ECLI:NL:GHARL:2025:8394

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
21-003560-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen vonnis van de rechtbank Midden-Nederland inzake verkrachting, poging tot doodslag en poging tot vrijheidsberoving

In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 22 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Midden-Nederland. De verdachte, geboren in 1975, is veroordeeld voor verkrachting, poging tot doodslag en poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving. De verdachte heeft de feiten bekend, met uitzondering van de poging tot doodslag. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 8 jaren en een terbeschikkingstelling met dwangverpleging. De verdachte is als verminderd toerekeningsvatbaar beoordeeld, waarbij het hof rekening heeft gehouden met zijn geestelijke toestand en eerdere veroordelingen. De vorderingen van de benadeelde partijen zijn gedeeltelijk toegewezen, waarbij de schadevergoeding voor immateriële en materiële schade is vastgesteld. Het hof heeft de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf afgewezen, gezien de opgelegde zware straf en maatregel. De zaak is behandeld in het kader van de ernstige aard van de feiten en de impact op de slachtoffers, die beiden psychische en fysieke schade hebben ondervonden door de daden van de verdachte.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003560-24
Uitspraakdatum: 22 december 2025
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 13 augustus 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 16-176993-23 en 16-273227-23, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 16-111148-21, tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1975 in [geboorteplaats] ,
op dit moment verblijvende in [P.I.] te [plaats 1]

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zittingen van het hof van 21 oktober 2024 en 9 december 2025, en wat er op de zitting bij de rechtbank van 30 juli 2024 besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Die vordering houdt in:
  • Bewezenverklaring van de feiten 1, 2 primair en 3 van de zaak met parketnummer 16-176993-23;
  • Bewezenverklaring van het feit in de gevoegde zaak met parketnummer 16-273227-23;
  • Veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar, met aftrek van het voorarrest.
  • Oplegging van de (ongemaximeerde) maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging;
  • Toewijzing van de vorderingen van beide benadeelde partijen, vermeerderd met de wettelijke rente;
  • Oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
  • Afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de aan verdachte eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman,
mr. D.A.W. Dekker, en de advocaten van de benadeelde partijen en de slachtoffers hebben aangevoerd.

Het vonnis

De meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland heeft verdachte ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar, met aftrek van het voorarrest. Ook heeft de rechtbank verdachte een ongemaximeerde maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opgelegd. De vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder aan verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken heeft de rechtbank afgewezen.
De rechtbank heeft verder de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] helemaal toegewezen. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] heeft de rechtbank toegewezen tot een bedrag van € 24.736,64 en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard danwel afgewezen.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing dan de rechtbank over het bewijs, de kwalificatie en over de benadeelde partij [benadeelde 2] . Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Zaak met parketnummer 16-176993-23:
1.
hij op of omstreeks 16 juli 2023 in de [plaats 2] door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten
- het dicht op een persoon genaamd [benadeelde 2] gaan staan en/of
- het tegen die [benadeelde 2] zeggen "Ik heb op je gewacht" en/of "Ik heb je gevolgd" en/of "Ik neem je mee naar huis", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of
- het vastpakken van die [benadeelde 2] en/of
- het (met kracht) slaan tegen het hoofd en/of de oren van die [benadeelde 2] en/of
- het sleuren/trekken van die [benadeelde 2] naar een bosschage en/of
- het (met kracht) slaan van die [benadeelde 2] in haar gezicht en/of neus en/of kaken en/of
- het tegen die [benadeelde 2] zeggen dat ze haar bek moest houden en dat hij, verdachte, die [benadeelde 2] dood zou maken en dat hij, verdachte, die [benadeelde 2] ging verkrachten en/of
- het tegen die [benadeelde 2] zeggen "Niet schreeuwen, hou je bek, ik maak je dood" en/of Ik waarschuw je, ik maak je dood", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en/of
- het tegen die [benadeelde 2] zeggen "Je moet me pijpen, daarna ga ik je neuken en anaal" en/of "Ik zag je lopen en kijk eens wat een harde reuze pik", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en/of
- het vastpakken van het hoofd van die [benadeelde 2] en/of
- het tegen die [benadeelde 2] zeggen "Kots, kots, je moet pijpen, je moet kotsen, je moet mijn ballen erbij pakken", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of
- het op de borst van die [benadeelde 2] gaan zitten en de keel van die [benadeelde 2] heeft dichtgeknepen (gehouden) en/of
- het tegen die [benadeelde 2] zeggen "Laat je tieten zien", althans woorden van gelijke aard en/of strekking
[benadeelde 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde 2] , te weten
- het likken van die vagina van die [benadeelde 2] en/of
- het steken van zijn, verdachtes, penis in de mond en/of de vagina van die [benadeelde 2] en/of - het zuigen aan de borst van die [benadeelde 2] ;
2. primair
hij op of omstreeks 16 juli 2023 in de [plaats 2] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 2] opzettelijk van het leven te beroven, de keel van die [benadeelde 2] (met kracht) heeft dichtgeknepen (gehouden), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
2. subsidiair
hij op of omstreeks 16 juli 2023 te [plaats 2] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen de keel van die [benadeelde 2] (met kracht) heeft dichtgeknepen (gehouden), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
hij op of omstreeks 16 juli 2023 in de [plaats 2] een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Zaak met parketnummer 16-273227-23 (gevoegd):
Hij op of omstreeks 6 juli 2023 in de [plaats 2] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde 1] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en/of beroofd te houden,
- zijn fiets voor die [benadeelde 1] tot stilstand heeft gebracht en aldus die [benadeelde 1] de doorgang heeft versperd en/of
- een of meermalen tegen die [benadeelde 1] heeft gezegd stil te zijn en dat die [benadeelde 1] met hem mee moest gaan, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of
- die [benadeelde 1] bij haar borst en/of bh en/of T-shirt heeft vastgepakt en/of
- aan dat T-shirt heeft getrokken (teneinde die [benadeelde 1] mee te trekken)
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Op de zitting van het hof heeft de raadsman aangevoerd dat vrijspraak moet volgen voor de poging doodslag (feit 2 primair). Wat betreft feit 1, feit 2 subsidiair, feit 3 en de gevoegde zaak heeft de raadsman geen verweer gevoerd.
Over de poging doodslag voert de raadsman aan dat verdachte geen opzet op de dood van aangeefster [benadeelde 2] heeft gehad. Van vol opzet is geen sprake omdat verdachte ontkent dat hij handelde met de intentie om [benadeelde 2] te doden. Van voorwaardelijk opzet is evenmin sprake. In dat geval moet verdachte zich willens en wetens hebben blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat een bepaald gevolg, in dit geval de dood, zou intreden. Van een aanmerkelijke kans dat [benadeelde 2] als gevolg van de handelingen van verdachte zou komen te overlijden is geen sprake. Niet elk dichtknijpen van de keel levert een aanmerkelijke kans op de dood op. Op basis van het dossier kan niets worden vastgesteld over de duur, kracht en intensiteit van het geweld tegen de keel van aangeefster. De verklaringen van aangeefster zijn onvoldoende om te kunnen vaststellen dat de duur en de kracht van het dichtknijpen en dichtgeknepen houden van de keel zodanig was, dat er sprake was van een aanmerkelijke kans dat zij kwam te overlijden. Aangeefster verklaart wisselend: dan weer over dichtduwen, dan dichtdrukken, dan wurgen. Ook over de kracht verklaart ze dat dit heel strak gebeurde, dan weer ‘stevig’, en vervolgens met een ‘hele zekere druk.’ Dit zegt echter niet of dit met kracht is gebeurd. Verder is de duur van het dichtknijpen ook niet vast te stellen en zal een seconde dichtknijpen van de keel, zoals verdachte verklaart, niet de aanmerkelijke kans op de dood opleveren. Dat aangeefster geen adem kon halen en dacht dood te gaan zegt onvoldoende over de kracht en intensiteit. Ook is het letsel beperkt gebleven tot bloeduitstortingen en is het bewustzijnsverlies onvoldoende gebleken.
Als het hof de kans op de dood wel aanmerkelijk acht, heeft verdachte die kans niet bewust aanvaard. Hij is zelf gestopt met het dichtknijpen, aangeefster spartelde niet tegen. Hij wilde haar niet doodmaken, maar wilde haar haar telefoon ontfutselen. Al met al moet verdachte vrijgesproken worden voor de poging tot doodslag.
Het hof komt tot een ander oordeel. Aan de hand van onderstaande bewijsmiddelen zet het hof zijn overwegingen uiteen.
