In deze belastingzaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep van Bartels, handelend namens belanghebbende, niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een tijdige machtiging. De rechtbank had het beroep eerder al niet-ontvankelijk verklaard om dezelfde reden. Het hof gaf Bartels meerdere kansen om alsnog een door belanghebbende ondertekende machtiging binnen vier weken te overleggen, maar deze werd pas ruim na de gestelde termijn ingediend.
De procedure kende meerdere schriftelijke herinneringen en een regiezitting waarin procesafspraken werden gemaakt. Ondanks deze mogelijkheden heeft Bartels niet tijdig voldaan aan de eis van een geldige machtiging. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die de overschrijding van de termijn voor de machtiging kunnen rechtvaardigen.
Het hof oordeelt dat het gebrek aan een tijdige machtiging een verzuim is dat niet hersteld is binnen de gestelde termijn, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt niet behandeld omdat niet is gebleken dat Bartels bevoegd was dit verzoek te doen.
Er wordt geen griffierecht vergoed en geen proceskosten toegewezen. De uitspraak is gedaan door een meervoudige belastingkamer van het hof en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.