het hof legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn met elkaar gehuwd en hebben twee kinderen, [kind1] en [kind2] . [kind1] is op [datum1] 2008 geboren en [kind2] op [datum2] 2015.
2.2.
De ouders oefenen samen het gezag over de kinderen uit.
2.3.
De kinderen staan sinds 31 juli 2023 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is sindsdien jaarlijks verlengd. De ondertoezichtstelling loopt nu tot 31 juli 2026.
2.4.
De kinderen wonen sinds 18 juni 2025 in een gezinshuis, [kind1] op [plaats1] en [kind2] in [plaats2] .

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De GI heeft de kinderrechter op 18 juni 2025 mondeling verzocht een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [kind1] en [kind2] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van vier weken en aansluitend een reguliere machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinshuis voor de duur van één jaar voor [kind2] en tot haar meerderjarigheid voor [kind1] . De GI heeft dat verzoek vervolgens op diezelfde datum schriftelijk bevestigd.
3.2.
Bij de bestreden beschikking van 18 juni 2025 heeft de kinderrechter een (spoed) machtiging tot uithuisplaatsing van [kind1] en [kind2] in een gezinsgerichte voorziening verleend met ingang van 18 juni 2025 tot 2 juli 2025 en de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden.
3.3.
Bij de bestreden beschikking van 1 juli 2025 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind1] en [kind2] in een gezinshuis verleend met ingang van 1 juli 2025 tot 31 juli 2025.
3.4.
De GI heeft de kinderrechter op 25 juli 2025 verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind1] en [kind2] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van één jaar.
3.5
Bij de bestreden beschikking van 29 juli 2025 heeft de kinderrechter, voor zover voor dit hoger beroep van belang, de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind2] gedurende dag en nacht in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verlengd tot 31 juli 2026 en de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind1] gedurende dag en nacht in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verlengd tot aan haar meerderjarigheid, te weten tot [datum1] 2026. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De ouderszijn het niet eens met de beslissingen van de kinderrechter. Zij komen daarvan in hoger beroep. Zij willen dat het hof de beschikkingen van de kinderrechter van
18 juni 2025, 1 juli 2025 en 29 juli 2025 vernietigt.
4.2.
De GIwil dat de beslissingen in stand blijven.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift van de ouders met bijlage(n), ingekomen op 16 september 2025
  • de brief van de raad van 6 oktober 2025, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting
  • het verweerschrift met bijlage(n)
  • een brief namens de ouders van 13 november 2025 met bijlage(n)
  • een brief van de GI van 19 november 2025 met bijlage(n).
4.4.
[kind2] heeft op 24 november 2025 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. [kind1] is op 25 november 2025 na de zitting gehoord. De kinderen hebben beiden verteld wat zij vinden van de uithuisplaatsing.
4.5.
De zitting bij het hof was op 25 november 2025. Aanwezig waren:
  • de ouders met hun advocaat
  • twee vertegenwoordigers van de GI.

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De kinderrechter kan een machtiging geven om de kinderen uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen of voor onderzoek van de kinderen. De kinderrechter kan de machtiging met spoed geven als er onmiddellijk en ernstig gevaar dreigt voor de kinderen. In dat geval wordt het verzoek niet eerst besproken tijdens een mondelinge behandeling waarvoor alle belanghebbenden worden uitgenodigd.
Hoe oordeelt het hof?
Termijn is al verlopen
5.2.
De op 18 juni 2025 verleende spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [kind1] en [kind2] liep tot 2 juli 2025 en de op 1 juli 2025 verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [kind1] en [kind2] liep tot 31 juli 2025. Beide machtigingen zijn dus al verlopen. Toch moet het hof nog toetsen of deze machtigingen wel mochten worden verleend. Het hof zal allereerst de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van 18 juni 2025 toetsen.
Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
5.3.
De kinderrechter heeft deze (spoed)machtiging verleend zonder hierbij [kind1] , [kind2] of hun ouders in de gelegenheid te stellen hun mening hierover kenbaar te maken.
5.4.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat de GI op 28 januari 2025 al had besloten dat een uithuisplaatsing in het belang van de kinderen is. De kinderen zijn toen bij verschillende organisaties aangemeld en op de wachtlijst gezet. Dit is op dat moment nog niet aan de ouders verteld. Begin mei 2025 zijn er passende plekken voor de kinderen gevonden en op 21 mei 2025 heeft de gemeente een akkoord gegeven voor de plaatsingen en financiering van deze plaatsingen. Vervolgens heeft de GI op 18 juni 2025 het verzoek tot een spoedmachtiging ingediend. Er dreigde volgens de GI op dat moment een onmiddellijk en ernstig gevaar voor [kind1] en [kind2] . De GI heeft daarover onder meer gesteld dat er sprake was van vluchtgevaar naar het buitenland (Duitsland), dat er risico’s waren voor een familiedrama en dat er zorgen waren over de reacties van ouders mocht de GI het voornemen tot uithuisplaatsing met hen delen en een zitting afwachten. Hierdoor zouden de spanningen in huis volgens de GI oplopen en tot nadelige gevolgen voor de kinderen leiden.
