ECLI:NL:GHARL:2025:8564

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
200.349.702
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige afbouwregeling van persoonlijke toeslag bij overgang van onderneming in arbeidsrecht

In deze zaak heeft [de chauffeur] hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, waarin zijn vorderingen tot betaling van een persoonlijke toeslag werden afgewezen. De zaak betreft een arbeidsconflict na de overgang van onderneming in 2014, waarbij [de chauffeur] in dienst kwam bij [geïntimeerde]. Bij de arbeidsovereenkomst was een afbouwregeling van de persoonlijke toeslag opgenomen, die [de chauffeur] betwistte. Hij stelde dat deze regeling in strijd was met artikel 7:663 BW, dat de rechten van werknemers bij een overgang van onderneming beschermt. Het hof oordeelde dat de afbouwregeling nietig was, omdat deze een wezenlijke verslechtering van de arbeidsvoorwaarden inhield. Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en wees de vorderingen van [de chauffeur] toe, inclusief de betaling van de openstaande persoonlijke toeslag en vakantietoeslag, vermeerderd met wettelijke rente. Tevens werd [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. De uitspraak benadrukt de bescherming van werknemersrechten bij een overgang van onderneming en de onrechtmatigheid van afbouwregelingen die in strijd zijn met de wet.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.349.702
zaaknummers rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht 11006958
arrest van 23 december 2025
in de zaak van:
[appellant]
die woont in [woonplaats]
hierna: [de chauffeur]
advocaat: mr. R.A. Severijn
tegen
[geïntimeerde] B.V.
die is gevestigd in [vestigingsplaats]
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. B.I. van Vugt

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
[de chauffeur] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht (hierna: de kantonrechter) op 6 november 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep
• de memorie van grieven
• de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep
• de memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep
• het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 11 november 2025 is gehouden
1.2
Hierna heeft het hof arrest bepaald.

2.De kern van de zaak

2.1
[de chauffeur] is na een overgang van de onderneming van zijn toenmalig werkgever in 2014 in dienst gekomen bij (rechtsvoorgangers van) [geïntimeerde] . Bij [geïntimeerde] gold (en geldt) een standaard-cao. Het salaris dat [de chauffeur] bij zijn oude werkgever kreeg, was hoger dan het cao-loon. [de chauffeur] heeft voorafgaand aan de indiensttreding een nieuwe arbeidsovereenkomst ondertekend waarin zijn salaris is bepaald op het cao-loon, dat met een persoonlijke toeslag werd aangevuld tot het salarisniveau bij zijn vorige werkgever. Daarnaast bevatte de arbeidsovereenkomst een afbouwregeling van die persoonlijke toeslag. Kern van het geschil is de vraag of die afbouwregeling rechtsgeldig is.
2.2
[de chauffeur] heeft bij de kantonrechter (verkort weergegeven) gevorderd een verklaring voor recht en veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van het openstaande bedrag aan persoonlijke toeslag vanaf periode 4 van 2018 tot en met periode 8 van 2023 en de toeslag vanaf periode 9 van 2023 tot het einde van het dienstverband, met nevenvorderingen.
2.3
De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen en [de chauffeur] veroordeeld in de proceskosten. [de chauffeur] is het daar niet mee eens. De bedoeling van zijn hoger beroep is dat zijn vorderingen alsnog worden toegewezen. [geïntimeerde] heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
2.4
Het hof wijst de vorderingen van [de chauffeur] toe en laat het vonnis van de kantonrechter niet in stand. Deze beslissing wordt hierna uitgelegd.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

