ECLI:NL:GHARL:2025:8614

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
200.285.778/03
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake betaling achterstallige kosten kinderopvang na doorhaling

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van appellanten tegen een beslissing van de kantonrechter van 21 april 2020, waarin zij zijn veroordeeld tot betaling van achterstallige kosten van kinderopvang aan Kids First Kindercentra Nederland B.V. De procedure is eerder doorgehaald, maar is heropend op verzoek van de geïntimeerde. De appellanten hebben betoogd dat zij meer hebben betaald dan de vordering van de geïntimeerde, maar de kantonrechter heeft dit verweer verworpen. Het hof heeft vastgesteld dat de bewijslast van betaling op de appellanten rust en dat de overgelegde bewijsstukken niet overtuigend zijn. Het hof heeft de vordering van de geïntimeerde toegewezen, met inachtneming van enkele betalingen die door de appellanten zijn gedaan. Uiteindelijk heeft het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigd en de appellanten hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 9.023,28 aan de geïntimeerde, met wettelijke rente en proceskosten. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.285.778/03
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 8023662
arrest van 23 december 2025
in de zaak van

1.[appellant1]

2. [appellant2]
die beiden wonen in [woonplaats1]
samen [appellanten]
advocaat: mr. A.J. Welvering
en
Kids First Kindercentra Nederland B.V.
die is gevestigd in [woonplaats2]
advocaat: mr. S.K. Tuithof

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
Na het tussenarrest van 26 augustus 2025 hebben [appellanten] een akte genomen waarop [geïntimeerde] bij antwoordakte heeft gereageerd.
1.2.
Hierna heeft [geïntimeerde] de aanvullende stukken overgelegd voor arrest.

2.De procedure wordt hervat en hof doet meteen uitspraak

2.1.
[appellanten] zijn in hoger beroep gegaan tegen de beslissing van de kantonrechter van 21 april 2020 waarin zij zijn veroordeeld tot betaling van achterstallige kosten van kinderopvang. In 2021 vond een comparitie na aanbrengen plaats, waarna een memorie van grieven en, na de eerste doorhaling en het opnieuw aanbrengen van de procedure, een memorie van antwoord is genomen. Nadat de zaak op verzoek van partijen (voor de tweede maal) eind 2021 was doorgehaald, heeft [geïntimeerde] in 2025 verzocht de zaak weer op de rol te plaatsen. De zaak is heropend met het doel dat partijen zich kunnen uitlaten over concrete vragen van de rolraadsheer over de afspraken die voor partijen de reden voor doorhaling waren, omdat die afspraken van belang kunnen zijn voor het antwoord op de vraag of de zaak weer op de rol kan worden geplaatst. Mr. Tuithof heeft zich daarover uitgelaten in zijn brief van 18 april 2025 aan het hof en mr. Welvering in de akte na het tussenarrest van 26 augustus 2025.
2.2.
Volgens mr. Tuithof is de zaak doorgehaald nadat mr. Welvering op 15 december 2021 had aangegeven bericht van een deskundige te willen afwachten en dat de zaak indien nodig weer op de rol geplaatst kon worden. De deskundige heeft echter ondanks diverse verzoeken van mr. Tuithof niet meer gereageerd. Niet is gebleken dat de verlangde werkzaamheden zijn uitgevoerd. Daarom wenst zijn cliënte [geïntimeerde] nu arrest op de stukken.
2.3.
Mr. Welvering schrijft dat, voor zover zijn cliënten kunnen nagaan, de bedoeling eind 2021 was dat er alsnog een bindend advies zou worden verkregen en dat de zaak alleen weer op de rol geplaatst zou worden als er daarna nog een geschil zou zijn. Nu er geen bindend advies is en het erop lijkt dat de aangezochte deskundige het werk niet heeft gedaan, is volgens [appellanten] niet voldaan aan de vereiste voorwaarde voor het plaatsen van de zaak op de rol.
2.4.
Het hof neemt geen genoegen met het standpunt van [appellanten] waarin niet wordt aangegeven wat zij hebben ondernomen om de - kennelijk wel aangezochte - deskundige te bewegen tot het geven van het verlangde advies. Er is gezien de antwoorden van partijen op de vragen van de rolraadsheer nog steeds sprake van een geschil. Het is niet aanvaardbaar dat [appellanten] achterover leunen en hun eventuele betalingsverplichting tot Sintjuttemis daarmee mogen opschorten. De procedure wordt daarom hervat.
Omdat geen van partijen nog een proceshandeling hoeft te verrichten en [geïntimeerde] de aanvullende stukken heeft overgelegd voor arrest, zal het hof hierna inhoudelijk uitspraak doen.