5.5.
Naar het oordeel van het hof heeft de GI deze stellingen echter onvoldoende onderbouwd. Er zijn door de GI geen stukken overlegd waaruit blijkt dat er ten tijde van het indienen van het spoedverzoek een onmiddellijk en ernstig gevaar voor de kinderen bestond, waardoor een mondelinge behandeling niet kon worden afgewacht. Ook ter zitting van het hof heeft de GI dit onvoldoende toegelicht. Zonder nadere toelichting of onderbouwing kan het hof niet vaststellen dat de situatie op 18 juni 2025 zodanig acuut was, dat onmiddellijk moest worden ingegrepen, terwijl de GI in januari 2025 al had besloten dat een uithuisplaatsing van de kinderen noodzakelijk was en de benodigde goedkeuring door de gemeente op 21 mei 2025 al gegeven was. De door de GI gegeven redenen voor het doen van een spoedverzoek in plaats van een regulier verzoek, zo nodig met het verzoek aan de kinderrechter om op zeer korte termijn het verzoek ter zitting te behandelen, zijn daarvoor naar het oordeel van het hof te algemeen en onvoldoende concreet. Dat maakt dat de machtiging naar het oordeel van het hof niet had mogen worden gegeven zonder de ouders en de kinderen in de gelegenheid te stellen hun mening kenbaar te maken.
5.6.
De beslissing van de kinderrechter met betrekking tot het verlenen van de spoedmachtiging zal daarom worden vernietigd.
5.7.
Op 1 juli 2025 zijn de ouders en [kind1] en [kind2] alsnog gehoord. Het hof zal hierna beoordelen of ten tijde van de beschikkingen van 1 juli 2025 en 29 juli 2025 aan de gronden voor uithuisplaatsing van de kinderen was voldaan en of deze gronden nadien aanwezig zijn gebleven.
Reguliere machtigingen tot uithuisplaatsing
5.8.
Hoewel er op 18 juni 2025 naar het oordeel van het hof geen sprake was van een onmiddellijk dreigend en ernstig gevaar voor de kinderen op grond waarvan zonder een mondelinge behandeling af te wachten een machtiging tot uithuisplaatsing kon worden verleend, blijkt op basis van de stukken in het dossier wel dat de gronden voor uithuisplaatsing van de kinderen op dat moment aanwezig waren en ook nadien aanwezig zijn gebleven. Het hof zal dit hierna uitleggen.
5.9.
[kind1] en [kind2] zijn door hun ouders geconfronteerd met veel onrust en onveiligheid in de thuissituatie. De ouders kennen beiden een belast verleden op zowel mentaal als fysiek gebied. De basale zorg voor de kinderen was onvoldoende en de ouders waren fysiek en emotioneel niet beschikbaar voor hen. Bij de vader is sprake geweest van fors alcoholgebruik, waardoor zijn gedrag onvoorspelbaar werd. Daarnaast heeft er in 2023 een geweldsincident tussen de ouders plaatsgevonden, waarvan de kinderen getuige zijn geweest. Deze ontwikkelingsbedreigingen van [kind1] en [kind2] hebben in juli 2023 geleid tot een ondertoezichtstelling. De ouders boden onvoldoende veiligheid, structuur en stimulans. Meer concreet was er geregeld sprake van onvoldoende hygiëne, verzorging en toezicht. Deze omstandigheden werden lange tijd als net goed genoeg beschouwd door de betrokken hulpverleningsinstantie de JP van de Bent stichting (cijfer 5,5), maar kort voor het verzoek van de GI tot (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing niet meer (cijfer 5,0).
5.10.
Uit psychodiagnostisch onderzoek van de [school1] van 27 mei 2025 volgt dat [kind1] op cognitief gebied op licht tot matig verstandelijk beperkt niveau functioneert en in haar ontwikkeling sterk afhankelijk is van externe sturing en begeleiding. Daarnaast heeft zij cerebrale parese, epilepsie en een forse ontwikkelingsachterstand. De inschatting is dat zij langdurig en op alle leer- en leefgebieden 24-uurs ondersteuning nodig zal hebben. In het huidige gezinshuis wordt ook gezien dat ze veel zorg en begeleiding nodig heeft. Daarnaast heeft [kind1] erg veel last van een loyaliteitsconflict richting haar ouders. Ze houdt veel van haar ouders, maar geeft ook aan dat ze niet meer voor hen wil zorgen.
5.11.
Bij [kind2] is in het verleden vastgesteld dat sprake is van een laag tot laaggemiddelde intelligentie en hij vertoont gedragskenmerken die passen bij ADHD of bij traumaklachten. [kind2] denkt nog veel aan de nare gebeurtenissen in het verleden, kan zich lastig concentreren, kan niet stilzitten en voelt zich vaak niet begrepen. [kind2] zal voldoende moeten worden gestimuleerd in zijn ontwikkeling en de juiste hulp krijgen voor het verwerken van ingrijpende gebeurtenissen om te voorkomen dat zijn ontwikkeling stagneert en hij (forse) gedragsproblematiek ontwikkelt. Het is voor [kind2] lastig om zijn emoties en gedachten onder woorden te brengen. Hij heeft daar de hulp van anderen bij nodig.
