Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2025:8427

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
200.345867/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:30 lid 1 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BWArt. 21 RvArt. 7:3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over voortgezette huurovereenkomst en achterstallige huurbetalingen chalet op vakantiepark

Appellant kocht in mei 2013 een perceel grond met chalet op een vakantiepark als belegging. Hoewel de concepthuurovereenkomst niet werd ondertekend, ontving appellant maandelijks een vast rendement van 8% van de koopsom. Partijen twisten of sprake is van een huurovereenkomst met Succesparken of een beheersovereenkomst met Horsterland.

Het hof oordeelt dat op basis van de gedragingen en afspraken tussen partijen een huurovereenkomst met Succesparken tot stand is gekomen en voortgezet is tot 20 mei 2024. Succesparken heeft nagelaten het chalet tijdig op te leveren en de huur te voldoen. De vordering van appellant tot betaling van achterstallige huurpenningen wordt toegewezen.

De boetevordering van appellant tegen Horsterland wordt afgewezen omdat de boetebepaling niet ten gunste van appellant is geschreven. Horsterland wordt veroordeeld tot betaling van achterstallige servicekosten. De proceskosten worden verdeeld waarbij Succesparken wordt veroordeeld tot betaling aan appellant en appellant tot betaling aan Horsterland in incidenteel hoger beroep.

Uitkomst: Het hof oordeelt dat een huurovereenkomst met Succesparken is gesloten en voortgezet tot mei 2024, wijst achterstallige huurpenningen toe en veroordeelt Succesparken tot betaling, terwijl de boetevordering tegen Horsterland wordt afgewezen en Horsterland wordt veroordeeld tot betaling van achterstallige servicekosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.345.867
zaaknummer rechtbank Gelderland 10960894
arrest van 16 december 2025
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. I.I. Feenstra
en

1.Bungalowpark “Horsterland” B.V.

die gevestigd is in Ermelo
2. Succesparken Service B.V.
die gevestigd is in Voorst,
advocaat: mr. G.J.G. Olijslager

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellant] heeft bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 12 juni 2024 dat de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven
  • de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep tevens vermeerdering van eis in reconventie
  • de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 14 november 2025 is gehouden.

2.De kern van de zaak

2.1.
[appellant] heeft in mei 2013 van Horsterland een perceel grond met een chalet in een vakantiepark gekocht. [appellant] heeft met de heer [directeur Horsterland en succesparken] , directeur van Horsterland en Succesparken, gesproken over een overeenkomst waarbij [appellant] het chalet zou verhuren aan Succesparken, die op haar beurt voor verhuur aan derden zou zorgen. Succesparken zou [appellant] daarvoor een huurprijs van € 743,80 per maand betalen. De concepthuurovereenkomst waarin dit was vastgelegd is niet ondertekend omdat partijen op een aantal punten van mening verschilden. Op 5 juni 2014 heeft [appellant] het laatste deel van de koopsom betaald. Vanaf die datum is het chalet zonder bemoeienis van [appellant] verhuurd en is Horsterland aangevangen met de betaling van € 743,80 per maand aan [appellant] .
2.2.
Partijen twisten over de vraag met wie [appellant] een overeenkomst heeft gesloten. Volgens [appellant] heeft hij met Succesparken een huurovereenkomst gesloten met dezelfde inhoud als de niet getekende conceptovereenkomst. Die huurovereenkomst is volgens hem voortgezet tot 20 mei 2024, de datum waarop de laatste huurder het chalet heeft verlaten. Volgens Horsterland en Succesparken was sprake van een beheersovereenkomst met Horsterland. Die overeenkomst is in verband met een opzegging door [appellant] op 1 juni 2019 geëindigd.
2.3.
De kantonrechter heeft in conventie geoordeeld dat geen huurovereenkomst tot stand is gekomen en de op die grondslag gebaseerde vorderingen van [appellant] op Succesparken afgewezen. Daarom heeft [appellant] in hoger beroep een subsidiaire grondslag aan zijn vorderingen toegevoegd, namelijk een (voortgezette) beheersovereenkomst met Horsterland. Kort gezegd wil [appellant] dat het hof Succesparken dan wel Horsterland veroordeelt tot betaling van de achterstallige maandbetalingen van € 743,80 over de periode van 1 september 2018 tot 20 mei 2024 (in totaal € 42.396,60).