Bewijsmiddelen
In de onderstaande bewijsmiddelen wordt telkens verwezen naar de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd [nummer 1] ( [nummer 2] ), gesloten en getekend op 3 oktober 2023 door [naam 1] , brigadier bij de eenheid [plaats 3] , tenzij anders is vermeld.
Het hof gebruikt voor de onder feit 1 en feit 3 van parketnummer 16-176993-23 bewezenverklaarde feiten en het onder parketnummer 16-273227-23 bewezenverklaarde feit een opgave van bewijsmiddelen, [1] omdat verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.
Bewijsmiddelen feit 1 en feit 3
1.
De verklaring van verdachteafgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 9 december 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik heb die dag veel drugs en alcohol gebruikt en niet geslapen en ik had zin om seks te hebben en ik kwam die vrouw tegen en heb haar meegenomen. (…). Ik heb haar meegenomen naar het bos en seksualiteit met haar gehad. Ik wou haar telefoon meenemen zodat ze geen politie kon bellen.
2. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 31 januari 2025 opgemaakt door de raadsheer-commissaris strafzaken in dit hof, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –
als verklaring van verdachte:
Toen kwam ik de vrouw tegen. Ik besloot dat ik haar zou meenemen. Ik heb aan haar getrokken en naar de bosjes meegenomen. Ik heb haar geslagen. Zij wilde zich verzetten. Ik heb haar gezegd dat ik seks met haar wilde hebben. Zij worstelde en viel. Haar telefoon viel en ze wilde me die niet geven.
3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (als bijlage op pagina 62 van het proces-verbaal).
4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op pagina 31 van het proces-verbaal).
5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van forensisch onderzoek persoon (als bijlage op pagina 150 van het proces-verbaal).
6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (als bijlage op pagina 45 van het proces-verbaal).
7. Het deskundigenrapport, [nummer 3] , opgemaakt door [naam 2] , werkzaam als vast gerechtelijk deskundige bij het Nederlands Forensisch Instituut te [plaats 4] , gesloten en getekend op 24 juli 2023 (als bijlage op pagina 139 van het proces-verbaal).
Bewijsmiddelen feit 2
1. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 31 januari 2025 opgemaakt door de raadsheer-commissaris strafzaken in dit hof, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –
als verklaring van verdachte:
Ik heb haar bij de keel gepakt.
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 juli 2023, opgemaakt door [verbalisant] (als bijlage v.a. pagina 87 van het proces-verbaal), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
Ik heb het gesprek beluisterd en woordelijk uitgewerkt.
Dit gesprek vond plaats tussen een medewerkster van operationeel centrum en aangeefster [benadeelde 2] op zondag 16 juli 2023, om 9.05 uur.
Uitwerking 112 melding:
….uhhh ja heel veel hij zei ook dat “ik maak je dood” en “ik ben niet bang om je dood te maken” en toen gaf hij een hele harde klap…
En hij heeft mijn keel heel erg hard dichtgeduwd, toen dacht ik ook “ja dan ga ik maar dood”….
Als je ging gillen of zo dat sloeg hij ook weer heel hard.
Ik hoorde van “ik ga niet weer de bak in” en dat soort dingen.
Hij was echt heel agressief…
Hij heeft ook echt heel lang mijn keel dicht gedrukt toen dacht ik nou ja ja daar ga ik weet je.
3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (als bijlage op pagina 62 van het proces-verbaal), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –
als verklaring van [benadeelde 2] :
Het is vanmorgen gebeurd (16-07-2023), bij het sportpark [plaats 2] -Haven. (…). Ik ging de hond uitlaten. (…) In de verte zie ik een man. (…) Ik rook zo direct een alcohol walm (…). Toen pakte hij mij vast en zei iets van “ik neem je mee naar huis”. Toen ben ik gaan vechten en schoppen en heb "help, help, help" geschreeuwd. Toen sloeg hij mij op mijn hoofd. (…). Van de adrenaline en van de schrik lag ik op de grond. (…). Hij sloeg mij en zei dat ik mijn mond moest houden anders maakte hij mij dood. Vanaf daar ben ik de bosschage in getrokken. (…). Hij heeft mij heel erg geslagen, ook heel hard op allebei mijn oren. Voor mijn gevoel ben ik 10 seconden buiten bewustzijn geweest. (…). Hij bleef maar roepen “niet schreeuwen, hou je bek, ik maakt je dood”. Dat heeft hij wel 40 keer gezegd. Elke keer als ik een vraag stelde van waarom doe je dit dan zei hij van “ik waarschuw je, ik maak je dood”. (…) Toen werd hij heel kwaad. Toen is hij op mijn buik gaan zitten en heeft heel strak mijn keel dichtgeknepen. Toen dacht ik dat ik dood zou gaan. (…). Hij heeft gezegd “ik maak je dood” en daarna heeft mij gewurgd. (…). Ik lag op de grond op mijn rug. Hij zat op mij ter hoogte van mijn borst. (…). Ik weet niet hoe ik moet wurgen maar dit was heel professioneel. (…). O: Ik zie het u voor doen en uitbeelden. Ik zie dat u met twee handen naar uw keel grijpt. (…). Ik voelde een hele zekere druk, ik kon echt geen adem meer halen. Ik dacht “oké dan ga ik hier dood”.
4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal forensisch onderzoek persoon (als bijlage op pagina 150 van het proces-verbaal), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –
als relaas van forensisch [onderzoeker] :
Bevindingen
Door de arts en mij werd het SO bekeken op letsels. Hierbij zagen wij de volgende letsels:
Bovenlichaam
- onderzijde nek blauwe verkleuring
Bewijsmiddelen gevoegde zaak 16-273227-23
1.
De verklaring van verdachteafgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 9 december 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik heb bedoeld die vrouw mee te nemen.
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (als bijlage op pagina 249 van het proces-verbaal).
3. Het deskundigenrapport, [nummer 4] , opgemaakt door [naam 2] , werkzaam als vast gerechtelijk deskundige bij het Nederlands Forensisch Instituut te [plaats 4] , gesloten en getekend op 4 augustus 2023 (als bijlage op pagina 287 van het proces-verbaal).
Bewijsoverwegingen poging doodslag (feit 2)
Door de verdediging is – kort gezegd – op de zitting van het hof aangevoerd dat verdachte van het onder 2 primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Bij verdachte was geen sprake was van opzet op de dood van aangeefster, ook niet in voorwaardelijke vorm. De verdediging heeft aangevoerd dat de duur, kracht en intensiteit van het wurgen op basis van de verklaringen van aangeefster niet kan worden vastgesteld en dat aangeefster op die punten te wisselend heeft verklaard.
Het hof baseert het oordeel over de bewezenverklaring in de eerste plaats op de verklaring van aangeefster, zoals zij die heeft afgelegd bij de politie in haar aangifte. Daartoe zet het hof het volgende uiteen.
Aangeefster heeft op twee momenten verklaard over de het dichtknijpen van de keel. Allereerst in het 112-gesprek dat plaats had vlak na de feiten. Aangeefster belt dan geëmotioneerd naar de alarmcentrale en vertelt over de verkrachting die haar is overkomen. Ook verklaart ze dat verdachte heel veel zei: ‘ik maak je dood’ en ‘ik ben niet bang om je dood te maken’ en haar hard sloeg. Ze verklaart dat verdachte haar keel heel lang heeft dichtgeduwd. Ze dacht toen: nou ja, dan ga ik maar dood, zo zegt ze aan de telefoon. Iets later zegt ze: ‘hij heeft ook echt
gewoonheel lang m’n keel dichtgedrukt, toen dacht ik nou ja, ja, daar ga ik, weet je.’
Aangeefster heeft daarna aangifte gedaan. Ze verklaart dat verdachte naar alcohol rook. Ook verklaart ze dat verdachte haar hard sloeg en maar bleef roepen: “niet schreeuwen, hou je bek, ik maakt je dood.” Over het dichtknijpen van de keel verklaart ze dat verdachte heel kwaad werd, op haar buik is gaan zitten en heel strak haar keel heeft dichtgeknepen. Toen dacht ze dat ze dood zou gaan. Er wordt doorgevraagd over het dichtknijpen van de keel en ze zegt dat verdachte zei: “ik maak je dood” en haar toen wurgde. Ze lag op haar rug en hij zat op haar borst. Hij wurgde haar professioneel, zo verklaart ze. Ze doet voor dat hij haar met twee handen bij haar keel pakt. Op een gegeven moment liet hij los. Uit de verbatim uitwerking van de aangifte blijkt dat ze verklaart dat ze dacht: “daar ga ik. Ik ga flauwvallen op dat moment.” Ze weet niet precies hoe lang het duurde, ze denkt niet heel lang. Het was stevig gewurgd en heel snel voelde ze van oke, klaar. Ze voelde een hele zekere druk en kon geen adem meer halen. Ze dacht “oké, dan ga ik hier dood.”
