Uitspraak
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
[betrokkene] ,
Hoger beroep
Onderzoek van de zaak
Vonnis
Grondslag van de ontnemingsvordering
Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
nade bewezenverklaarde pleegdatum van 6 maart 2018. Dat betekent dat het in artikel 31e lid 3 onder a en b vermelde vermoeden – kort gezegd dat uitgaven die de veroordeelde heeft gedaan en voorwerpen die aan veroordeelde zijn gaan toebehoren in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van het misdrijf wederrechtelijk verkregen zijn, tenzij aannemelijk is dat er een legale bron van herkomst is – in deze zaak niet als uitgangspunt kan worden genomen. Juist op dat vermoeden lijkt de kasopstelling grotendeels te zijn gebaseerd.
vooren
na6 maart 2018. Het dossier biedt verder geen inzicht in onderliggende stukken die hierover meer duidelijkheid kunnen geven. Dit terwijl het sfo een voldoende mate van zekerheid moet bieden over het daadwerkelijk genoten voordeel; er moet een voldoende mate van zekerheid aan deze schatting ten grondslag liggen. Het hof is van oordeel dat daarvan in deze zaak geen sprake is. Er is teveel onduidelijkheid om deugdelijk te kunnen schatten hoeveel wederrechtelijk verkregen voordeel betrokkene in de relevante periode heeft genoten. Het hof ziet daarin aanleiding om de kasopstelling buiten beschouwing te laten bij het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Verplichting tot betaling aan de Staat
Wetsartikelen
BESLISSING
53.305,75 (drieënvijftigduizend driehonderdvijf euro en vijfenzeventig cent).
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op
nihil.