In reconventie vroeg Horsterland betaling van achterstallige servicekosten over het jaar 2020. De kantonrechter heeft die vordering toegewezen. In incidenteel appel heeft Horsterland haar eis in reconventie vermeerderd. Zij wil in hoger beroep dat het hof [appellant] veroordeelt tot betaling van de achterstallige servicekosten over de jaren 2020 tot en met 2024 (in totaal € 12.085,49).
2.4.
Het hof zal beslissen dat tussen [appellant] en Succesparken tot 20 mei 2024 sprake was van een (voortgezette) huurovereenkomst. [appellant] vordering tot betaling van achterstallige huurpenningen door Succesparken zal daarom alsnog worden toegewezen. Een boetevordering op Horsterland zal worden afgewezen. In reconventie zal de vordering van Horsterland worden toegewezen. Deze beslissingen zullen hierna worden toegelicht.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

3.1.
Het antwoord op de vraag welke afspraken [appellant] met wie heeft gemaakt, hangt af van hetgeen [appellant] en [directeur Horsterland en succesparken] jegens elkaar hebben verklaard en wat zij over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen mochten afleiden. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, in hun onderlinge samenhang bezien. Ook gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst kunnen van belang zijn voor de uitleg van de afspraken.
3.2.
Het hof is van oordeel dat ondanks dat de concepthuurovereenkomst (genaamd triplenet-overeenkomst) niet door partijen is ondertekend, tussen [appellant] en Succesparken toch een huurovereenkomst tot stand is gekomen, met dezelfde inhoud als die conceptovereenkomst. Het hof komt tot dat oordeel op basis van de gang van zaken voorafgaand aan en tijdens de verhuur van het chalet aan derden. Hieronder zal het hof eerst de feitelijke gang van zaken met betrekking tot de overeenkomst en de verhuur aan een derde nader schetsen.
De feiten
3.3.
Tussen partijen staat vast dat [appellant] het perceel grond met chalet (ad € 111.500 exclusief btw) van Horsterland kocht als belegging. Partijen hadden ten tijde van de koop in mei 2013 de bedoeling dat Succesparken het chalet zou verhuren en dat [appellant] daarvoor een vast rendement in de vorm van een maandelijkse huursom zou ontvangen. Daartoe had [directeur Horsterland en succesparken] , als directeur van Horsterland en Succesparken, een concepthuurovereenkomst (de triplenet-overeenkomst) aan [appellant] verstrekt. In die conceptovereenkomst was opgenomen dat Succesparken het chalet voor vijf jaar zou huren tegen een huurprijs die werd vastgesteld op een vast percentage van 8% per jaar over de koopsom exclusief btw, in maandelijkse termijnen te betalen. Succesparken zou tot exploitatie van het chalet overgaan door tijdelijke verhuur aan derden. Partijen zijn het erover eens dat een huur van 8% op jaarbasis, neerkomt op een bedrag van € 743,80 per maand.
3.4.
Omdat partijen over een aantal punten van mening bleven verschillen, zoals de eis van [appellant] dat in het chalet niet zou worden gerookt en dat geen huisdieren zouden worden toegelaten, is de conceptovereenkomst nooit getekend. Nadat het perceel grond met het chalet op 13 december 2013 aan [appellant] was geleverd, heeft de advocaat van Horsterland [appellant] bij brief van 12 mei 2014 gesommeerd het laatste deel van de koopsom te betalen en de ondertekende triplenet-overeenkomst retour te zenden. Onder de voorwaarde dat de triplenet-overeenkomst door [appellant] zou worden ondertekend, bood de advocaat van Horsterland in die brief aan dat [appellant] zes maanden toekomstige huuropbrengsten met de koopprijs mocht verrekenen. In het geval de triplenet-overeenkomst niet zou worden ondertekend, zou volgens de advocaat niets met de restantkoopsom kunnen worden verrekend. Vervolgens hebben [appellant] en [directeur Horsterland en succesparken] op 5 juni 2014 afgesproken dat [appellant] het restant van de koopsom zou betalen. In het door beiden ondertekende verslag van die afspraak is vermeld: “Conform afspraak heden direct te verrekenen 6 maanden (betreffende de maanden juni t/m november 2014) Netto huuropbrengst a € 743,80 p/mnd € 4.462,80”. [appellant] heeft het na deze verrekening resterende bedrag op 5 juni 2014 betaald, en vanaf die datum is het chalet, zonder zijn bemoeienis, verhuurd. In de periode van 1 juni 2014 (de eerste zes maanden door verrekening met de koopsom) tot 1 september 2018 heeft Horsterland € 743,80 per maand overgemaakt aan [appellant] onder vermelding van ‘rendement betaling’.