Het hof is van oordeel dat aangeefster consistent heeft verklaard dat verdachte haar keel krachtig dichtkneep. Aangeefster verklaart telkens dat het strak was, dat ze een stevige druk voelde en niet meer kon ademen. Ook vindt haar verklaring steun in andere bewijsmiddelen, zoals het bij haar aangetroffen letsel. Net als de rechtbank acht het hof het gegeven dat aangeefster daar verschillende woorden voor gebruikt irrelevant, omdat aangeefster telkens in feite hetzelfde bedoelt. Het hof acht haar verklaring betrouwbaar en zal deze tot uitgangspunt nemen. Op basis van die verklaring stelt het hof vast dat verdachte erg boos was en haar keel met kracht met twee handen heeft dichtgeknepen, terwijl hij tegen haar zei dat hij haar dood zou gaan maken. Aangeefster kon geen adem meer halen en dacht dat ze zou gaan sterven. Op een gegeven moment heeft verdachte haar weer losgelaten.
De exacte duur van het dichtknijpen is aan de hand van de verklaringen van aangeefster niet vast te stellen. Aangeefster heeft verklaard dat het lang duurde, maar ook dat het niet heel lang duurde. Verdachte heeft op de zitting van het hof verklaard dat hij aangeefster maar een seconde bij haar keel heeft gepakt.
Het hof stelt vast dat in de hals van aangeefster blauwe verkleuringen zijn aangetroffen. Op de kleurenfoto’s in het dossier zijn die blauwe plekken op een groot deel van de hals van aangeefster ook zichtbaar.
Het hof overweegt dat uit de zichtbare verwondingen van aangeefster tezamen met haar verklaring dat ze niet meer kon ademen, dat ze dacht dat ze dood ging en dat ze haar bewustzijn zou gaan verliezen, blijkt dat het dichtknijpen van haar keel enige duur moet hebben gehad. De verklaring van verdachte dat dat dichtknijpen maar een seconde heeft geduurd acht het hof gelet hierop onaannemelijk. Het hof vindt het bewezen dat verdachte de keel van aangeefster met beide handen met kracht enige tijd heeft dichtgeknepen, zodanig dat dit levensbedreigend was.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte met dit handelen primair opzet had op de dood van aangeefster, subsidiair of zijn opzet gericht is geweest op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Verdachte ontkent te hebben gehandeld met de intentie om aangeefster te doden. Verdachte heeft verklaard dat hij haar keel dichtkneep om haar bang te maken en omdat hij haar telefoon wilde hebben. Het hof stelt vast dat op basis van het dossier en
hetwat op zitting is besproken niet bewezen kan worden dat verdachte willens en wetens aangeefster dood wilde maken, dat wil zeggen dat het hof niet kan bewijzen dat verdachte aangeefster
met dat doelheeft gewurgd. De volgende vraag die dan moet worden beantwoord, is of kan worden bewezen dat verdachte dan voorwaardelijk opzet had op haar dood.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig als de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Of daar sprake van is zal, als de verklaringen van verdachte en/of eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval, waarbij de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht van belang zijn. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg heeft aanvaard.
Naar algemene ervaringsregels kan een verwurging leiden tot de dood. Het met beide handen met kracht enige tijd dichthouden van de hals belemmert de ademhaling en blokkeert de bloedtoevoer naar de hersenen. Voor ieder mens is het overduidelijk dat die gedraging levensgevaarlijk is. Ook voor verdachte moet dat zo zijn geweest.
Door en namens verdachte is naar voren gebracht dat hij de aanmerkelijke kans op de dood van aangeefster niet bewust heeft aanvaard. Hij wilde haar niet doden, maar haar alleen bang maken en haar telefoon afpakken. Hij heeft haar zelf weer losgelaten.
Het hof volgt verdachte hierin niet. Verdachte had een nacht niet geslapen, was onder invloed van drank en drugs, was erg boos en had aangeefster op gewelddadige wijze verkracht. Verdachte wurgde aangeefster krachtig (namelijk zodanig dat dit blauwe verkleuringen in de hals opleverde) en met beide handen terwijl hij herhaaldelijk zei dat hij haar dood wilde maken. Gelet daarop vindt het hof dat wat verdachte heeft gezegd over zijn intenties ongeloofwaardig.
Naar het oordeel van het hof kunnen de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op het doden van aangeefster dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte zich bewust was van de aanmerkelijke kans op haar dood en die kans ook bewust heeft aanvaard. De door de verdediging genoemde contra-indicaties doen daar niets aan af.
Het hof komt op basis van dit alles tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de onder 2 primair tenlastegelegde poging tot doodslag heeft begaan.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 16-176993-23 onder 1, 2 primair en 3 en in de zaak met parketnummer 16-273227-23 tenlastegelegde heeft begaan, te weten:
Zaak met parketnummer 16-176993-23:
1.
hij op 16 juli 2023 in de [plaats 2] door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten
- het dicht op een persoon genaamd [benadeelde 2] gaan staan en
- het tegen die [benadeelde 2] zeggen "Ik heb op je gewacht" en "Ik heb je gevolgd" en "Ik neem je mee naar huis", en
- het vastpakken van die [benadeelde 2] en
- het (met kracht) slaan tegen het hoofd en de oren van die [benadeelde 2] en
- het sleuren/trekken van die [benadeelde 2] naar een bosschage en
- het (met kracht) slaan van die [benadeelde 2] in haar gezicht en op de neus en kaken en
- het tegen die [benadeelde 2] zeggen dat ze haar bek moest houden en dat hij, verdachte, die [benadeelde 2] dood zou maken en dat hij, verdachte, die [benadeelde 2] ging verkrachten en
- het tegen die [benadeelde 2] zeggen "Niet schreeuwen, hou je bek, ik maak je dood" en Ik waarschuw je, ik maak je dood", en
- het tegen die [benadeelde 2] zeggen "Je moet me pijpen, daarna ga ik je neuken en anaal" en "Ik zag je lopen en kijk eens wat een harde reuze pik", en
- het vastpakken van het hoofd van die [benadeelde 2] en
- het tegen die [benadeelde 2] zeggen "Kots, kots, je moet pijpen, je moet kotsen, je moet mijn ballen erbij pakken", en
- het op de borst van die [benadeelde 2] gaan zitten en de keel van die [benadeelde 2] heeft dichtgeknepen (gehouden) en
- het tegen die [benadeelde 2] zeggen "Laat je tieten zien”
[benadeelde 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde 2] , te weten
- het likken van die vagina van die [benadeelde 2] en
- het steken van zijn, verdachtes, penis in de mond en de vagina van die [benadeelde 2] en
- het zuigen aan de borst van die [benadeelde 2] .
2. primair
hij op 16 juli 2023 in de [plaats 2] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 2] opzettelijk van het leven te beroven, de keel van die [benadeelde 2] (met kracht) heeft dichtgeknepen (gehouden), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
3.
hij op 16 juli 2023 in de [plaats 2] een telefoon, die aan [benadeelde 2] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Zaak met parketnummer 16-273227-23 (gevoegd):
Hij op 6 juli 2023 in de [plaats 2] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde 1] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en/of beroofd te houden,
- zijn fiets voor die [benadeelde 1] tot stilstand heeft gebracht en aldus die [benadeelde 1] de doorgang heeft versperd en
- een of meermalen tegen die [benadeelde 1] heeft gezegd stil te zijn en dat die [benadeelde 1] met hem mee moest gaan en
- die [benadeelde 1] bij haar borst en bh en T-shirt heeft vastgepakt en
- aan dat T-shirt heeft getrokken (teneinde die [benadeelde 1] mee te trekken)
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het hof komt tot het oordeel dat het bewezenverklaarde als volgt strafbaar is.
Het in de zaak met parketnummer 16-176993-23 onder 1 bewezenverklaarde levert op:
verkrachting
Het in de zaak met parketnummer 16-176993-23 onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:
poging tot doodslag.
Het in de zaak met parketnummer 16-176993-23 onder 3 bewezenverklaarde levert op:
diefstal.
Het in de zaak met parketnummer 16-273227-23 bewezenverklaarde levert op:
poging tot opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven.
