ECLI:NL:GHARL:2025:8277

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
23/1528 t/m 23/1533
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken toereikende machtiging in belastingzaak

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep van Bartels, handelend namens belanghebbende, behandeld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland. De rechtbank had het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een toereikende machtiging.

Het hof heeft Bartels meerdere malen de gelegenheid geboden om een door belanghebbende ondertekende machtiging te overleggen binnen een gestelde termijn. Deze machtiging werd echter pas na de termijn ingediend en was bovendien niet door belanghebbende ondertekend. Hierdoor kon het hof niet vaststellen dat het beroepschrift rechtsgeldig was ingediend.

Op grond van de artikelen 6:5 en 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het hof tot het oordeel gekomen dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Tevens is het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen omdat niet tijdig is gebleken dat Bartels bevoegd was dit verzoek te doen.

Het hof heeft geen aanleiding gezien om griffierecht te vergoeden of proceskosten toe te wijzen. De uitspraak is op 16 december 2025 in het openbaar gedaan door de vijfde meervoudige belastingkamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een toereikende machtiging binnen de gestelde termijn.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummers BK-ARN 23/1528 tot en met 23/1533
uitspraakdatum: 16 december 2025
Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het door mr. D.A.N. Bartels (hierna: Bartels) ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 22 mei 2023, nummers UTR 21/5026 tot en met 21/5031 in het geding tussen
Bartels, veronderstellenderwijs handelend namens [belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
en
de
heffingsambtenaar van de gemeente Amersfoort(hierna: de heffingsambtenaar)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Het hoger beroep is volgens het hogerberoepschrift ingesteld namens belanghebbende. Voor de machtiging wordt verwezen naar het Rechtbankdossier.
1.2.
De Rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een toereikende machtiging. Het Hof heeft hierin aanleiding gezien om van Bartels een nieuwe, door belanghebbende ondertekende machtiging te verlangen binnen een termijn van vier weken. Hierbij is Bartels erop gewezen dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard wanneer van die gelegenheid geen gebruik wordt gemaakt.
1.3.
Bartels heeft hieraan niet voldaan. De op 24 november 2023 ingekomen machtiging is ondertekend door iemand anders dan belanghebbende.
1.4.
Bij brief van 30 november 2023 heeft het Hof Bartels een laatste mogelijkheid geboden om uiterlijk 1 januari 2024 de gevraagde machtiging in te brengen. Hierbij is opnieuw medegedeeld dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien hieraan niet binnen de gestelde termijn gehoor wordt gegeven.
1.5.
In een eerste reactie hierop, ingekomen op 28 december 2023, heeft Bartels voor de machtiging wederom verwezen naar het Rechtbankdossier. Op 9 april 2024, en derhalve buiten de gestelde termijn, heeft Bartels een door belanghebbende op 25 maart 2024 ondertekende machtiging overgelegd.
1.6.
De onderhavige zaken zijn gaan behoren tot een cluster van zaken waarin Bartels voor verschillende belanghebbenden optreedt, telkens met de heffingsambtenaar als wederpartij. Op 28 mei 2025 heeft het Hof op een regiezitting met partijen procesafspraken gemaakt voor de behandeling van de zaken die tot het cluster behoren. Van de regiezitting is een proces-verbaal opgesteld dat aan partijen is verzonden. Het Hof heeft de procesafspraken voor de clustergewijze behandeling bij bericht van 12 juni 2025 bevestigd.
1.7.
Het Hof heeft bij bericht van 21 juli 2025 een overzicht verstrekt van zaken waarin de machtiging ontbreekt of niet toereikend is. Ter zake van onderhavige zaken is in dat overzicht opgemerkt dat de in 1.5 bedoelde machtiging buiten de gestelde termijn is ingekomen. Bartels is daarbij in de gelegenheid gesteld om dit overzicht op juistheid te controleren en daarop schriftelijk te reageren. Bartels heeft niet gereageerd.
1.8.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord Bartels en [naam1] namens de heffingsambtenaar. Het proces-verbaal van de zitting is aan partijen toegezonden.

2.Beoordeling van het geschil

2.1.
Ingevolge artikel 6:5, lid 1, aanhef en letter a, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het bezwaar- of beroepschrift ondertekend en bevat het – voor zover hier van belang – ten minste de naam en het adres van de indiener. Daarbij wordt met ‘indiener’ bedoeld degene die voor zichzelf beroep instelt of degene namens wie beroep wordt ingesteld. Ondertekening van het beroepschrift dient als bewijs dat het geschrift door of namens de indiener is opgesteld. Is het beroepschrift niet door de indiener zelf (mede)ondertekend maar slechts door degene die bij het beroepschrift stelt daartoe te zijn gemachtigd, dan is daarmee dit bewijs niet geleverd indien bij dat beroepschrift geen schriftelijke machtiging wordt overgelegd. In zoverre kleeft dan aan het beroepschrift een gebrek. [1]
2.2.
Op grond van artikel 6:6 Awb Pro kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 Awb Pro of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Het hiervoor in 2.1 bedoelde gebrek is als een zodanig verzuim aan te merken. [2]
2.3.
Bij de in 1.2 en 1.4 bedoelde brieven heeft het Hof verzocht de gestelde machtiging door belanghebbende binnen vier weken aan te tonen. In die brieven is vermeld dat, indien van die gelegenheid geen gebruik wordt gemaakt, er rekening mee moet worden gehouden dat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. Bartels heeft niet binnen de gestelde termijnen een door belanghebbende ondertekende machtiging overgelegd, maar (ruim) daarna. Feiten en omstandigheden op grond waarvan deze overschrijding belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden aangerekend, zijn gesteld noch gebleken. Het Hof zal het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren. Aan het namens belanghebbende gedane verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn komt het Hof niet toe, omdat niet tijdig is gebleken dat Bartels bevoegd was dat verzoek te doen.

3.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

Het Hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.W. van de Sande, voorzitter, mr. J.W. Keuning en mr. V.F.R. Woeltjes, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. J. Hollander als griffier.
De beslissing is op 16 december 2025 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(J. Hollander) (J.M.W. van de Sande)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een
afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.zie HR 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2, r.o. 3.3.1 en 3.3.2.
2.zie HR 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2, r.o. 3.3.3 en 3.3.4.