In deze zaak heeft de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, op 9 september 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de minderjarige, [de minderjarige], bij de vader. Deze machtiging was van kracht van 9 september 2025 tot 7 oktober 2025. De kinderrechter heeft op 25 september 2025 de GI gemachtigd om [de minderjarige] uit huis te plaatsen bij de vader tot 7 januari 2026. De moeder is het niet eens met deze beslissing en heeft hoger beroep aangetekend. Het hof heeft de zaak op 9 december 2025 behandeld, waarbij zowel de ouders als hun advocaten aanwezig waren. De vader en de GI steunen de beslissing van de kinderrechter, terwijl de moeder verzoekt om de beslissing te herzien of de duur van de machtiging te beperken. Het hof heeft vastgesteld dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige]. De moeder heeft zorgen geuit over de invloed van de vader op [de minderjarige] en beschuldigingen van seksueel misbruik, die door de vader zijn geuit. Het hof heeft de beslissing van de kinderrechter bekrachtigd, omdat de zorgen over de thuissituatie bij de moeder ernstig zijn en [de minderjarige] in de thuissituatie bij de vader beter lijkt te functioneren. Het hof heeft ook benadrukt dat de GI een rol heeft in het contactherstel tussen de moeder en [de minderjarige].