Ter terechtzitting van het hof heeft de raadsman aangevoerd dat feit 1 en 2 moeten worden gezien als een voortgezette handeling.
Anders dan de rechtbank, is het hof is van oordeel dat van een voortgezette handeling geen sprake is. De voor de voortgezette handeling in aanmerking te nemen feiten moeten voortkomen uit één ongeoorloofd wilsbesluit. Dat kan alleen zo zijn wanneer dit soortgelijke feiten betreffen. [2] Verkrachting en poging tot doodslag hebben een verschillende strekking zodat van een voortgezette handeling geen sprake is.

Strafbaarheid van verdachte

In het kader van de feiten in deze strafzaak is in hoger beroep door [psychiater] en [psycholoog] onderzoek verricht naar de geestvermogens van verdachte. De deskundigen concluderen – kort samengevat – dat sprake is van een licht verstandelijke beperking en hieronder nader te noemen stoornissen die hebben doorgewerkt ten tijde van de bewezenverklaarde feiten. De deskundigen concluderen tot een verminderde toerekeningsvatbaarheid. Het hof verenigt zich met die conclusies en neemt deze over, zoals het hof hierna nog nader zal toelichten. Het hof komt op grond van die conclusies tot het oordeel dat het feit (slechts) in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. Dat betekent dat het hof van oordeel is dat verdachte een strafbare dader is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaren, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank verdachte de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging ongemaximeerd opgelegd.
In hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf van 7 jaren wordt opgelegd, en ook de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging.
De raadsman heeft verzocht verdachte een lagere gevangenisstraf op te leggen, omdat, wegens de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, de straf percentueel met 33 tot 66 procent dient te worden verlaagd ten opzichte van de straf die zou worden opgelegd aan een volledig toerekenbare verdachte. Over de maatregel terbeschikkingstelling heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte gemotiveerd is tot verandering en bereid mee te werken, hetgeen bewerkstelligd kan worden binnen een terbeschikkingstelling onder voorwaarden, maar zonder dwangverpleging. Daarbij kan de op de voorgrond staande licht verstandelijke beperking niet genezen of verholpen worden, terwijl wel aan zijn copingvaardigheden, verslavingsgedrag en gebrek aan vangnet gewerkt kan worden. Om die reden heeft de verdediging in dat kader verzocht om aanhouding van de zaak om een maatregelenrapport op te laten stellen. Ook heeft de verdediging verzocht een advies te geven over de aanvang van de maatregel terbeschikkingstelling, [3] zodat deze eerder kan beginnen dan de datum van voorwaardelijke invrijheidsstelling.
Bij het bepalen van de straf en maatregel houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Aard en ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting, poging tot doodslag en poging tot vrijheidsberoving. Dit betreft zeer ernstige strafbare feiten. Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal.
Verdachte heeft het eerste slachtoffer op straat aangesproken, terwijl zij haar hond uitliet. Hij heeft het slachtoffer met zijn fiets klemgereden, tegen haar gezegd dat ze stil moest zijn en met hem mee moest gaan, waarna hij haar heeft vastgegrepen bij haar kleding en bh en heeft geprobeerd mee te trekken. Het slachtoffer heeft hard gegild, gevochten en heeft verdachte in zijn hand gebeten. Het is haar gelukt los te komen en te vluchten, mede dankzij haar hond.
Anderhalve week later heeft verdachte opnieuw een vrouw aangesproken die haar hond uitliet. Ook tegen dit slachtoffer heeft verdachte gezegd dat ze stil moest zijn en met hem mee moest komen, waarna hij haar heeft vastgegrepen en de bosjes heeft ingetrokken. Verdachte heeft tegen het slachtoffer gezegd dat zij haar bek moest houden en hij heeft haar diverse keren met de dood bedreigd. Hij heeft het slachtoffer met kracht tegen het hoofd en op andere plaatsen op haar lichaam gestompt en geslagen. Ook heeft hij haar gedurende ruim een halfuur meermalen en op diverse wijzen verkracht. Verdachte is tijdens dit alles ook nog boven op het slachtoffer gaan zitten en hij heeft met kracht enige tijd haar keel dichtgedrukt waardoor het slachtoffer dacht dat zij op dat moment het leven zou verliezen.
Het handelen van verdachte is gruwelijk te noemen. Met zijn handelen heeft verdachte een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de beide slachtoffers en bij het tweede slachtoffer ook op haar seksuele integriteit. Verdachte was uitsluitend gericht op het bevredigen van zijn eigen seksuele verlangens en behoeften. Bij het eerste slachtoffer is het dankzij het optreden van het slachtoffer zelf en haar hond gebleven bij een poging tot vrijheidsberoving. Verdachte heeft in hoger beroep dit feit bekend en verklaard dat hij het slachtoffer mee wilde nemen met de intentie het slachtoffer van haar telefoon te beroven. Hij wilde haar meenemen naar een rustige plaats zodat hij haar uit het zicht van anderen kon beroven. Het hof vindt dit ongeloofwaardig. Wanneer verdachtes intenties beperkt zouden zijn gebleven tot het plegen van een vermogensdelict waarbij hij geen aandacht wil trekken, is het totaal onlogisch dat hij om die reden een worstelende vrouw mee wil nemen. Daarbij ziet het hof overeenkomsten in de werkwijze van verdachte bij het benaderen en vastgrijpen van de beide slachtoffers en de dingen die verdachte daarbij zegt. Het hof meent net als de rechtbank dat deze poging tot vrijheidsberoving gericht is geweest op het plegen van een zedenfeit. Dit is niet gelukt en verdachte is ruim een week later alsnog overgegaan tot het plegen van een zedenfeit. Deze vaststelling sterkt het hof in de overtuiging dat alleen een hele forse gevangenisstraf passend en geboden is.
Verdachte heeft niet geschuwd (grof) geweld te gebruiken en het tweede slachtoffer in doodsnood te brengen. Hij heeft zich helemaal niet bekommerd om de schadelijke gevolgen van zijn handelen voor deze slachtoffers.
Beide slachtoffers waren in hoger beroep niet op de zitting aanwezig. Namens hen zijn slachtofferverklaringen voorgedragen, waaruit de grote impact blijkt die de feiten op de slachtoffers hebben gehad. Aangeefster [benadeelde 1] vertelt over hoe 2,5 jaar later haar leven nog steeds anders is dan voor de aanval en dat haar gevoel van veiligheid van haar is afgenomen. Ze leeft met een angst om opnieuw te worden aangevallen en is een deel van haar vrijheid verloren door het handelen van verdachte. De dochter van aangeefster [benadeelde 2] heeft namens haar een slachtofferverklaring opgesteld. Zij vertelt dat haar moeder zwaar getraumatiseerd is en dat haar leven bestaat uit overleven. Zij leeft constant in angst en herbeleeft de gebeurtenissen elke keer opnieuw. Ze kan slecht slapen en is ook in de nacht steeds bezig met haar veiligheid. Haar moeder is nog een schim van wie ze was. Ze belt haar dochter meerdere malen per week in paniek op, omdat ze niet meer door kan en wil leven. De zingeving is uit haar leven weggerukt. Zelf zegt ze dat haar ziel is verdwenen.
Het handelen van verdachte heeft een verwoestend effect gehad, niet alleen op het leven van de slachtoffers, maar ook op het leven van de mensen om hen heen. Verdachte heeft in hoger beroep eerlijk willen zijn, maar is er niet in geslaagd uit te kunnen leggen hoe hij tot zijn daden kon komen en wat hem daartoe dreef, anders dan boosheid en verdovende middelen.
Persoon van verdachte
In het dossier bevindt zich veel informatie over de persoon van verdachte. Allereerst vindt het hof het van belang om het strafblad van verdachte van 5 november 2025 te benoemen. Uit dit strafblad blijkt onder andere dat verdachte in 2010 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar voor een verkrachting. Ook is hij eens veroordeeld voor een bedreiging met verkrachting. Daarnaast is verdachte vaak veroordeeld voor vermogensdelicten. Het hof zal met die eerdere veroordelingen, en dan met name met de eerdere veroordeling voor verkrachting, in strafverzwarende zin rekening gehouden.
Daarnaast zitten er veel rapporten en adviezen over de persoon van verdachte in het dossier. Een aantal daarvan is opgemaakt in het kader van deze strafzaak, en ook een groot deel in het kader van andere strafzaken. In eerste aanleg is verdachte in het kader van deze zaak geobserveerd in het Pieter Baan Centrum. Verdachte heeft toen zijn medewerking geweigerd. De rapportages die in het kader van andere strafzaken over verdachte zijn uitgebracht, hebben met elkaar overeen dat verdachte telkens systematisch heeft geweigerd om medewerking te verlenen aan onderzoek naar zijn persoon.