3.5.
Op 31 mei 2019 schreef [appellant] aan [directeur Horsterland en succesparken] : “Op 01 juni 2019 eindigt onze triple-net overeenkomst en eis ik de sleutel van mijn chalet van U te ontvangen”. Daarop antwoordde [naam1] namens [directeur Horsterland en succesparken] op 6 juni 2019: “ [directeur Horsterland en succesparken] gaf tevens aan dat de huurder van het u toebehorend chalet is opgezegd en dat getracht wordt zo spoedig mogelijk een andere huisvesting te regelen voor de bewoonster. Overigens zou zij aangegeven hebben ook wel rechtstreeks van u te willen huren, mij is niet bekend of u daartoe genegen bent.”
[appellant] sloot een huurovereenkomst met Succesparken
3.6.
Het hof komt tot het oordeel dat de triplenet-overeenkomst tussen [appellant] en Succesparken, overeenkomstig de oorspronkelijke bedoeling van partijen, tot stand is gekomen op grond van de volgende feiten, in samenhang bezien:
  • [appellant] ontving, overeenkomstig het bepaalde in de concept triple-netovereenkomst, maandelijks een bedrag van € 743,80;
  • in de ondertekende afspraken van 5 juni 2014 wordt gesproken over “netto huuropbrengst a € 743,80”;
  • [appellant] mocht begin juni 2014 de huuropbrengsten over juni tot en met november 2014 verrekenen met de koopprijs, terwijl de advocaat van Horsterland deze verrekeningsmogelijkheid in zijn sommatiebrief van 12 mei 2014 afhankelijk had gemaakt van ondertekening (en dus totstandkoming) van de triplenet-overeenkomst;
  • toen [appellant] op 31 mei 2019 aan [directeur Horsterland en succesparken] schreef dat de triplenet-overeenkomst op 1 juni 2019 eindigde, heeft [directeur Horsterland en succesparken] niet geantwoord dat de triplenet-overeenkomst niet tot stand was gekomen;
  • ook op andere momenten voorafgaand aan de op 10 januari 2023 genomen conclusie van antwoord hebben [directeur Horsterland en succesparken] , Horsterland of Succesparken, nooit aan [appellant] laten weten dat de triplenet-overeenkomst niet tot stand zou zijn gekomen;
  • ook het standpunt dat een beheersovereenkomst met Horsterland tot stand is gekomen, is door Horsterland en Succesparken pas in deze procedure ingenomen;
  • tussen partijen is in de periode vanaf 2013 tot aan deze procedure ook nooit gesproken of gecorrespondeerd over (de mogelijkheid en inhoud) van een beheersovereenkomst met Horsterland.
3.7.