de achtergrond van de zaak
3.1
[de chauffeur] is op 11 maart 2002 als chauffeur in dienst getreden bij Baxter B.V. Op deze arbeidsovereenkomst was geen cao van toepassing. [de chauffeur] is als gevolg van een overgang van onderneming:
-per 1 januari 2014 in dienst getreden bij [geïntimeerde]
-per 1 januari 2019 in dienst getreden bij Omega Logistics B.V., een transportonderneming die hoort bij de [geïntimeerde] -groep
-per 1 januari 2022 in dienst getreden bij [geïntimeerde] .
Het dienstverband is inmiddels geëindigd.
3.2
De opvolgend werkgevers van [de chauffeur] waren steeds gebonden aan aanvankelijk de cao Goederenvervoer Nederland, later opgevolgd door de cao Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen (hierna: de cao). Die gebondenheid gold uit hoofde van lidmaatschap van een van de cao-partijen en/of omdat de cao algemeen verbindend was verklaard. Ook [de chauffeur] is lid van een bij de cao aangesloten vakbond.
3.3
Naast [de chauffeur] zijn in 2014 circa vijf andere chauffeurs overgegaan naar [geïntimeerde] . De chauffeurs hebben allen in december 2013 een arbeidsovereenkomst getekend met de nieuwe werkgever [geïntimeerde] . In die arbeidsovereenkomst is de cao van toepassing verklaard. [geïntimeerde] heeft de chauffeurs ingeschaald in de uit de cao voortvloeiende loonschaal. Het daarbij behorende loon was lager dan het loon dat de chauffeurs bij Baxter ontvingen. [geïntimeerde] heeft daarom in de arbeidsovereenkomst opgenomen dat [de chauffeur] een persoonlijke toeslag van € 396,12 bruto per vier weken ontvangt. Verder is bepaald dat die toeslag wordt afgebouwd met elke cao-verhoging (“
initiële- en tredeverhoging”). Deze bepaling wordt hierna de afbouwregeling genoemd. Ook in de opvolgende arbeidsovereenkomsten gold een persoonlijke toeslag met afbouwregeling.
3.4
Een van de chauffeurs, [naam1] , heeft [geïntimeerde] in een andere procedure betrokken over (onder meer) de rechtsgeldigheid van de afbouwregeling. Dit hof heeft bij arrest van 7 februari 2023 geoordeeld dat de afbouwregeling nietig is en [geïntimeerde] veroordeeld tot doorbetaling van de persoonlijke toeslag [1] .
3.5
[de chauffeur] heeft bij e-mail van 23 maart 2023 [geïntimeerde] onder verwijzing naar dit arrest verzocht om de persoonlijke toeslag aan hem uit te betalen. [geïntimeerde] heeft hieraan geen gehoor gegeven.
de rechtsgeldigheid van de afbouwregeling
de standpunten van partijen
3.6
[de chauffeur] vindt dat niet terecht. Hij legt aan zijn vorderingen primair ten grondslag dat de overeengekomen afbouwregeling nietig is. Daarnaast voert hij aan dat [geïntimeerde] niet handelt als goed werkgever: zij heeft het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zij zich zou neerleggen bij het arrest van dit hof in de zaak van [naam1] en behandelt haar werknemers ongelijk door [naam1] wel uit te betalen en de andere chauffeurs niet. Ter onderbouwing van de primaire grond stelt [de chauffeur] dat de afbouwregeling een verslechtering van zijn arbeidsvoorwaarden inhoudt. Het salaris dat hij bij Baxter verdiende is daardoor gedurende een zeer lange periode bevroren. Dat is in strijd met de wet.
3.7
[geïntimeerde] betwist dat. Ten tijde van de overgang van de onderneming en daarna was bij haar een standaard-cao van toepassing was. Die cao laat geen salarisafwijkingen toe. Daarom was achteraf bezien de persoonlijke toeslag die aan de chauffeurs is toegekend niet terecht. Door de normerende werking van de cao zou, zonder een andersluidende afspraak, het salaris na de overgang van de onderneming naar cao-niveau verminderd zijn. De vermindering van het salaris is niet het gevolg van de overgang van de onderneming, maar van de gelding van de cao. [geïntimeerde] heeft met toekenning van de persoonlijke toeslag meer gedaan dan waar de chauffeurs recht op hadden, en de afbouwregeling is dan ook rechtsgeldig. [geïntimeerde] wijst in dit verband naar diverse uitspraken van het Europese Hof van Justitie. Daarnaast betwist [geïntimeerde] dat de werknemers een recht op salarisverhoging hadden bij Baxter. Tot slot beroept [geïntimeerde] zich op verjaring.
het beoordelingskader
3.8
