ECLI:NL:GHARL:2025:8511

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
200.352.157
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning van beloning aan bewindvoerder bij verhuizing van rechthebbende

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 23 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep inzake de toekenning van een beloning aan de bewindvoerder van de rechthebbende, die betrokken is bij een verhuizing. De bewindvoerder had verzocht om een beloning op basis van artikel 3 lid 5 en onder b van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren. Dit artikel stelt twee vereisten voor de toekenning van een beloning: ten eerste moet er geen mentor zijn en ten tweede moet voldoende aannemelijk zijn dat de rechthebbende niet in staat is om de werkzaamheden die een eventuele mentor zou hebben uitgevoerd, zelf te verrichten. Het hof heeft vastgesteld dat de bewindvoerder niet in staat is geweest om aan te tonen dat er geen mentor was en dat de rechthebbende niet zelf de verhuizing kon regelen. De bewindvoerder had in een eerdere beschikking de gelegenheid gekregen om zijn stelling nader te onderbouwen, maar heeft dit niet voldoende gedaan. De rechthebbende had ook de kans om te reageren op de toelichting van de bewindvoerder, maar heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Het hof concludeert dat de bewindvoerder niet aan de vereisten heeft voldaan en bekrachtigt de eerdere beschikking van de kantonrechter, waarin de beloning aan de bewindvoerder werd geweigerd. De beslissing is genomen in het openbaar en is ondertekend door de rechters en de griffier.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.352.157
(zaaknummer rechtbank Gelderland BM44339)
beschikking van 23 december 2025
inzake
de besloten vennootschap
RechtOp B.V.,
gevestigd te Arnhem,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de bewindvoerder,
advocaat: mr. P.G.W. van Wees.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[rechthebbende],
wonende te [woonplaats] ,
verder te noemen: de rechthebbende.

1.Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Voor het verloop van het geding tot 9 september 2025 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.
1.2
In die beschikking heeft het hof de bewindvoerder in de gelegenheid gesteld om zijn stelling dat de rechthebbende de verhuizing niet zelf kon regelen nader te onderbouwen.
1.3
Het verdere verloop blijkt uit een journaalbericht van mr. Van Wees van 22 september 2025 met een nadere toelichting. De rechthebbende is in de gelegenheid gesteld daarop te reageren, maar heeft daar geen gebruik van gemaakt.

2.De motivering van de beslissing

2.1
Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van 9 september 2025, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.
2.2
Zoals in die beschikking uiteengezet zijn er twee vereisten voor de toekenning van een beloning aan de bewindvoerder in verband met de verhuizing van de rechthebbende als in artikel 3 lid 5 en onder b van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 4 november 2014, nr. 577811 (hierna: de Regeling). Namelijk (1) dat er geen mentor is en (2) dat voldoende aannemelijk is dat de rechthebbende niet in staat is om de werkzaamheden die een eventuele mentor ten aanzien van de verhuizing zou hebben opgepakt, zelf te verrichten.
Het is aan de bewindvoerder om in dat kader te vermelden dat er geen mentor is en tevens voldoende aannemelijk te maken waarom de rechthebbende de verhuizing zelf niet kan regelen.
2.3
De bewindvoerder geeft in zijn toelichting van 22 september 2025 aan taken te hebben verricht die expliciet tot die van de bewindvoerder behoren en dat het uitvoeren van die bewindvoerderstaken ook de reden is dat de rechthebbende en/of mentor dit niet zelf kunnen. Zoals het hof in de beschikking van 9 september 2025 echter al heeft opgemerkt volgt uit de toelichting op de Regeling dat de werkzaamheden die de bewindvoerder bij een verhuizing van de rechthebbende ook zou hebben als er een mentor is, zoals de taken die enkel door de bewindvoerder kunnen worden gedaan, geen aanspraak geven op de aanvullende vergoeding. De hierboven vermelde toelichting van de bewindvoerder zegt niks over de mogelijkheid van de rechthebbende om de werkzaamheden die een eventuele mentor ten aanzien van de verhuizing zou hebben opgepakt zelf te verrichten.
2.4
De bewindvoerder merkt in zijn toelichting daarnaast op dat de rechthebbende niet aangeboren hersenletsel heeft en twee maal een CVA en een maal een TIA heeft gehad, waardoor zij de door de bewindvoerder benoemde zaken niet zelf kan verrichten. Deze toelichting is naar het oordeel van het hof echter te summier.
2.5
Het is aan de bewindvoerder om voldoende feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken waaruit blijkt dat de rechthebbende niet in staat is om de werkzaamheden die een eventuele mentor ten aanzien van de verhuizing zou hebben opgepakt, zelf te verrichten. Daar is de bewindvoerder gelet op het voorgaande niet in geslaagd. Nu niet is voldaan aan de vereisten voor de toekenning van de beloning van de bewindvoerder in verband met de verhuizing van de rechthebbende, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.
2.6
In aanvulling op het voorgaande merkt het hof het volgende op. De bewindvoerder geeft in de nadere toelichting aan dat er ten behoeve van de rechthebbende een mentor is benoemd, maar laat na te vermelden per wanneer. Als de mentor al voor de verhuizing van de rechthebbende was benoemd, dan kan de verzochte vergoeding gelet op het voorgaande reeds om die reden niet worden toegekend.

4.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Gelderland, Toezicht, locatie Zutphen) van 12 december 2024.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, I.G.M.T. Weijers-van der Marck en K.A.M. van Os-ten Have, bijgestaan door mr. M.A. Mertens als griffier, en is op 23 december 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.