ECLI:NL:GHARL:2025:8523

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
200.360.861
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uithuisplaatsing van minderjarige bij andere ouder met gezag

In deze zaak heeft de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, op 9 september 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de minderjarige, [de minderjarige], bij de vader. Deze machtiging was van kracht van 9 september 2025 tot 7 oktober 2025. De kinderrechter heeft op 25 september 2025 de GI gemachtigd om [de minderjarige] uit huis te plaatsen bij de vader tot 7 januari 2026. De moeder is het niet eens met deze beslissing en heeft hoger beroep aangetekend. Het hof heeft de zaak op 9 december 2025 behandeld, waarbij zowel de ouders als hun advocaten aanwezig waren. De vader en de GI steunen de beslissing van de kinderrechter, terwijl de moeder verzoekt om de beslissing te herzien of de duur van de machtiging te beperken. Het hof heeft vastgesteld dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige]. De moeder heeft zorgen geuit over de invloed van de vader op [de minderjarige] en beschuldigingen van seksueel misbruik, die door de vader zijn geuit. Het hof heeft de beslissing van de kinderrechter bekrachtigd, omdat de zorgen over de thuissituatie bij de moeder ernstig zijn en [de minderjarige] in de thuissituatie bij de vader beter lijkt te functioneren. Het hof heeft ook benadrukt dat de GI een rol heeft in het contactherstel tussen de moeder en [de minderjarige].

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.360.861
zaaknummer rechtbank Gelderland 456562
beschikking van 23 december 2025
over de uithuisplaatsing van
[de minderjarige]( [de minderjarige] )
in de zaak van
[verzoekster](de moeder)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. M. Janse
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Gelderland(de GI)
die is gevestigd in Arnhem
en
[belanghebbende](de vader)
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. P.W.M. Splinter

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, heeft [de minderjarige] uithuisgeplaatst van 7 oktober 2025 tot 7 januari 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2013.
2.2.
De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige] .
2.3.
[de minderjarige] is op 1 september 2023 onder toezicht van Samen Veilig Midden-Nederland. De uitvoering van de ondertoezichtstelling is wegens een verhuizing overgedragen aan de GI. De ondertoezichtstelling is de afgelopen keer verlengd tot 1 oktober 2026.
[de minderjarige] woonde week op week af bij de moeder en de vader. Hij woont vanaf 1 september 2025 bij de vader.

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De GI heeft de kinderrechter verzocht [de minderjarige] met spoed uit huis te plaatsen bij de andere ouder met gezag (de vader) voor een periode van vier weken en een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen bij de vader voor de duur van drie maanden.
3.2
De kinderrechter heeft in de beschikking van 9 september 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing verleend om [de minderjarige] bij de vader te plaatsen met ingang van 9 september 2025 tot 7 oktober 2025 en de behandeling van het verzoek voor de rest van de periode aangehouden.
3.3
In de beschikking van 25 september 2025 (hierna: de bestreden beschikking) heeft de kinderrechter de GI gemachtigd om [de minderjarige] uit huis te plaatsen bij de vader met ingang van 7 oktober 2025 tot 7 januari 2026.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt of dat de duur van de machtiging wordt beperkt.
4.2.
De vader is het wel eens met de beslissing van de kinderrechter. Hij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter in stand laat.
4.3.
De GI wil ook dat de beslissing in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.4.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift
  • het verweerschrift van de vader
  • het verweerschrift van de GI
  • de stukken van de moeder, ingediend op 27 november 2025
  • de brief van de raad van 6 november 2025, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting
  • de stukken van de vader, ingediend op 2 december 2025
  • de stukken van de moeder, ingediend op 3 december 2025
4.5.
[de minderjarige] heeft op 8 december 2025 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Hij heeft verteld wat hij vindt van de uithuisplaatsing.
4.6.
De zitting bij het hof was op 9 december 2025.
Aanwezig waren:
  • de ouders met hun advocaten
  • twee vertegenwoordigers van de GI