Horsterland en Succesparken hebben hier onvoldoende tegenover gesteld. Uit het feit dat de betalingen door Horsterland zijn gedaan, hoefde [appellant] niet te begrijpen dat een beheersovereenkomst met Horsterland tot stand zou zijn gekomen. Een betaling kan immers door een ander gedaan worden (artikel 6:30 lid 1 BW Pro) en bovendien heeft [directeur Horsterland en succesparken] naar [appellant] – een niet juridisch geschoold consument – zijn BV’s Horsterland en Succesparken niet goed onderscheiden. De e-mails die hij en [naam1] stuurden hadden als extensie “@succesparken.nl”. Verder hangen er op het park waar het chalet ligt alleen vlaggen met de naam “Succesparken” en bevat ook het verkoopkantoor waar de afspraken van 5 juni 2014 zijn getekend enkel de uiting “Succesparken”. Ook het feit dat de betalingen zijn gedaan onder de titel ‘rendement betaling’ hoefde [appellant] , in het licht van voormelde feiten, niet op te vatten als een aanwijzing dat geen sprake was van een huurovereenkomst tussen hem en Succesparken. Voor alle partijen was immers duidelijk dat de afspraken tussen [appellant] en [directeur Horsterland en succesparken] een beleggingsdoel dienden. Om die reden was de jaarlijkse huurprijs in de niet getekende triplenet-overeenkomst bepaald op 8% van de koopsom. Dat maakt dat de betiteling ‘rendement betaling’ geen vragen hoefde op te werpen. Omdat Horsterland en Succesparken de onderbouwde stellingen van [appellant] niet voldoende gemotiveerd hebben betwist, is dus komen vast te staan dat tussen [appellant] en Succesparken een huurovereenkomst tot stand is gekomen, met dezelfde inhoud als de concept triplenet-overeenkomst.
Voortzetting van de huurovereenkomst
3.8.
Tussen partijen staat vast dat de overeenkomst voor vijf jaar is gesloten. Daaraan refereerde [appellant] ook toen hij bij e-mail van 31 mei 2019 aan [directeur Horsterland en succesparken] schreef dat de triplenet-overeenkomst op 1 juni 2019 eindigde en dat hij eiste de sleutel van zijn chalet te ontvangen en het chalet leeg en schoon opgeleverd te krijgen. Vaststaat ook dat het chalet op 1 juni 2019 niet was ontruimd en ook niet is opgeleverd. Op dat moment huurde mevrouw [huurster] (mogelijk op naam van haar (ex-)partner [naam2] ) het chalet. Zoals uit het antwoord van [naam1] van 6 juni 2019 bleek, werd geprobeerd zo spoedig mogelijk andere huisvesting te regelen voor [huurster] . Vervolgens heeft [huurster] met beide partijen overleg gevoerd. [directeur Horsterland en succesparken] schreef haar op 21 juni 2019 dat ze beter rechtstreeks met [appellant] de voortzetting van de huur kon regelen. Hij gaf haar daartoe de adresgegevens van [appellant] . [appellant] schreef aan [huurster] : “Mocht [directeur Horsterland en succesparken] alsnog ALLE VERPLICHTINGEN jegens mij NAGEKOMEN ZIJN, dán kan Uw contract ‘gewoon’ verlengd worden MÁÁR daarvoor moet je contact met SUCCESPARKEN opnemen”. Uiteindelijk heeft [huurster] tot 20 mei 2024 in het chalet gewoond, zonder dan zij vanaf 1 juni 2019 nog huur heeft betaald.
3.9.
Het hof is met [appellant] van oordeel dat de huurovereenkomst na 1 juni 2019 (stilzwijgend) is voortgezet. Succesparken heeft immers niet voldaan aan haar (in artikel 7.3 van de triplenet-overeenkomst beschreven en op 31 mei 2019 aangezegde) verplichting om het gehuurde bij het einde van de huur aan [appellant] ter beschikking te stellen. Succesparken had ervoor moeten zorgen dat [huurster] op 1 juni 2019 het chalet had verlaten en had voor oplevering moeten zorgdragen. Dat zij, in de loop van juni 2019, aan [huurster] heeft aangeraden om een rechtstreeks huurcontract met [appellant] te sluiten, maakt niet dat zij van die verplichtingen was ontslagen. Bovendien was de termijn van oplevering toen al verstreken.
3.10.