Verdachte heeft in hoger beroep zijn procespositie gewijzigd. Verdachte wil nu wel meewerken aan onderzoek. Verdachte is om die reden in hoger beroep onderzocht door [psychiater] en [psycholoog] . Zij hebben vervolgens gerapporteerd. [psycholoog] op 2 mei 2025 en [psychiater] op 19 mei 2025.
[psycholoog] beschrijft dat verdachte moeite heeft met lezen en schrijven en met geldbeheer. Ook blijven zijn executieve functies (planning en prioriteit) achter. Hij is beperkt in reflecteren en niet in staat informatie overzichtelijk en chronologisch te vertellen. Hij heeft problemen op het vlak van emotieregulatie en een neiging zich door anderen te laten beïnvloeden. Verdachte is slechts in beperkte mate in staat om zelfstandig een huishouden te organiseren en zijn financiën te beheren en is hiervoor van anderen afhankelijk. Binnen een externe structuur functioneert hij zonder noemenswaardigheden. [psycholoog] concludeert op basis hiervan dat bij verdachte sprake is van een verstandelijke ontwikkelingsstoornis, licht van ernst. Ook concludeert hij dat sprake is van stoornissen in het gebruik van cocaïne en alcohol, beide matig dan wel ernstig. De deskundige beschrijft dat er een langdurig patroon is van gebruik van beide middelen dat leidde tot problemen op meerdere levensgebieden die behandeling behoeven. In de persoonlijkheid van verdachte worden verder antisociale trekken geconstateerd. De deskundige benoemt dat de persoonlijkheid van verdachte zich kenmerkt door een beperkte emotieregulatie en impulsbeheersing waardoor er vaak sprake is van grensoverschrijdend gedrag. Hij spreekt weliswaar met de deskundige over gevoelens van schaamte en spijt als hij praat over de feiten, maar legt de oorzaak gedeeltelijk buiten zichzelf door te wijzen op zijn middelengebruik voorafgaand aan de delicten. De deskundige beschrijft dat verdachte tijdens meerdere detenties als vriendelijk werd ervaren, maar opviel doordat hij vijandig, impulsief en agressief reageerde als hij zich benadeeld voelde. Er zijn te weinig gronden voor een separate classificatie voor een antisociale persoonlijkheidsstoornis, onder meer omdat enkele persoonlijkheidstrekken ook deels worden verklaard door de licht verstandelijke beperking en daarbij het middelengebruik zijn antisociale gedrag versterkt. De deskundige beschrijft vervolgens dat er een verband bestaat tussen de stoornissen en de feiten. Verdachtes gerichtheid op de korte termijn, egocentrisme en gebrek aan empathie spelen een rol. Hij leeft zich onvoldoende in vanuit zijn verstandelijke beperking en zijn antisociale trekken. Daarbij verzwakt het gebruik van middelen zijn toch al zwakke impulscontrole.
[psychiater] beschrijft bij verdachte een ernstige afhankelijkheid van alcohol en een matig tot ernstige afhankelijkheid van cocaïne. Daarbij classificeert [psychiater] ook een stoornis in het gebruik van cannabis, gezien diverse aanwijzingen voor het persisterende gebruik daarvan. Ook neemt hij ernstige beperkingen in de cognitieve vermogens van verdachte waar, die een structureel karakter tonen. Verdachte is geneigd zijn eigen functioneren te overschatten. Hij is in belangrijke mate afhankelijk van anderen om zich staande te houden. Gezien wordt dat hij in periodes waarin hij extern gestut wordt het beste functioneert. Over het emotionele en sociale niveau waarop verdachte functioneert beschrijft de deskundige dat hij een beperkt emotioneel functioneren toont, en sprake is van een gebrek aan empathische en reflecteren de vermogens. Daarbij wordt hij meermaals door anderen uitgebuit en is niet in staat zijn gezondheid te behartigen. De deskundige noemt de wijze van omgaan met de geboorte van de zoon van verdachte opvallend. Verdachte beschrijft zich verbonden te voelen met hem, maar in de praktijd wordt geen enkel teken van toenadering of werkelijk verbinding gezien of beschreven. Verdachte ontkent bij de politie een kind te hebben. Dit roept volgens de deskundige de vraag op in hoeverre hij in staat is zich te verplaatsen in de behoeftes en gedachte van anderen. De deskundige stelt vast dat sprake is van een licht verstandelijke beperking. Vervolgens beschrijft de deskundige dat de diagnose antisociale persoonlijkheidsstoornis is overwogen. Verdachte valt meermaals nagenoeg aansluitend op detentie terug in het plegen van strafbare feiten. Ook heeft hij tot op heden zijn medewerking geweigerd aan enige vorm van forensische zorg. Verder noemt de deskundige als risicofactor voor een verstoorde persoonlijkheidsontwikkeling de matige hechting van verdachte aan met name zijn vader en het opgroeien in wisselende gezinnen. De deskundige benoemt dat verdachte zijn medewerking aan het onderzoek verklaart vanuit (onder meer) een wens de slachtoffers te helpen, maar dat er geen duidelijke tekenen van een doorleeft gevoel van berouw of lijdensdruk worden waargenomen. Dit kan echter ook goed worden verklaard door een beperkte sociaal-emotionele ontwikkeling in samenhang met de verstandelijke beperking van verdachte. Daarom vindt ook [psychiater] het voorbarig om van een antisociale persoonlijkheidsstoornis te spreken. Hij classificeert volledigheidshalve wel antisociaal gedrag voor een volwassene. De deskundige benoemt dat de licht verstandelijke beperking geacht wordt vanaf de geboorte aanwezig te zijn. Ook zijn de verslavingsstoornissen structureel aanwezig vanaf het achttiende jaar van verdachte. Ook deze deskundige beschrijft een verband tussen de delicten en stoornissen van verdachte. Tijdens het plegen van alle feiten was hij onder invloed van alcohol, deels ook cocaïne en vermoedelijk cannabis. Dat middelengebruik werkte ontremmend. Ook is zijn impulsbeheersing beperkt als gevolg van zijn beperkte sociaal-emotionele vermogens en verstandelijke beperking. Verdachtes gewetensfunctie is onderontwikkeld, waardoor hij een beperkt vermogen heeft tot empathie en een neiging tot egocentrisme. Dit heeft doorgewerkt in de totstandkoming van de delicten.
Het hof kan zich verenigen met de bevindingen en conclusies van de deskundigen. Daarom stelt het hof vast dat bij verdachte sprake is van ziekelijke stoornissen in de vorm van een verstandelijke ontwikkelingsstoornis, licht van ernst, matig tot ernstige stoornissen in het gebruik van cocaïne en alcohol, en een lichte stoornis in het gebruik van cannabis. Deze stoornissen waren tijdens het bewezenverklaarde aanwezig.
Gevangenisstraf
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige feiten. Het hof is van oordeel dat alleen de oplegging van een langdurige gevangenisstraf een passende en geboden reactie is op deze feiten. Het hof houdt rekening met verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten aanzien van de feiten maar anderzijds ook met het gegeven dat verdachte eerdere veroordelingen voor zeden- , vermogens- en geweldsfeiten op zijn conto heeft. Het hof zal naast een gevangenisstraf, zoals hieronder wordt uitgelegd, ook de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opleggen. Dit gegeven is ook betrokken in de afweging van de lengte van de gevangenisstraf.
Het hof heeft gelet op alles wat hiervoor is overwogen over de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van de verdachte. Het hof komt net als de rechtbank, maar anders dan de advocaat-generaal, tot de conclusie dat een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting.
Maatregel terbeschikkingstelling
Op de zitting van het hof heeft de raadsman – kort gezegd – aangevoerd dat hoewel er aan de vereisten voor een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege is voldaan, een terbeschikkingstelling onder voorwaarden meer aangewezen is.
Het hof benoemt dat aan vier voorwaarden moet zijn voldaan om verdachte de maatregel terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen. [4]
Allereerst moet bij de verdachte tijdens de feiten sprake te zijn van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. De feiten moeten in de tweede plaats een misdrijven betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld of behoren tot een van de misdrijven zoals specifiek in de wet zijn vermeld. Als derde voorwaarde moet de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen. Tot slot kan de maatregel alleen worden opgelegd als de rechter beschikt over adviezen van gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die verdachte hebben onderzocht.