5.Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?
5.1.
De kinderrechter kan een machtiging geven een kind uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen [1] .
Wat vinden de ouders en de GI?
5.2.
De moeder ziet een patroon bij de vader waarbij zijn beschuldigingen jegens haar steeds heftiger worden. Inmiddels wordt zij zelfs van seksueel misbruik van [de minderjarige] beschuldigd, juist op het moment dat er een nieuwe GI is ingezet die niet op de hoogte is van het patroon en de onterechte uitingen door de vader in het verleden. De beschuldigingen, die de moeder ontkent, zijn nooit bevestigd. De vader beïnvloedt en belast [de minderjarige] en doet zijn best om [de minderjarige] uit het leven van de moeder te bannen. De moeder wil [de minderjarige] graag ontschuldigen, waarmee zij bedoelt dat zij [de minderjarige] wil laten merken dat zij niet boos op hem is over wat hij over haar gezegd heeft. Ook wil zij graag dat het contact met hem wordt hersteld. De weerstand tegen de moeder en de angst van [de minderjarige] voor haar zullen groter worden naarmate hij langer bij de moeder wordt weggehouden. [de minderjarige] zit klem tussen de ouders, waardoor zijn spanningen kunnen worden verklaard. Dat maakt het ook begrijpelijk dat hij zich nu beter kan ontspannen bij de vader thuis. Hij heeft geen contact meer met de moeder zodat hij niet meer klem zit.
De moeder staat open voor hulpverlening, ook in haar thuissituatie.
5.3.
De vader vindt dat de moeder door haar strijd [de minderjarige] schaadt in zijn psychische ontwikkeling en gezondheid. Hij probeert [de minderjarige] niet uit het leven van de moeder te houden. Bij hem thuis zijn geen signalen gevonden van beïnvloeding of onveiligheid binnen de opvoedsituatie. Hij handelt in het belang van [de minderjarige] . [de minderjarige] is consistent in zijn uitspraken en uit zijn angst voor de situatie bij de moeder regelmatig.
De politie doet, op verzoek van het Openbaar Ministerie, nader onderzoek naar aanleiding van de aangifte van seksueel misbruik.
5.4.
De GI ziet dat [de minderjarige] in de thuissituatie van de vader steeds meer kan ontspannen. De GI ziet bij [de minderjarige] geen signalen van ouderverstoting. De spanningen bij [de minderjarige] lopen op als er over de moeder wordt gepraat. [de minderjarige] blijft bij zijn verhaal over wat er bij de moeder is gebeurd. Voor [de minderjarige] is tekenondersteuning ingezet. [de minderjarige] is ook aangemeld bij [naam1] (voor psychodiagnostisch onderzoek); de ouders hebben een startgesprek gehad en er komt binnenkort een advies.
De GI vindt het in het belang van [de minderjarige] dat de moeder meewerkt aan hulpverlening; dat zou gelijk kunnen lopen met het contactherstel.
De GI heeft een verlengingsverzoek van de machtiging tot uithuisplaatsing ingediend bij de kinderrechter voor de periode na 7 januari 2026.
Hoe oordeelt het hof?
5.5.
De machtiging voor de uithuisplaatsing van [de minderjarige] loopt tot 7 januari 2026.
De machtiging aan de GI is terecht gegeven, omdat [de minderjarige] vanwege de grote zorgen niet langer bij de moeder kon blijven wonen. De beslissing van de kinderrechter zal dan ook in stand blijven (worden bekrachtigd).
5.6.
[de minderjarige] laat spanningen zien in het contact met de moeder. Hij vertelt dat hij door de moeder is geslagen, dat hij van haar moet liegen, dat zij veel boos op hem is en dat zij aan zijn piemel heeft gezeten. Het hof kan niet beoordelen of de verhalen van [de minderjarige] wel of niet waar zijn en in hoeverre de jarenlange strijd tussen de ouders hierin een rol speelt. Duidelijk is dat [de minderjarige] een bepaald beeld van de moeder in zijn hoofd heeft of in ieder geval op deze manier over de moeder spreekt, en dat is zorgelijk.
5.7.
Na de bestreden beschikking is er in de periode van eind september tot november ambulante spoedhulp (ASH) ingezet in de situatie bij de vader. ASH heeft meer zicht verkregen in de thuissituatie bij de vader en heeft in deze korte periode geen bijzonderheden gezien. [de minderjarige] lijkt in deze periode steeds meer te ontspannen – voor het hof is de oorzaak hiervan onduidelijk – en de situatie bij de vader lijkt veilig te zijn. ASH heeft adviezen gegeven, waaronder de inzet van tekenondersteuning voor [de minderjarige] , aanmelding bij [naam1] voor onderzoek en dat ondersteuning in de thuissituatie bij de moeder en in het contactherstel nodig is. Positief is dat er voor [de minderjarige] inmiddels tekenondersteuning is ingezet en dat de ouders een startgesprek hebben gehad bij [naam1] .
Bij de moeder is in de thuissituatie nog geen ondersteuning ingezet. Er is ook weinig zicht op haar thuissituatie. Het hof heeft de indruk dat de GI de hulpverlening in de thuissituatie van de moeder afhankelijk stelt van de aanwezigheid van [de minderjarige] in het gezin van de moeder. Hierdoor ontstaat een patstelling. De GI lijkt namelijk weinig te doen om te komen tot contactherstel tussen de moeder en [de minderjarige] . De GI legt de beslissing tot contactherstel geheel bij [de minderjarige] , maar dat kan niet van hem worden verwacht. De GI heeft hierin een taak. Daarbij heeft de GI de moeder nog onvoldoende in staat gesteld om [de minderjarige] te laten weten dat zij hem niets kwalijk neemt. Het hof ziet ook hierin een taak weggelegd voor de GI. Het hof verwacht dat de GI deze taken oppakt en [de minderjarige] hierin bij de hand neemt. Door niets te doen wordt [de minderjarige] versterkt in zijn beeld van de moeder en dat is niet in zijn belang. Het is begrijpelijk en ook de taak van de GI om de beschuldigen door [de minderjarige] jegens de moeder serieus te nemen, maar dat neemt niet weg dat de GI op korte termijn moet onderzoeken of en zo ja op welke manier (begeleid) contact tussen [de minderjarige] en de moeder mogelijk is, om zo [de minderjarige] in staat te stellen om zijn beeld van de moeder, daar waar nodig, bij te stellen.
5.8.
Het onderzoek bij de zedenpolitie loopt nog. Het is nog onduidelijk hoe dit verder zal verlopen.
Uitkomst procedure voor [de minderjarige]
5.9.
[de minderjarige] heeft tijdens het gesprek op 8 december 2025 laten weten dat hij de uitkomst van deze procedure graag door een brief van het hof wil horen. Het hof zal [de minderjarige] gelijk met deze beschikking een brief sturen.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 25 september 2025.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, R. Feunekes en A.T. Bol, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025.

Voetnoten

1.artikel 1:265b lid 1 BW.