Voor zover Succesparken zich op het standpunt stelt dat zij ervan mocht uitgaan dat [appellant] akkoord ging met rechtstreekse verhuur aan [huurster] , heeft zij daarvoor te weinig aangevoerd. Zo heeft zij niet gesteld, en is ook niet gebleken, dat Succesparken zich ervan heeft vergewist dat [appellant] ondubbelzinnig instemde met rechtstreekse verhuur van zijn chalet aan [huurster] . Uit de whatsappwisseling tussen [huurster] en [directeur Horsterland en succesparken] blijkt dat, nadat [directeur Horsterland en succesparken] had geschreven dat [huurster] beter een rechtstreeks contract met [appellant] kon regelen, [huurster] aan [directeur Horsterland en succesparken] heeft laten weten dat [appellant] wilde dat zij het contract met [directeur Horsterland en succesparken] regelde. Desondanks heeft Succesparken toen geen contact met [appellant] opgenomen. Ook toen [huurster] vervolgens in het chalet bleef wonen, heeft Succesparken nooit aan [appellant] gezegd of geschreven dat zij ervan uitging dat de huurovereenkomst met [huurster] werd voortgezet door [appellant] . Zonder de juistheid daarvan te verifiëren, kon een professionele verhuurder als Succesparken dus niet aannemen dat haar huurovereenkomst met [huurster] én die met [appellant] zou zijn beëindigd.
3.11.
Daarbij speelt nog mee dat [appellant] in zijn e-mail van 31 mei 2019 niet alleen heeft gesommeerd om het chalet op 1 juni 2019 leeg en schoon op te leveren, maar ook om alle achterstallige betalingen te voldoen, waarbij hij opmerkte dat de laatste betaling op 5 maart 2018 was gedaan. Vervolgens heeft Horsterland op 13 juni 2019 nog één en op 21 juni 2019 nog vijf betalingen van € 743,80 aan [appellant] voldaan. [directeur Horsterland en succesparken] wist dat ontvangst van alle betalingen voor [appellant] een voorwaarde was om te praten over voortzetting van de huur door [huurster] . Dat antwoordde [appellant] immers op 11 juni 2019 aan [directeur Horsterland en succesparken] en [naam1] , in reactie op de in 3.5 genoemde e-mail van 6 juni 2019. Tussen partijen staat vast dat er ook na de zes betalingen in juni 2019 nog een betalingsachterstand resteerde. Volgens Succesparken bedroeg die achterstand drie maanden en volgens [appellant] negen maanden. Ook Succesparken wist dus dat niet was voldaan aan de voorwaarde die [appellant] stelde aan een gesprek met [directeur Horsterland en succesparken] over de huurovereenkomst met [huurster] .
3.12.
Tot slot overweegt het hof in dit kader nog dat Succesparken ook niet heeft gereageerd op de sommatie van [appellant] van 26 november 2020, waarin hij schreef dat er een achterstand van 28 maanden huurpenningen à € 743,80 (in totaal € 20.826,40) was, noch op de e-mail van [appellant] aan [directeur Horsterland en succesparken] van 28 december 2020, waarin hij schreef dat nog steeds niet aan alle betalingsverplichtingen is voldaan. Niet valt in te zien waarom [directeur Horsterland en succesparken] (namens Succesparken) toen niet heeft geantwoord dat volgens hem geen sprake meer was van een huurovereenkomst. [directeur Horsterland en succesparken] kon daar ter zitting bij het hof ook geen goede verklaring voor geven. Het standpunt dat de overeenkomst al op 1 juni 2019 is geëindigd, is door Succesparken pas in de procedure ingenomen.
3.13.
Dit alles leidt tot het oordeel dat de huurovereenkomst tussen [appellant] en Succesparken is voortgezet tot 20 mei 2024, de datum waarop [huurster] het chalet heeft verlaten en de sleutel bij [appellant] heeft ingeleverd.
Geen strijd met de waarheidsplicht
3.14.
Horsterland en Succesparken stellen zich op het standpunt dat ongeacht de vraag of één van hen een achterstand had in de betalingsverplichting jegens [appellant] , [appellant] vordering integraal moet worden afgewezen omdat hij ter onderbouwing van zijn vorderingen diverse onwaarheden heeft gesteld en zijn substantiëringsplicht heeft geschonden. [appellant] betwist dat.
3.15.