De afbouwregeling is overeengekomen voorafgaand aan een overgang van de onderneming, zo staat tussen partijen vast. De wettelijke regeling daarvan in het Burgerlijk Wetboek (BW) is de implementatie van (de rechtsvoorgangers van) de Europese Richtlijn 2001/23/EG van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen (hierna: de Richtlijn). Artikel 7:663 BW regelt dat de ten tijde van de overgang bestaande rechten en plichten van werknemers overgaan op de verkrijgende werkgever.
3.9
Het hof stelt voorop dat bij Baxter geen cao gold. Het gaat hier dus niet om de vraag welke rechten uit een bij de vervreemder geldende cao mee overgaan en hoe de (een aan een cao gebonden) verkrijger daarmee moet omgaan. Die kwestie is geregeld in artikel 3 lid 3 van de Richtlijn en geïmplementeerd in artikel 14a Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst, maar mist hier dus toepassing. Dat geldt ook voor de uitspraken van het Europese hof daarover waarop [geïntimeerde] zich in dit verband beroept [2] .
welke rechten zijn mee overgegaan?
3.1
Op grond van artikel 7:663 BW zijn de op 1 januari 2014, het moment van de overgang van de onderneming, bij Baxter bestaande rechten van de chauffeurs overgegaan op [geïntimeerde] . Dit betekent dat [geïntimeerde] het salaris dat de chauffeurs bij Baxter verdienden moest respecteren. Zij heeft dat gedaan door toekenning van een persoonlijke toeslag bovenop het cao-loon. Daarmee werd het salarisniveau van de chauffeurs bij Baxter gehandhaafd. Daartoe was zij op grond van de Richtlijn en de wet ook gehouden. Het feit dat bij [geïntimeerde] een standaard-cao gold maakt dat niet anders. Volgens [geïntimeerde] bevat de cao een uitputtende regeling van het salaris en is afwijking daarvan via een persoonlijke toeslag niet toegestaan. Het hof volgt [geïntimeerde] hierin niet. De toekenning van de persoonlijke toeslag vloeit voort uit de wettelijke bescherming van werknemers bij een overgang van onderneming en die is van openbare orde. De cao bevat geen regeling over een overgang van onderneming, zodat werkgever en werknemer afspraken kunnen maken die daarmee samenhangen.
3.11
[de chauffeur] heeft gesteld en onderbouwd dat zijn salaris bij Baxter jaarlijks werd verhoogd. Dat is door [geïntimeerde] tijdens de mondelinge behandeling ook erkend. Weliswaar was er geen sprake van vaste percentages van de verhogingen volgens vaste maatstaven, maar dat neemt niet weg dat vaststaat dàt bij Baxter jaarlijks verhoging van het salaris plaatsvond. Nu daarmee sprake is van een bestendige gedragslijn die gedurende het gehele dienstverband is gevolgd, is sprake van een (verworven) recht op salarisverhoging. Dat recht is daarmee onderdeel van de arbeidsovereenkomst is geworden. Er was dus ten tijde van de overgang een concreet recht op verhoging en niet slechts sprake van verwachtingen, zoals [geïntimeerde] stelt. Dit is een op grond van art. 7:663 BW beschermd recht waarvan de chauffeurs uitsluitend na en niet wegens de overgang afstand konden doen. [3]
de afbouwregeling is nietig
3.12
[geïntimeerde] heeft de chauffeurs voorafgaande aan de overgang van de onderneming in december 2013 nieuwe arbeidsovereenkomsten laten tekenen, waarin de afbouwregeling voorkomt. Daarmee deden de chauffeurs afstand van hun recht op salarisverhoging voor de duur van de afbouwregeling. Gezien het verschil in salaris tussen het bij Baxter geldende loon en het cao-loon, betekende dit dat de chauffeurs gedurende een lange periode geen salarisverhoging zouden ontvangen. Dat is een wezenlijke verslechtering van de arbeidsvoorwaarden. [geïntimeerde] had (tenminste) rekening moeten houden met het bij Baxter bestaande recht op salarisverhoging door deze op enigerlei wijze mee te nemen in de nieuwe arbeidsvoorwaarden of een voor te stellen afbouwregeling. Zij heeft de arbeidsvoorwaarden van de door haar overgenomen werknemers voorafgaande aan de overname door de afbouwregeling op termijn willen aanpassen aan het cao-loon. Dat is een wijziging van de arbeidsvoorwaarden wegens de overgang van de onderneming en niet toegestaan. De werknemer behoort immers niet in de positie gebracht te worden waarin een verkrijger het behoud van de arbeidsovereenkomst bij de overgang afhankelijk stelt van instemming van de werknemer met verslechtering van zijn arbeidsvoorwaarden.