5.12.
Naar het oordeel van het hof zijn de zorgen op grond waarvan de kinderen in juni 2025 uit huis zijn geplaatst op dit moment nog onvoldoende weggenomen. Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat er nog steeds grote zorgen zijn over de ontwikkeling van [kind1] en [kind2] , met name op het gebied van emotionele beschikbaarheid van de ouders is de situatie ontoereikend voor de kinderen. De ouders sluiten niet of niet voldoende aan bij de leeftijdsfases van de kinderen en zijn onvoldoende emotioneel beschikbaar voor hen. Dat neemt niet weg dat de ouders fysiek wel aanwezig voor de kinderen zijn en dat het duidelijk is dat de ouders liefde voor hen hebben. De ouders doen hun best, naar hun eigen kunnen. Het hof ziet echter dat het hen niet lukt om een gezonde en veilige opvoedsituatie te creëren voor de kinderen, met ieder hun eigen problematiek.
5.13.
Hulpverlening is nodig om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen weg te nemen. Hoewel de ouders zich op het standpunt stellen dat de hulpverlening vanuit de thuissituatie kan worden ingezet, is in de afgelopen jaren gebleken dat dit niet afdoende is om de ontwikkelingsbedreigingen van de kinderen weg te nemen. De ouders benutten de aangeboden hulp onvoldoende en accepteren deze niet. Dit blijkt bijvoorbeeld ten aanzien van de voor de kinderen noodzakelijk geachte traumadiagnostiek die vanuit Ambiq gestart zou worden. Beide kinderen stonden hiervoor ingeschreven, maar de moeder heeft aangegeven dat zij geen hulpverlening wil en ook niet wil dat er met de kinderen gepraat wordt. De ouders lijken de ernst van de problematiek van de kinderen onvoldoende in te zien, waardoor zij onvoldoende de noodzaak van de hulpverlening inzien en daaraan onvoldoende hun medewerking verlenen.
5.14.
Gelet op het voorgaande is het noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen dat zij in de gezinshuizen blijven, zodat hen daar de ondersteuning, begeleiding en hulpverlening kan worden geboden die zij nodig hebben. De kinderen bevinden zich momenteel in hun gezinshuizen in een veilige omgeving en ontwikkelen zich in positieve zin. Bij [kind1] werd na de plaatsing gezien dat zij tot rust leek te komen en zichzelf meer openstelt voor contact. [kind1] had tot kort voor de zitting onbegeleide omgang met haar ouders. De GI constateerde echter dat zij hierdoor weer (meer) zorgelijk gedrag liet zien. Zij werd beïnvloed door het contact met haar moeder en zowel de gezinshuisouders als de leerkrachten op school zagen een negatieve gedragsverandering bij haar. [kind1] zonderde zich meer af, was stiller en minder open in het contact. In verband hiermee heeft de GI besloten dat de omgang weer onder begeleiding zal gaan plaatsvinden en is de omgang stopgezet tot er begeleiding beschikbaar is. Ook is de telefoon van [kind1] ingenomen, zodat zij geen telefonisch contact meer kan hebben met haar moeder. Hoewel de moeder zich zorgen maakt over het feit dat [kind1] in het gezinshuis moet traplopen terwijl zij dit niet zou mogen, ziet het hof in het dossier geen aanknopingspunten om te oordelen dat om die reden dit gezinshuis geen goede plek voor [kind1] zou zijn. Bij [kind2] werd gezien dat hij steeds meer van zichzelf laat zien, zijn hulpvragen meer stelt en vaker kan benoemen wat hij lastig vindt. De kinderen zijn gelet op hun kwetsbaarheid gebaat bij de rust en stabiliteit die zij nu in hun gezinshuizen ervaren. Het hof acht een terugplaatsing bij de ouders op dit moment niet in hun belang.
5.15.
De bestreden beschikkingen van 1 juli 2025 en 29 juli 2025 zullen daarom in stand worden gelaten (bekrachtigd).

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 18 juni 2025 over de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [kind1] en [kind2] met ingang van 18 juni 2025 tot 2 juli 2025, en in zoverre opnieuw beschikkende:
wijst het verzoek van de GI tot het verlenen van een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [kind1] en [kind2] met ingang van 18 juni 2025 tot 2 juli 2025, alsnog af;
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 1 juli 2025 over de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind1] en [kind2] met ingang van 1 juli 2025 tot 31 juli 2025;
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 29 juli 2025 voor zover daarbij de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind1] met ingang van 31 juli 2025 tot aan haar meerderjarigheid, te weten tot [datum1] 2026, en van [kind2] met ingang van 31 juli 2025 tot 31 juli 2026 is verleend;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. van Dijk, mr. R. Feunekes en mr. C. Coster, bijgestaan door mr. I.I. Buitenhuis als griffier, en is op 16 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.