Het hof verwerpt dit verweer. Een groot deel van de door Horsterland en Succesparken aangevoerde ‘onwaarheden’ betreft door [appellant] ingenomen standpunten en geen onjuiste feiten. Bovendien blijken de ‘missende feiten’ nagenoeg allemaal uit de door [appellant] bij de inleidende dagvaarding overgelegde producties. Op een volgens Horsterland en Succesparken belangrijk punt, hebben juist zij (en niet [appellant] ) een onjuiste stelling ingenomen (te weten dat met betrekking tot de huur/het rendement over de periode van december 2013 tot juni 2014 een verrekening heeft plaatsgevonden). Dat is ter zitting door de advocaat van Horsterland en Succesparken erkend. Voor zover daarnaast door [appellant] niet alle feiten juist en volledig bij inleidende dagvaarding zijn benoemd, betreft het naar het oordeel van het hof geen (grove) schending van de in artikel 21 Rv Pro neergelegde waarheids- en substantiëringsplicht die een sanctie zou rechtvaardigen, maar onduidelijkheden bij de advocaat van [appellant] over wat zich precies had voorgedaan. Hetzelfde kan gezegd worden over de door de advocaat van Horsterland en Succesparken ingediende stukken.
3.16.
Omdat er dus geen aanleiding bestaat om de vorderingen van [appellant] op deze grond af te wijzen, zal het hof hieronder ingaan op die vorderingen.
Achterstallige huurpenningen
3.17.
Zoals overwogen onder 3.11 staat vast dat sprake was van een betalingsachterstand, maar zijn partijen het niet eens over de hoogte van de achterstand. [appellant] heeft onderbouwd gesteld dat namens Succesparken slechts is betaald tot 1 september 2018. Horsterland en Succesparken hebben deze stelling onvoldoende gemotiveerd betwist. Zij hebben niet betwist dat de laatste betaling aan [appellant] (voorafgaand aan de betalingen in juni 2019) op 5 maart 2018 is gedaan. Evenmin hebben zij gemotiveerd betwist dat de betaling op 5 maart 2018 door [appellant] terecht is toegeschreven aan de openstaande betalingsverplichting over januari 2018 en dat de zes in juni verrichte termijnbetalingen dus terecht zijn toegeschreven aan de maanden februari 2018 tot en met augustus 2018. In haar memorie van antwoord heeft Succesparken, onder verwijzing naar de inleidende dagvaarding van [appellant] , weliswaar aangevoerd dat de zes in juni 2019 verrichte betalingen zien op de periode ná 1 september 2018, maar [appellant] heeft, in ieder geval in hoger beroep, aan de hand van overgelegde bankafschriften onderbouwd gesteld dat de betalingen in juni 2019 zagen op de periode van februari 2018 tot en met augustus 2018. Daar hebben Succesparken en Horsterland te weinig tegenin gebracht. Zij hebben van hun kant geen bankafschriften overgelegd. Ter zitting hebben zij bevestigd daar niet meer duidelijkheid over te kunnen geven. Dit brengt met zich dat het hof uitgaat van een betalingsachterstand over de periode van 1 september 2018 tot 20 mei 2024. De gevorderde veroordeling tot betaling van € 42.396,60 (57 x € 743,80) aan achterstallige huurpenningen zal dan ook jegens Succesparken worden toegewezen. Ook de vordering tot toewijzing van de wettelijke rente over die periode zal worden toegewezen omdat daar geen zelfstandig verweer tegen is gevoerd. Omdat geen sprake is van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW zal de vordering tot betaling van wettelijke handelsrente worden afgewezen.
Overige vorderingen van [appellant]
3.18.
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft (de advocaat van) [appellant] de vorderingen sub ii en iii ingetrokken, zodat het hof daarop niet meer zal ingaan.
3.19.
[appellant] handhaaft wel zijn vordering om voor recht te verklaren dat Horsterland aan [appellant] betaalt de boete als genoemd in artikel 12ⱱ van de leveringsakte van € 1.000 per dag dat de overtreding in de vorm van permanente bewoning van het chalet na 19 september 2023 tot 20 mei 2024 voortduurt. Horsterland heeft er ten verwere onder meer op gewezen dat de boete blijkens de leveringsakte niet aan [appellant] maar aan de exploitant van het park, Horsterland, toekomt.
3.20.