3.13
[geïntimeerde] heeft hiermee gehandeld in strijd met artikel 7:663 BW. De daarmee samenhangende rechtshandelingen zijn nietig. Dat geldt ook voor de afbouwregeling. [geïntimeerde] kan zich er daarom niet op beroepen dat de chauffeurs door ondertekening van de arbeidsovereenkomsten hebben ingestemd met wijziging van de arbeidsvoorwaarden.
de vorderingen
3.14
[geïntimeerde] heeft zich beroepen op verjaring van de vordering voor zover die ziet op de periode vóór 23 maart 2018. Op grond van artikel 3:307 BW verjaart een loonvordering als deze na verloop van vijf jaar na, kort gezegd, de opeisbaarheid. Partijen zijn het erover eens dat de onder 3.5 genoemde brief van 23 maart 2023 een stuitingshandeling is in de zin van de wet (artikel 3:317 BW). Nu de vordering ingaat vijf jaar voorafgaande aan de stuitingshandeling en de berekening dus is aangepast aan de verjaringstermijn gaat dit beroep niet op.
3.15
De vordering tot betaling van de persoonlijke toeslag is toewijsbaar. [de chauffeur] heeft die vordering verminderd tot het door [geïntimeerde] berekende bedrag. [de chauffeur] heeft niet onderbouwd dat hij daarnaast, mede gelet op het feit dat het dienstverband is geëindigd en de afbouwregeling is uitgewerkt, belang heeft bij de gevorderde verklaring voor recht. Die wordt dus niet toegewezen. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn gebaseerd op de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Gezien de hoogte van de vordering is een bedrag van € 1.025,71 toewijsbaar. Het hof ziet aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot nihil. Reden daarvoor is het tijdsverloop tussen de overname en het instellen van de vordering en de (mede daardoor) oplopende wettelijke rente.
slotsom
3.16
Omdat de vorderingen zullen worden toegewezen op de primaire grondslag komt het hof niet toe aan de beoordeling van de grondslag van het opgewekt vertrouwen/goed werkgeverschap. Het principaal hoger beroep slaagt en het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep niet. Het hof zal het vonnis van de kantonrechter vernietigen. [geïntimeerde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep.
3.17
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
4.1
vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 6 november 2024
4.2
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van een bedrag van € 25.071,56 bruto voor openstaande persoonlijke toeslag en vakantietoeslag, vermeerderd met de wettelijke rente telkens vanaf 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin de betreffende vordering is opgebouwd
4.3
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de persoonlijke toeslag van € 352,19 bruto per vier weken te vermeerderen met vakantietoeslag vanaf de periode 9 van 2023 tot de rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst, dit onder aftrek van de in dit kader door [geïntimeerde] verrichte en nog te verrichten betalingen
4.4
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van een bedrag van € 1.025,71 voor buitengerechtelijke incassokosten
4.5
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de volgende proceskosten van [de chauffeur] tot aan de uitspraak van de kantonrechter:
- € 706,- aan griffierecht
- € 135,97 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde]
- € 886,- aan salaris van de advocaat van [de chauffeur] (2 procespunten x € 543)
en tot betaling van de volgende proceskosten in hoger beroep:
- € 827,- aan griffierecht
- € 135,97 aan kosten voor het betekenen van de dagvaarding in hoger beroep aan [geïntimeerde]
- € 3.927,50 aan salaris van de advocaat van [de chauffeur] (2,5 procespunten x tarief III)
4.6
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad
4.7
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.E.F. Hillen, M.J.P. Heijmans en R.J.A. Dil en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025.

Voetnoten

2.waaronder HvJ EU 27 november 2008, C-396/07, ECLI:EU:C:2008:656 (Juuri) en
3.HvJ EU 10 februari 1988, C-324/86, ECLI:EU:C:1988:72 (Daddy’s Dance Hall), punt 14-17 en