Het hof heeft hiervoor al op basis van adviezen van gedragsdeskundigen, waaronder een psychiater, vastgesteld dat bij verdachte sprake is van stoornissen die tijdens de feiten aanwezig waren. Ook is sprake van tbs-waardig delicten: de bewezenverklaarde feiten zijn misdrijven waarop (minimaal) vier jaar gevangenisstraf is gesteld.
Over het recidiverisico zet het hof het volgende uiteen.
De deskundigen schatten het risico op recidive in als hoog. De interne verandermogelijkheden bij verdachte zijn beperkt. Hij heeft eerder langere detenties doorgemaakt om vervolgens terug te vallen in delictgedrag. De risicofactoren voor delictgedrag zijn structureel aanwezig bij verdachte, terwijl hij niet geneigd is hulp te zoeken. De kans op recidive wordt vergroot doordat verdachte vanuit zijn verstandelijke beperking vooral kortetermijndoelen nastreeft en daarbij onvoldoende oog heeft voor de rechten en grenzen van anderen. Het middelengebruik vergroot die kans verder omdat verdachte onder invloed (nog) minder remmingen heeft. Bij het uitblijven van een kader is het volgens de deskundigen een waarschijnlijk scenario dat verdachte vol goede voornemens de gevangenis verlaat, open staat voor praktische begeleiding maar geen noodzaak meer ervaart voor structurele behandeling binnen de ggz. Op korte termijn kan hij zich mogelijk nog wel handhaven, maar op langere termijn zal hij bij nieuwe voor hem stressvolle situaties opnieuw de neiging krijgen naar middelen te grijpen. Vanuit die cyclus kan weer de situatie ontstaan waarin hij onvoldoende grip heeft op zijn eigen gedrag en dan tot strafbare feiten komt. Vanwege zijn verstandelijke beperking is de kans dat stressvolle situaties ontstaan bij verdachte veel groter dan bij de gemiddelde persoon. Daarbij is hij door zijn sociaal emotionele achterstand niet goed in staat gebleken om duurzame relaties te vormen, zowel intiem als vriendschappelijk. Hierdoor is zijn sociale netwerk en daarmee zijn vangnet klein. Dat vergroot zijn risico op problemen bij stressvolle situaties.
De deskundigen beschrijven dat verdachte gebaat is bij een klinische behandeling in een kliniek met ervaring met de combinatie van verstandelijke beperking, persoonlijkheidspathologie en verslavingsgedrag. Ook zal er expertise in behandeling van zedendelicten moeten zijn. Daarbij zal vooral gedragsmatig moeten worden ingestoken. Aandacht is nodig voor verdachtes houding naar vrouwen en omgang met seksualiteit. Zijn bewustheid van risico’s en nadelen van middelengebruik moet worden vergroot en ook moet aandacht zijn v oor het vergroten van zijn (gezonde) copingvaardigheden en het herkennen van probleemgedrag en risicovolle situaties. Ook zal de behandeling gericht moeten worden op het versterken van de externe structuur om verdachte heen. Verdachte zal langdurig afhankelijk zijn van een externe structuur om een pro-sociaal leven op te bouwen. Abstinentie van middelen is noodzakelijk.
Over de vraag in wat voor kader een dergelijke behandeling plaats moet hebben noemen de deskundigen dat alleen een stringent kader zoals een tbs voldoende waarborgen geeft om de hoge kans op recidive van een soortgelijk delict te verminderen. Een terbeschikkingstelling met voorwaarden voldoet niet. De kans dat verdachte in staat is langdurig voorwaarden na te leven is klein. Hij ziet weliswaar in dat hij recidive moet voorkomen, maar heeft onvoldoende inzicht en besef dat verandering van zijn gedrag noodzakelijk is om dit te bereiken. Ook heeft hij door zijn gerichtheid op de korte termijn moeite om langetermijndoelen zoals abstinentie na te leven. Daarbij is hij niet in staat om problemen te overzien en evenmin om hier adequaat op de reflecteren. Het is aannemelijk dat dit zal leiden tot een situatie waarin verdachte niet kan voldoen aan de benodigde voorwaarden en het recidiverisico onvoldoende zal worden afgedekt. De deskundigen adviseren oplegging van een terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Dit is de enige maatregel die resteert om het recidiverisico voldoende af te dekken. Volgens de deskundigen ontbreekt het vertrouwen in een behandeling in een minder stringent kader.
Het hof stelt aan de hand van de adviezen van de deskundigen vast dat het herhalingsgevaar, en daarmee het gevaar dat verdachte vormt voor de veiligheid van anderen, hoog is. Verdachte vormt een onaanvaardbaar risico voor de samenleving en behandeling is noodzakelijk. Een terbeschikkingstelling met voorwaarden biedt onvoldoende waarborgen om het risico in voldoende mate te kunnen beheersen. Het opstellen van een maatregelenrapport, zoals door de raadsman verzocht, vindt het hof dus niet nodig. Het hof acht alles afwegend het juridisch kader van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege het enige passende en noodzakelijke kader, waar zowel verdachte als de maatschappij baat bij zullen hebben.
De maatregel wordt opgelegd wegens een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De duur van de maatregel terbeschikkingstelling is daarom niet gemaximeerd en kan een periode van vier jaren te boven gaan.
Het hof ziet verder geen aanleiding een advies te geven over het tijdstip waarop de terbeschikkingstelling aan zal vangen. Vanwege de aard en de ernst van de delicten oordeelt het hof dat eerst de onvoorwaardelijke gevangenisstraf op reguliere wijze ten uitvoer gelegd moet worden en dat pas daarna de terbeschikkingstelling zal starten.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De vordering
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 53.998,58 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 24.736,64. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat de vordering wordt gehandhaafd, maar dan voor een lager bedrag, namelijk € 52.039,16. Dit bedrag bestaat uit € 35.694,00 aan immateriële schade en € 16.345,16 aan materiële schade. Het hof moet een beslissing nemen over de gevorderde schadevergoeding.
De gestelde materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
1. € 5.006,31 aan medische kosten, bestaande uit:
1.1 € 1.755,58
kosten betreffende het eigen risico van de ziektekostenverzekering voor de jaren 2023 en 2024;
1.2 € 3.099,23
kosten voor het plaatsen van een implantaat (kies);
1.3 € 25,00
kosten paracetamol en crème tegen blauwe plekken;
1.4 € 100,00
kosten luisterboeken;
1.5 € 26,50
kosten zelfhulpboek (op advies van een psycholoog);
2. € 207,50 aan inbeslaggenomen kleding, bestaande uit:
2.1 € 50,00
kosten donsjack;
2.2 € 100,00
kosten spijkerbroek en leren riem;
2.3 € 12,50
kosten T-shirt;
2.4 € 25,00
kosten ondergoed;
2.5 € 20,00
kosten pet;
3. € 9.697,80 aan verhuiskosten, bestaande uit:
3.1 € 695,00
opstartkosten [makelaar] verkoop woning [plaats 2] ;
3.2 € 3.750,00
courtage [makelaar] verkoop woning [plaats 2] ;
3.3 € 175,45
administratiekosten overdracht VvE;
3.4 € 410,00
kosten notaris / kadaster woning [plaats 2] ;
3.5 € 596,65
kosten notaris / kadaster nieuwe woning;
3.6 € 3.549,99
kosten [makelaar] aankoop nieuwe woning;
3.7 € 390,00
kosten bouwtechnische keuring nieuwe woning;
3.8 € 130,71
kosten verhuisbus;
4. € 337,45 aan kosten betreffende de beveiliging van de nieuwe woning, bestaande uit:
4.1 € 302,50
kosten extra hang- en sluitwerk;
4.2 € 34,95
kosten buitenlamp met bewegingssensor;
5. € 749,69 aan diverse kosten, bestaande uit:
5.1 € 374,50
kosten terugbetaling fietsvergoeding in verband met verhuizing;
5.2 € 25,00
kosten hang- en sluitwerk schutting woning [plaats 2] ;
5.3 € 52,75
kosten Kubutan, Monkeyfist;
5.4 € 22,44
kosten alarm op jas, driemaal;
5.5 € 100,00
kosten Krav Maga, privéles;
5.6 € 175,00
kosten Krav Maga zelfverdedigingscursus;
6. Toekomstige kosten: deze post is in hoger beroep ingetrokken.
7. € 346,41 aan reiskosten, bestaande uit:
7.1 € 91,08
reiskosten (naar) advocaat (totaal drie reizen);
7.2 € 105,27
reiskosten (naar) tandarts / implantoloog (totaal zeven reizen);
7.3 € 118,80
reiskosten naar) psycholoog EMDR (totaal zes reizen);
7.4 € 31,26
reiskosten (naar) centrum voor seksueel geweld / vaccinaties en bloedonderzoek (vier reizen).