Met Horsterland is het hof van oordeel dat deze vordering moet worden afgewezen, alleen al omdat de bepaling niet geschreven is ten behoeve van [appellant] . In artikel 12 van Pro de leveringsakte is namelijk bepaald dat bij overtreding door koper (dus [appellant] ) van het verbod tot permanente bewoning, hij ten behoeve van de exploitant (dus Horsterland) een boete is verschuldigd. Dat maakt dat deze vordering moet worden afgewezen.
3.21.
Tegen de nevenvordering tot veroordeling van buitengerechtelijke incassokosten heeft Succesparken aangevoerd dat hieromtrent tussen partijen niets is overeengekomen en dat de gemachtigde van [appellant] niet meer heeft gedaan dan het verzenden van een enkele sommatiebrief.
3.22.
Op de vordering tot nakoming van de (voortgezette) huurovereenkomst is het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing. Het hof stelt vast dat [appellant] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Binnen dit toetsingskader is het versturen van een enkele sommatiebrief namelijk voldoende. Daarom kan jegens Succesparken – de enige partij tegen wie een vordering wordt toegewezen – ook de gevraagde veroordeling tot betaling van de buitengerechtelijke (incasso)kosten, te berekenen volgens de staffel in het Besluit en vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag van de inleidende dagvaarding (1 november 2023), worden toegewezen.
Jaarlijkse servicekosten
3.23.
Wat betreft de vordering van Horsterland om [appellant] te veroordelen tot betaling van € 12.085,49 voor achterstallige servicekosten over de jaren 2020 tot en met 2024 (in plaats van de veroordeling tot betaling van € 2.234,77 over 2020) overweegt het hof als volgt.
3.24.
Bij de kantonrechter had Horsterland slechts de servicekosten over het jaar 2020 gevorderd. De kantonrechter heeft het gevorderde bedrag van € 2.243,77 toegewezen. [appellant] is daar in hoger beroep niet tegenop gekomen. Horsterland heeft bij memorie van grieven in incidenteel hoger beroep haar vordering vermeerderd met een vordering over de jaren 2021 tot en met 2024. Zij heeft daartoe gesteld dat zij inmiddels ook de facturen voor die jaren heeft opgemaakt. Die zijn in hoger beroep ook overgelegd.
3.25.
[appellant] stelt zich allereerst op het standpunt dat deze vermeerdering in strijd is met de goede procesorde, omdat Succesparken die facturen eerder had kunnen opstellen en hij zich nu slechts in één instantie kan verweren tegen deze vordering.
3.26.
Het hof passeert dit verweer van [appellant] . De herstelfunctie van het hoger beroep maakt dat een partij zijn eis voor het eerst in hoger beroep kan vermeerderen. Dat slechts in één instantie verweer kan worden gevoerd tegen die vermeerderde vordering, staat daar niet aan in de weg. Dit is slechts anders als de eisvermeerdering in strijd is met de goede procesorde. Niet is voldoende gemotiveerd gesteld of gebleken waarom daar in dit geval sprake van zou zijn. Het is een overzichtelijke eisvermeerdering, waar [appellant] in zijn memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep op is ingegaan.
3.27.
Inhoudelijk heeft [appellant] in zijn memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep niet meer aangevoerd dan dat hij in verband met de verkoop van het chalet na 21 juni 2024 geen eigenaar meer was van het chalet. Daarop heeft Horsterland ter zitting echter onbestreden geantwoord dat dit aan de verschuldigdheid van de parklasten over 2024 niet afdoet en dat het aan [appellant] was de servicekosten over de resterende maanden van 2024 desgewenst bij de overdracht met de koper te verrekenen.
3.28.
Tijdens de zitting bij het hof heeft [appellant] nog aangevoerd (voor het eerst) dat Horsterland in haar jaarfacturen ook posten voor afvalbijdrage en toeristenbelasting in rekening heeft gebracht, terwijl de gemeente Gilze en Rijen aan [appellant] heeft laten weten dat Horsterland daarvoor niets aan haar betaald. Daarop heeft Horsterland geantwoord dat zij zelf (en dus niet de gemeente) het afval afvoert, waardoor zij daarvoor niets aan de gemeente betaalt, maar wel een bijdrage aan de eigenaren in rekening brengt. Wat betreft de toeristenbelasting heeft Horsterland gesteld dat zij voor inwoners van buiten de gemeente Gilze en Rijen wel degelijk toeristenbelasting afdraagt. Omdat [appellant] op deze betwistingen niet meer inhoudelijk heeft gereageerd en hij zijn (te laat ingenomen) stellingen niet heeft onderbouwd, kunnen deze verweren ook niet tot afwijzing van de vermeerderde eis leiden.
