Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 18 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over de zorgregeling en de hoofdverblijfplaats van twee minderjarigen, [minderjarige1] en [minderjarige2]. De vader, verzoeker in hoger beroep, was het niet eens met de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland, die op 3 maart 2025 een zorgregeling had vastgesteld. De vader had in eerste aanleg verzocht om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen en om de zorgregeling te wijzigen. De moeder, verweerster in hoger beroep, had ook een zelfstandig verzoek ingediend tot wijziging van de zorgregeling, maar was niet in hoger beroep gekomen. Het hof heeft de vader niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken, omdat hij een onjuiste juridische weg had bewandeld. De GI had in eerste aanleg verzocht om wijziging van de zorgregeling, en de vader had een zelfstandig verzoek ingediend dat niet tegen de andere ouder was gericht. Het hof heeft de moeder in haar verzoeken niet-ontvankelijk verklaard en de zorgregeling gewijzigd. De vader is veroordeeld in de proceskosten van de moeder, omdat hij in hoger beroep was gekomen ondanks zijn eerdere niet-ontvankelijkheid. De proceskosten zijn vastgesteld op € 2.428,- voor de advocaat en € 362,- voor griffierecht.