ECLI:NL:GHARL:2025:8498

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
21-003569-20
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vonnis en vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel in ontnemingszaak

In deze ontnemingszaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 22 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Midden-Nederland. De zaak betreft de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene, die eerder was veroordeeld voor verschillende strafbare feiten, waaronder het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs en witwassen. De rechtbank had het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 92.653,75, maar het hof heeft deze schatting herzien. Het hof heeft vastgesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 53.305,75 moet worden vastgesteld, bestaande uit contante geldbedragen die bij betrokkene zijn aangetroffen. Het hof heeft echter ook overwogen dat deze bedragen in een eerdere strafzaak onherroepelijk verbeurd zijn verklaard, waardoor de betalingsverplichting aan de Staat op nihil is vastgesteld. Het hof heeft verder geconstateerd dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in hoger beroep is overschreden, maar heeft besloten om hier geen verdere gevolgen aan te verbinden, gezien de afwezigheid van een betalingsverplichting. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer voor strafzaken en is openbaar uitgesproken.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003569-20
Uitspraakdatum: 22 december 2025
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 30 september 2020 met parketnummer 16-705131-18 op de ontnemingsvordering, dat is hersteld bij vonnis van 8 oktober 2020, in de zaak tegen

[betrokkene] ,

geboren op [geboortedatum] 1980 in [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ),
wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .

Hoger beroep

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank
Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zittingen van het hof van 3 december 2024, 8 december 2025 en wat op de zitting van de rechtbank
Midden-Nederland besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat betrokkene en zijn raadsman, mr. A.D. Kloosterman, hebben aangevoerd.

Vonnis

De rechtbank heeft bij vonnis van 30 september 2020, waartegen het hoger beroep is gericht, het door betrokkene genoten wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 92.653,75. De verplichting tot betaling aan de Staat voor de ontneming van dit voordeel is vastgesteld op € 39.348,75.
Het hof verenigt zich niet met het vonnis en zal daarom het vonnis vernietigen. Het hof doet opnieuw recht.
Vordering en standpunt van de advocaat-generaal
De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 92.653,75. Bij conclusie van repliek heeft de officier van justitie de vordering bijgesteld omdat met de verbeurdverklaring in de onderliggende strafzaak rekening moet worden gehouden, in die zin dat de verbeurd verklaarde geldbedragen van € 51.400,- en € 1.905,- in mindering moet worden gebracht op de betalingsverplichting.
De advocaat-generaal heeft op de zitting van het hof van 8 december 2025 gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 80.553,75. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 25.885,60.

Grondslag van de ontnemingsvordering

Het hof stelt vast dat in eerste aanleg en in hoger beroep steeds verschillende grondslagen aan de ontnemingsvordering ten grondslag zijn gelegd.
Eerst wijdt het hof een paar algemene overwegingen aan het verschil tussen de verschillende mogelijke grondslagen in deze zaak.
Artikel 36e lid 2 versus lid 3 Sr
Bij een grondslag gebaseerd op het tweede lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) gaat het om een ontneming naar aanleiding van een veroordeling voor strafbare feiten. Voor de ontnemingsvordering betekent dit dat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden gelet op voordeel dat afkomstig is uit de strafbare feiten die betrokkene heeft begaan of uit strafbare feiten waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door betrokkene zijn begaan.
Bij een grondslag gebaseerd op het derde lid van artikel 36e Sr kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, wederrechtelijk verkregen voordeel worden ontnomen indien aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Eerste aanleg
Volgens het ontnemingsrapport is artikel 36e lid 3 Sr de grondslag voor de ontnemingsvordering. Uit de inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie volgde artikel 36e lid 5 Sr als grondslag.
De rechtbank is in het vonnis uitgegaan van artikel 36e lid 2 Sr als grondslag.
Hoger beroep
In hoger beroep kon de advocaat-generaal tijdens de zitting van het hof van 4 december 2024 niet aangeven wat de grondslag van de ontnemingsvordering is. De behandeling van de zaak op de zitting is vervolgens aangehouden zodat het openbaar ministerie de gelegenheid kreeg om de vragen van het hof over de grondslag van de vordering te beantwoorden.
Bij e-mailbericht van 29 januari 2025 is namens de advocaat-generaal doorgegeven dat de grondslag van de vordering artikel 36e lid 3 Sr is. Dit heeft de advocaat-generaal ook op de zitting van het hof van 8 december 2025 herhaald.
Oordeel van het hof
Bij vonnis van 30 september 2020 is betrokkene veroordeeld voor het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs op 6 maart 2017 (feit 1), het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie op 6 maart 2017 (feit 2) en het medeplegen van witwassen op 6 maart 2018 door een geldbedrag van € 51.400,75 voorhanden te hebben en te verhullen (feit 3).
Het hof constateert op basis van het onderliggende strafdossier dat de bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs en het voorhanden hebben van een vuurwapen in het strafvonnis ten onrechte op 6 maart 2017 is gedateerd. Op 6 maart 2018 vond een doorzoeking plaats in de woning van betrokkene, waarbij zowel de drugs als het wapen als een geldbedrag van € 51.400,75 werd aangetroffen. Voor de beslissingen in deze ontnemingszaak is 6 maart 2018 dus de relevante datum waarop de strafbare feiten aan het licht zijn gekomen die tot de strafrechtelijke veroordeling van betrokkene hebben geleid.

Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

In deze zaak is gebruikgemaakt van een eenvoudige kasopstelling over de periode tussen 17 januari 2017 en 7 mei 2018, welke laatste datum voor het hof niet in verband te brengen is met enige relevante gebeurtenis in de strafzaak tegen betrokkene. Op zichzelf is het mogelijk om via een eenvoudige kasopstelling het wederrechtelijk verkregen voordeel te berekenen. Daarin is over een bepaalde periode berekend hoeveel contant geld betrokkene heeft gehad en welk deel daarvan kan worden verklaard uit contant geld dat betrokkene al had of dat hij legaal heeft verkregen. Het contante geld dat daardoor niet kan worden verklaard, wordt als wederrechtelijk verkregen voordeel aangemerkt.
Het hof constateert dat de kasopstelling voor een deel ziet op een periode
nade bewezenverklaarde pleegdatum van 6 maart 2018. Dat betekent dat het in artikel 31e lid 3 onder a en b vermelde vermoeden – kort gezegd dat uitgaven die de veroordeelde heeft gedaan en voorwerpen die aan veroordeelde zijn gaan toebehoren in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van het misdrijf wederrechtelijk verkregen zijn, tenzij aannemelijk is dat er een legale bron van herkomst is – in deze zaak niet als uitgangspunt kan worden genomen. Juist op dat vermoeden lijkt de kasopstelling grotendeels te zijn gebaseerd.
Het hof volgt de raadsman op het punt dat binnen de periode van de kasopstelling die loopt tot de datum van de doorzoeking, namelijk 17 januari 2017 tot 6 maart 2018, het strafrechtelijk financieel onderzoek (sfo) onvoldoende basis biedt voor een deugdelijke schatting van het in die periode genoten voordeel. Het sfo maakt namelijk geen onderscheid tussen vermogen verzameld vóór en ná de bewezenverklaarde dag van 6 maart 2018. In het sfo wordt geen onderscheid gemaakt tussen de contante stortingen en huishoudelijke uitgaven van
vooren
na6 maart 2018. Het dossier biedt verder geen inzicht in onderliggende stukken die hierover meer duidelijkheid kunnen geven. Dit terwijl het sfo een voldoende mate van zekerheid moet bieden over het daadwerkelijk genoten voordeel; er moet een voldoende mate van zekerheid aan deze schatting ten grondslag liggen. Het hof is van oordeel dat daarvan in deze zaak geen sprake is. Er is teveel onduidelijkheid om deugdelijk te kunnen schatten hoeveel wederrechtelijk verkregen voordeel betrokkene in de relevante periode heeft genoten. Het hof ziet daarin aanleiding om de kasopstelling buiten beschouwing te laten bij het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Verzoek horen getuige [getuige]
Van het op de kasopstelling gebaseerde bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel maakte oorspronkelijk ook deel uit de dagwaarde (€ 12.100,00) van een Mercedes A-Klasse met kenteken [kenteken] , die op naam heeft gestaan van de partner en medeverdachte van betrokkene.
Het openbaar ministerie gaat er in hoger beroep niet langer van uit dat de dagwaarde van deze Mercedes deel uitmaakt van het wederrechtelijk verkregen voordeel, en heeft de vordering met dit bedrag verlaagd.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat deze auto niet door betrokkene (of zijn toenmalige partner) is gekocht en heeft in hoger beroep het verzoek gehandhaafd om hieromtrent getuige [getuige] te horen.
Gezien hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen en beslist met betrekking tot de kasopstelling, is het horen van de getuige [getuige] niet langer van belang voor het nemen van enige beslissing in deze zaak. Door deze getuige niet te horen wordt betrokkene niet in de verdediging geschaad. Het verzoek deze getuige te horen wordt afgewezen.
Het geldbedrag van € 51.400,75 (witwassen) en contant aangetroffen bedrag van € 1.905,00
Wat het hof wel kan vaststellen is dat op 6 maart 2018 in de woning van betrokkene een geldbedrag van € 51.400,75 is aangetroffen. Daarnaast is bij de insluitingsfouillering van betrokkene bij hem een contant geldbedrag van € 1.905,- aangetroffen.
De Hoge Raad heeft eerder overwogen dat de enkele omstandigheid dat een goed, zoals een geldbedrag, voorwerp is van het bewezenverklaarde misdrijf witwassen, niet met zich brengt dat alleen al daarom dat goed wederrechtelijk verkregen voordeel vormt. [1]
Uit het onderzoek kan naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid dat betrokkene door middel van of uit de baten van het bewezen verklaarde witwassen wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De grondslag voor ontneming van wederrechtelijk voordeel kan daarom (ten aanzien van het witwassen) niet worden ontleend aan een veroordeling wegens een strafbaar feit als bedoeld in artikel 36e lid 1 Sr.