3.29.
[appellant] heeft al met al onvoldoende betwist dat hij, als eigenaar van het chalet, op grond van artikel 11 van Pro de leveringsakte en artikel 16 lid 1 van Pro het toepasselijke reglement met algemene bepalingen, over de jaren 2020 tot en met 2024 de gevorderde servicekosten ad € 12.085,49 is verschuldigd aan Horsterland. Volledigheidshalve merkt het hof nog op dat [appellant] geen grief heeft gericht tegen de overweging van de kantonrechter dat op basis van de dwingende bewijskracht van de leveringsakte, tussen partijen vaststaat dat [appellant] het reglement heeft ontvangen. Ook daarvan gaat het hof dus uit. De vordering tot betaling van € 12.085,49 zal daarom, onder vernietiging van het toegewezen bedrag over 2020, worden toegewezen. Dat geldt ook voor de niet betwiste nevenvordering van vermeerdering met wettelijke rente.
Geen bewijslevering
3.30.
Omdat partijen geen voldoende concrete feiten hebben gesteld die tot een ander oordeel kunnen leiden, komt het hof niet toe aan bewijslevering.
De conclusie
3.31.
Het principale hoger beroep van [appellant] slaagt grotendeels. Omdat Succesparken grotendeels in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten zowel in hoger beroep als bij de kantonrechter veroordelen. Omdat Horsterland en Succesparken in deze procedure samen hebben opgetrokken, vertegenwoordigd door één advocaat en met gezamenlijke processtukken, leidt het feit dat de vordering jegens Horsterland wordt afgewezen niet tot een proceskostenveroordeling ten guste van Horsterland.
3.32.
Het incidentele hoger beroep van Horsterland slaagt ook. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in dat hoger beroep veroordelen.
3.33.
Onder de proceskosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. [1]
3.34.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland van 12 juni 2024, behalve de beslissing onder 5.4 waarbij [appellant] in de proceskosten in reconventie is veroordeeld, welke beslissing hierbij wordt bekrachtigd, en:
in conventie
4.2.
veroordeelt Succesparken tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 42.396,60, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de periode van 1 september 2018 tot 20 mei 2024;
4.3.
veroordeelt Succesparken tot betaling aan [appellant] van de buitengerechtelijke incassokosten, te berekenen conform de staffel van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 november 2023 tot aan de dag van algehele voldoening;
4.4.
veroordeelt Succesparken tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] tot aan de uitspraak van de kantonrechter:
€ 693 aan griffierecht
€ 132,42 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan Succesparken
€ 408 aan salaris van de advocaat van [appellant] (2 procespunten x het toepasselijke tarief van € 204);
in reconventie
4.5.
veroordeelt [appellant] tot betaling aan Horsterland van € 12.085,49 vermeerderd met de wettelijke rente over € 2.243,77 vanaf 13 november 2020, over € 7.104,59 vanaf 19 juni 2024 en over € 2.737,13 vanaf 30 december 2024, tot de dag van algehele voldoening;
in het principaal hoger beroep
4.6.
veroordeelt Succesparken tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] in principaal hoger beroep:
€ 798 aan griffierecht
€ 139,41 aan kosten voor het betekenen van de dagvaarding aan Succesparken
€ 4.426 aan salaris van de advocaat van [appellant] (2 procespunten x het toepasselijke tarief IV);
in het incidenteel hoger beroep
4.7.
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van Horsterland in incidenteel hoger beroep:
€ 858 aan salaris van de advocaat van Horsterland (2 procespunten x ½ x het toepasselijke tarief I)
in het principaal en incidenteel hoger beroep
4.8.
bepaalt dat alle proceskosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.9.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.10.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. L.J. de Kerpel-van de Poel, S.B. Boorsma en M. Kool, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.

Voetnoten

1.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.