Standpunten partijen
Op de zitting van het hof heeft de advocaat-generaal gevorderd de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen.
De raadsman heeft verzocht het gestelde bedrag aan immateriële kosten te matigen en te schatten naar billijkheid. Ten aanzien van de gestelde materiële kosten heeft de raadsman het volgende verzocht:
Niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in de vordering ten aanzien van de volgende kosten wegens het ontbreken van een (voldoende) onderbouwing van deze kosten:
  • de medische kosten zoals hiervoor genoemd onder 1.3;
  • alle onder 2. genoemde kosten aan inbeslaggenomen kleding;
  • de onder 7.2 en 7.3 genoemde reiskosten.
Niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in de vordering ten aanzien van de volgende kosten wegens het ontbreken van een rechtstreeks verband tussen de feiten en de gestelde kosten:
  • de medische kosten genoemd onder 1.2, 1.4 en 1.5 (waarbij is opgemerkt dat de optelsom van de bol.com boeken niet op € 100,- uitkomt);
  • alle onder 4. genoemde kosten betreffende de beveiliging van de nieuwe woning;
Niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in de vordering ten aanzien van de volgende kosten wegens het ontbreken van een (voldoende) onderbouwing van deze kosten, althans wegens het ontbreken van een rechtstreeks verband tussen de verdenking en de gestelde kosten:
  • alle onder 3. genoemde verhuiskosten;
  • alle onder 5. genoemde diverse kosten.
Oordeel hof
Het hof zal de schade per post bespreken.
Medische kosten
De onder 1.1 gestelde kosten zijn voldoende onderbouwd en niet weersproken. Het hof zal die post toewijzen.
Ten aanzien van de kosten voor het plaatsen van een implantaat (1.2) overweegt het hof dat bewezen is verklaard dat de benadeelde partij hard op haar hoofd en oren is geslagen door verdachte. Daarbij is de schade onderbouwd met een e-mail van de tandartspraktijk van de benadeelde partij, waaruit blijkt dat haar kies voor de aanval in goede staat is en door de aanval is gebroken en als verloren moet worden beschouwd. Het hof ziet geen reden om de deskundigheid van de tandartspraktijk in twijfel te trekken, zoals door de raadsman is aangevoerd. Het bedrag van het implantaat blijkt uit de bijgevoegde begroting. Dat er de ene keer wordt gesproken over een losgeslagen kies, dan over een afgebroken kies en dan over een verloren kies betreft slechts een semantisch onderscheid waarbij telkens hetzelfde wordt bedoeld. Het hof volgt het verweer van de raadsman dat het rechtstreekse verband ontbreekt niet en zal deze post toewijzen.
De onder 1.3 gestelde kosten paracetamol en crème tegen blauwe plekken is niet onderbouwd met stukken. Het hof acht het echter uit de aard van de zaak en het bewezenverklaarde evident dat de benadeelde partij paracetamol en crème tegen blauwe plekken nodig heeft gehad. Verdachte heeft de benadeelde partij hard geslagen en uit het dossier en de daarin aanwezige foto’s blijkt dat zij als gevolg daarvan veel (diep)blauwe plekken had. Het bedrag dat daarvoor is gevorderd komt het hof niet onredelijk voor, zodat het hof dit bedrag met gebruikmaking van de schattingsbevoegdheid zal toewijzen.
De posten onder 1.4 (luisterboeken) en 1.5 (zelfhulpboek) zal het hof ook toewijzen. Het hof oordeelt dat deze kosten een rechtstreeks verband hebben met het feit en acht deze kosten toewijsbaar op dezelfde wijze als bijvoorbeeld (slaap)medicatie en therapie voor toewijzing in aanmerking kunnen komen. De luisterboeken en een zelfhelpboek dienen immers hetzelfde doel. Daarbij wordt in de methodiek van de pscyho-praktijk het zelfhulpboek ook als onderdeel van de behandeling genoemd. Ten aanzien van de luisterboeken heeft de raadsman aangevoerd dat het bedrag opgeteld niet op € 100,- uitkomt. Het hof overweegt dat het opgetelde bedrag hoger is dan € 100,- en zal deze post dus volledig toewijzen.
Kosten aan inbeslaggenomen kleding
De door de benadeelde partij gestelde schade aan kleding komt voor vergoeding in aanmerking. De door [benadeelde 2] ten tijde van de verkrachting gedragen kleding is inbeslaggenomen en het hof acht het net als de rechtbank alleszins redelijk en begrijpelijk dat het slachtoffer deze kleding niet terug wil hebben. Bovendien is aannemelijk dat kledingstukken beschadigd zijn geraakt doordat verdachte het slachtoffer heeft meegetrokken de bosjes in, waarbij het slachtoffer op de grond is terechtgekomen en in de bosjes een worsteling heeft plaatsgevonden.
Het gevorderde bedrag is niet onderbouwd met stukken. Het gevorderde bedrag komt het hof echter niet onredelijk voor, zodat het hof dit bedrag, gebruikmakend van de schattingsbevoegdheid, volledig zal toewijzen.
Verhuiskosten
De verhuiskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Net als de rechtbank, overweegt het hof daartoe dat de benadeelde partij in de directe nabijheid van haar woning is verkracht, waarbij verdachte tegen haar heeft gezegd dat hij op het slachtoffer heeft gewacht en haar heeft gevolgd en dat hij weet waar het slachtoffer woont. Gelet hierop is het zeer goed voorstelbaar dat het slachtoffer zich niet langer veilig voelde in haar eigen woning en is verhuisd. Daarbij woonde de benadeelde partij al jarenlang naar tevredenheid in haar woning en was zij niet van plan te verhuizen. Naar het oordeel van het hof is voldoende gebleken van een causaal verband tussen de onder 1 en 2 bewezen verklaarde gedragingen van verdachte en de gestelde schade in verband met de verhuizing van het slachtoffer. Het hof acht alle bedragen voldoende onderbouwd en zal deze toewijzen.
Kosten betreffende de beveiliging van de nieuwe woning
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de gevorderde schade met betrekking tot de posten 4.1 en 4.2 (hang- en sluitwerk, buitenlamp met bewegingssensor) voor toewijzing in aanmerking komen. Onderbouwd is dat PTSS is gediagnostiseerd en dat deze maatregelen en kosten dienen om de angstgevoelens die de benadeelde partij continu heeft te verminderen. Het hof overweegt dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezenverklaarde gedragingen van verdachte hevige gevoelens van angst en onveiligheid heeft ervaren. Deze gevoelens waren dusdanig dat zij heeft moeten verhuizen naar een andere woning. Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij deze kosten bij haar nieuwe woning heeft gemaakt als gevolg van de bewezen verklaarde feiten, om het ontstane gevoel van angst en onveiligheid te verminderen. Dat verdachte niet van het adres van de nieuwe woning op de hoogte was is kennelijk onvoldoende gebleken om haar hevige gevoelens van angst te verminderen. De kosten komen voor toewijzing in aanmerking.
Diverse kosten
Ten aanzien van de diverse kosten overweegt het hof het volgende. De kosten die zijn gevorderd voor het terugvorderen van de fietsvergoeding in verband met de verhuizing (5.1) zal het hof afwijzen. Deze kosten zijn kennelijk onterecht uitbetaald en komen dus niet voor toewijzing in aanmerking. De overige kosten (5.2 tot en met 5.6) zal het hof alle toewijzen. Voor wat betreft de beveiliging van de vorige woning (5.2) overweegt het hof dat deze kosten die kennelijk voorafgaand aan de verhuizing zijn gemaakt toewijsbaar zijn op dezelfde gronden als de beveiliging van de nieuwe woning. Van deze kosten (€ 25,-) is echter geen factuur bijgevoegd. Het hof acht deze kosten niet onredelijk en zal deze post met gebruikmaking van de schattingsbevoegdheid toewijzen. De overige kosten betreffen allemaal kosten die het de benadeelde partij mogelijk maken een iets vrijer leven te leiden, ondanks haar hevige angsten, en staan daarom in rechtstreeks verband met de feiten. Het hof overweegt dat niet alle kosten zijn onderbouwd. De kosten van de Krav Maga zelfverdedigingscursus (€ 175,-) zijn onderbouwd, evenals de kosten van het alarm op de jas (€ 22,44). Van de Krav Maga privéles (5.5) is echter geen onderbouwing in de vorm van een factuur aangetroffen, en evenmin van de Kubutan Monkeyfist (5.3). Het hof acht deze kosten toch toewijsbaar, mede gelet op de brief van de [praktijk] van de benadeelde partij waarin bij behandeldoelen wordt gesproken over het doorbreken van veiligheidsgedrag dat de benadeelde partij als gevolg van de feiten laat zien. Het aanschaffen van een Monkeyfist en tevens het volgen van Krav Maga privélessen passen daar bij. Het hof zal deze schade gebruikmakend van de schattingsbevoegdheid volledig toewijzen.