Daarmee is niet uitgesloten dat ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (ten aanzien van het witwassen) op een andere grondslag dan artikel 36e lid 1 Sr kan worden gebaseerd. Uit artikel 36e lid 3 Sr volgt dat ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ook mogelijk is, indien aannemelijk is dat andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Dat kan als de veroordeling een misdrijf betreft dat bedreigd wordt met een geldboete van de vijfde categorie.
In deze zaak is sprake van een veroordeling wegens witwassen. Dat is een misdrijf waarvoor, zonder daarbij strafverhogende omstandigheden in aanmerking te nemen, volgens art. 420bis Sr een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Bij een veroordeling wegens witwassen is steeds sprake van andere strafbare feiten. Dat volgt alleen al uit de aard van dat delict. Witwashandelingen hebben volgens de delictsomschrijving in het Wetboek van Strafrecht per definitie betrekking op voorwerpen die afkomstig zijn uit enig misdrijf. Uit de bewezenverklaring van het witwasdelict volgt dus dat sprake is van een daaraan voorafgaand gepleegd gronddelict. Welke strafbare feiten dat zijn en door wie deze zijn gepleegd kan niet worden geconcretiseerd. Het hof laat in het midden of de pleger daarvan mogelijk iemand anders is geweest dan betrokkene.
Bij het geldbedrag van € 51.400,75 dat in de woning van betrokkene werd gevonden en het contant bij betrokkene aangetroffen bedrag van € 1.905,00 kan worden vastgesteld dat deze afkomstig zijn uit andere strafbare feiten dan de in de strafzaak bewezen verklaarde feiten, die op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Bij dat oordeel betrekt het hof dat de politie het geldbedrag van € 51.400,75 aantreft in dicht gesealde pakken, waarbij deze pakken achter het ventilatierooster van de afzuigkap in de keuken zijn aangetroffen. Het geld bestond uit verschillende coupures, waaronder enkele grotere coupures van € 500,- en € 200,-, die nauwelijks een rol spelen in het reguliere betalingsverkeer. In de keuken stond een doos met daarin een vacuümapparaat en folie. Uit onderzoek bleek dat dit folie overeenkwam met het folie waarin het geld verpakt zat. In de woning van betrokkene werden ook harddrugs en een digitale weegschaal, een doorgeladen vuurwapen en een notitieboekje met namen aangetroffen. Bij de insluitingsfouillering van betrokkene (van wie is vastgesteld dat hij geen eigen inkomen had) werd ook het geldbedrag van € 1.905,- en een zakje cocaïne aangetroffen. Al met al zijn dit voldoende aanwijzingen voor zijn betrokkenheid bij drugshandel, waarbij in het midden kan blijven welke rol betrokkene daarin heeft gespeeld.
Gelet op het voorgaande stelt het hof het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 53.305,75, bestaande uit het in de woning van betrokkene aangetroffen contante geldbedrag van € 51.400,75 en het bij betrokkene zelf aangetroffen contante geldbedrag van € 1.905,-.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Uitgangspunt is dat de betalingsverplichting wordt vastgesteld op het bedrag van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. In deze zaak geldt echter het volgende. Bij betrokkene zijn twee contante geldbedragen in beslag genomen. Het gaat om een totaalbedrag van € 53.305,75. De rechtbank heeft in het vonnis in de (onherroepelijke) strafzaak deze geldbedragen verbeurd verklaard. Het hof is van oordeel dat in verband met het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel deze verbeurdverklaarde geldbedragen in mindering moeten worden gebracht op de betalingsverplichting.
Nu het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van € 53.305,75 wordt verminderd met hetzelfde bedrag (€ 53.305,75), stelt het hof de verplichting tot betaling aan de Staat vast op nihil.
Redelijke termijn
Het hof stelt vast dat in hoger beroep de redelijke termijn waarin deze zaak had moeten worden behandeld en afgedaan in ruime mate is overschreden.
Het hof zal het laten bij deze constatering, nu er op grond van dit arrest geen betalingsverplichting wordt vastgesteld.

Wetsartikelen

De maatregel is gebaseerd op artikel 36e Sr.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold op het moment van de procedure.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €
53.305,75 (drieënvijftigduizend driehonderdvijf euro en vijfenzeventig cent).
Stelt de verplichting tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op
nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. L. Pieters, mr. P.F.E. Geerlings en mr. F.E.J. Goffin, in aanwezigheid van de griffier mr. K.M. Diender en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 22 december 2025.