Reiskosten
De gevorderde reiskosten naar de advocaat (7.1) kunnen niet worden aangemerkt als schade die benadeelden rechtstreeks hebben geleden als gevolg van de bewezenverklaarde feiten. Dit zijn geen redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in de wet. [5] Voor vergoeding van die kosten bestaat geen wettelijke grondslag. Het hof zal die kosten daarom afwijzen. De reiskosten naar de tandarts / implantoloog (7.2, zeven reizen) zijn niet onderbouwd met stukken. Uit het dossier is echter voldoende gebleken dat de benadeelde partij een implantaat heeft moeten laten plaatsen. Het hof acht de schade aannemelijk en wijst deze toe. De reiskosten naar de psycholoog EMDR (7.3) zijn deels onderbouwd met stukken; in hoger beroep zijn de nota’s van vier afspraken ingediend. Uit de stukken blijkt ook een behandelplan van [praktijk] , waarin meerdere therapievormen zijn opgenomen, waaronder EMDR. Het hof acht de schade aannemelijk en wijst deze toe. Het hof zal de reiskosten naar het centrum voor seksueel geweld tot slot toewijzen (7.4). Deze schade is veroorzaakt door het onder 1 en 2 tenlastegelegde, de benadeelde partij heeft (de hoogte van) de schade voldoende onderbouwd en de verdediging heeft deze schade niet betwist.
Immateriële schade
De benadeelde partij is gewelddadig door verdachte verkracht en is daarbij tevens (fysiek) mishandeld. Ook heeft verdachte gepoogd haar van het leven te beroven. Als gevolg hiervan heeft zij psychische schade in de vorm van PTSS opgelopen. Ook heeft zij fysiek letsel opgelopen. Uit de indrukwekkende spreekrechtverklaring blijkt dat zij tot op heden op vele vlakken van haar leven de gevolgen van verdachtes handelen nog dagelijks ondervindt. Naar het oordeel van het hof staat vast dat de benadeelde partij als gevolg van dit handelen op grove wijze is aangetast in haar persoon, zodat zij in aanmerking komt voor vergoeding van immateriële schade.
Gelet op alle omstandigheden stelt het hof de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vast op een bedrag van € 25.000,-. Bij de bepaling van dit bedrag heeft het hof de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt laten meewegen en ook gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in (enigszins) vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Daarbij heeft het hof acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, en dan in het bijzonder op het hoofdstuk dat ziet op de posttraumatische stressstoornis, categorie ‘(b) ernstig.’ Het hof zal de vordering voor het meer gevorderde afwijzen.
Conclusie
Het hof komt dus tot de conclusie dat op de zitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het in de zaak met parketnummer 16-176993-23 onder 1, 2 primair en 3 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte en zal de vordering toewijzen voor € 40.879,58, bestaande uit € 15.879,58 aan materiële schade en € 25.000,- aan immateriële schade. Het hof zal de vordering vermeerderen met de wettelijke rente en voor het overige afwijzen. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Vordering
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.637,04 ingediend. Dit bedrag bestaat uit € 1.000,00 aan immateriële schade en € 637,04 aan materiële schade. De rechtbank heeft dit bedrag geheel toegewezen.
De materiële schade van € 637,04 bestaat uit de volgende bedragen:
  • € 385,00 aan kosten betreffende het eigen risico van de ziektekostenverzekering voor het jaar 2023, in verband met psychologische zorg;
  • € 175,27 aan kosten betreffende het eigen risico van de ziektekostenverzekering voor het jaar 2024, in verband met psychologische zorg;
  • € 20,13 aan reiskosten in verband met bezoeken aan een psycholoog;
  • € 21,65 aan reiskosten in verband met een slachtoffergesprek;
  • € 34,99 aan kosten ter vergoeding van een inbeslaggenomen beha.
Standpunten partijen
Op de zitting van het hof heeft de advocaat-generaal gevorderd de vordering geheel toe te wijzen. Ten aanzien van de materiële schade heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. De raadsman heeft verzocht de hoogte van de gestelde immateriële schade te matigen en te schatten naar billijkheid.
Oordeel hof
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het in de zaak met parketnummer 16-273227-23 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Verdachte moet die schade vergoeden. Het hof zet daartoe het volgende uiteen:
Materiële schade
De gestelde materiële schade van in totaal € 637,04 is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd en door de verdediging niet weersproken. Het hof zal dit bedrag aan materiële schade toewijzen.
Immateriële schade
Vaststaat dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als gevolg van het hiervoor in de zaak met parketnummer 16-273227-23 bewezenverklaarde psychische schade heeft opgelopen, zodat zij in aanmerking komt voor vergoeding van immateriële schade. In hoger beroep is namens haar het spreekrecht uitgeoefend. Daaruit blijkt dat de benadeelde partij tot op heden de gevolgen van de aanval ondervindt. De ingediende vordering is voldoende onderbouwd en het hof acht het gevorderde bedrag aan immateriële schade van € 1.000,00 billijk. Het hof zal de vordering toewijzen.
Conclusie
Het hof komt dus tot de conclusie dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het in de zaak met parketnummer 16-273227-23 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte en zal de vordering geheel toewijzen, te weten een bedrag van € 1.637,04, bestaande uit € 1.000,00 aan immateriële schade en € 637,04 aan materiële schade. Het hof zal de vordering vermeerderen met de wettelijke rente. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Vordering tot tenuitvoerlegging

In de zaak met parketnummer 16-111148-21 is verdachte op 17 december 2021 door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld. Aan verdachte is toen een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd van twee weken, met een proeftijd van twee jaren. Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke gevangenisstraf.
Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde. Op de zitting van het hof heeft de advocaat-generaal gevorderd de vordering af te wijzen.
Het hof wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af. Aan verdachte is een lange gevangenisstraf en een tbs-maatregel met dwangverpleging opgelegd. Het hof vindt het daarom niet passend dat na het beëindigen van deze straf en maatregel de voorwaardelijk aan verdachte opgelegde gevangenisstraf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.

Wetsartikelen

De straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45, 57, 62, 242 (oud), 282, 287 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 16-176993-23 onder 1, 2 primair en 3 en in de zaak met parketnummer 16-273227-23 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 16-176993-23 onder 1, 2 primair en 3 en in de zaak met parketnummer 16-273227-23 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
8 (acht) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast dat de verdachte
ter beschikking wordt gestelden beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-176993-23 onder 1, 2 primair en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 40.879,58 (veertigduizend achthonderdnegenenzeventig euro en achtenvijftig cent) bestaande uit € 15.879,58 (vijftienduizend achthonderdnegenenzeventig euro en achtenvijftig cent) materiële schade en € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-176993-23 onder 1, 2 primair en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 40.879,58 (veertigduizend achthonderdnegenenzeventig euro en achtenvijftig cent) bestaande uit € 15.879,58 (vijftienduizend achthonderdnegenenzeventig euro en achtenvijftig cent) materiële schade en € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 239 (tweehonderdnegenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 16 juli 2023.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-273227-23 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.637,00 (duizend zeshonderdzevenendertig euro) bestaande uit € 637,00 (zeshonderdzevenendertig euro) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-273227-23 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.637,00 (duizend zeshonderdzevenendertig euro) bestaande uit € 637,00 (zeshonderdzevenendertig euro) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 26 (zesentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 6 juli 2023.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van het Parket OVJ Midden-Nederland, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 17 december 2021, parketnummer 16-111148-21, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee weken..
Dit arrest is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. G.A. Versteeg en mr. G. Souer, in aanwezigheid van de griffier mr. D. de Jong en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 22 december 2025.

Voetnoten

1.Overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
2.Hoge Raad 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1165.
3.Artikel 37b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
4.Artikelen 37a en 37b Wetboek van Strafrecht.
5.Artikel 6:96, tweede lid, onder b van het Burgerlijk Wetboek.