3.De kern van de zaak en de vaststaande feiten

3.1.
[geïntimeerde] heeft in opdracht van [appellanten] hun minderjarige kinderen opgevangen in de periode van juli 2017 tot en met november 2018. [appellanten] hebben [geïntimeerde] een doorlopende machtiging gegeven voor automatische incasso vanaf de Raborekening op naam van [appellant2] , welk rekeningnummer eindigt op [nummer1] .
Op 6 december 2018 heeft [geïntimeerde] de ouders schriftelijk aangemaand de achterstallige bijdrage voor vier onbetaald gelaten facturen en nog een grotendeels onbetaald gebleven factuur (tot een totaalbedrag van € 8.737,23) te betalen binnen 15 dagen en buitengerechtelijke incassokosten aangezegd als niet binnen die termijn is betaald.
3.2.
Het bleek dat [appellanten] binnen de reguliere betaaltermijn (op 22 oktober 2018) nog € 300,- hadden betaald op een openstaande factuur (met nummer [nummer2] ). In de loop van de procedure bij de kantonrechter heeft [geïntimeerde] haar vordering verminderd tot
€ 8.137,23 in hoofdsom, te vermeerderen met € 242,50 opeisbaar geworden rente en
€ 964,20 aan buitengerechtelijke kosten.
3.3.
[appellanten] hebben als verweer aangevoerd dat zij zelfs meer hebben betaald dan [geïntimeerde] vordert en enkele bankafschriften overgelegd, ook van een Raborekeningnummer dat eindigt op [nummer3] . De kantonrechter heeft dat verweer verworpen omdat [geïntimeerde] gemotiveerd heeft betwist dat zij méér betalingen heeft ontvangen dan zij in haar opgave heeft vermeld of in de processtukken heeft erkend. Diverse keren hebben [appellanten] betalingen laten storneren omdat zij het met incasso oneens waren. [appellanten] hebben ook na contact met hun betalingsverwerker niet onderbouwd dat zij meer hebben betaald dan [geïntimeerde] zegt te hebben ontvangen. De vordering van [geïntimeerde] is toegewezen.
3.4.
De bedoeling van het hoger beroep van [appellanten] is dat de vordering van [geïntimeerde] alsnog wordt afgewezen en dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld in de proceskosten van de kantonprocedure en van het hoger beroep.
3.5.
Het hof zal beslissen dat het bezwaar (‘de grief’) van [appellanten] grotendeels moet worden verworpen, omdat alleen nog met een extra betaling van € 300,- rekening gehouden moet worden. Die beslissing legt het hof hierna uit.

4.De toelichting op de beslissing van het hof

4.1.
Dat [geïntimeerde] diensten heeft verricht voor [appellanten] en dat [appellanten] daarvoor moet betalen staat in deze procedure niet ter discussie. Het geschil betreft de vraag of betaald is. De bewijslast van betaling rust op degene die zich erop beroept dat de vordering van een schuldeiser moet worden afgewezen omdat al betaald is, dus op [appellanten] .
Het hof stelt vast dat overgelegde bewijsstukken omtrent de betalingen niet uitmunten in inzichtelijkheid. Er is vanaf meerdere bankrekeningnummers betaald naar verschillende bankrekeningnummers en ook zijn betalingen gestorneerd. Het accountantsonderzoek waarover partijen tijdens de mondelinge behandeling na aanbrengen het eens waren geworden, heeft nooit plaats gevonden. Het hof zal hierna aan de hand van de beschikbare stukken beoordelen of [appellanten] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de gevorderde bedragen al zijn betaald.
4.2.
[geïntimeerde] heeft de facturen gestuurd die hierna, na een door het hof toegevoegd regelnummer, in de tweede kolom staan, met daarachter de maand waarop de factuur betrekking heeft, dan het bedrag en vervolgens de datum waarop volgens [geïntimeerde] is betaald en de wijze waarop is betaald. Daarbij staat AI voor automatische incasso en Ideal voor overschrijving.
nummer hof
factuurnr
periode
bedrag
betaald op
betaalwijze
1
1222058
juli 2017
900,46
25-08-2017
AI
2
1222197
augustus 2017
360,18
25-08-2017
AI
3
1222991
augustus 2017
368,02
20-10-2017
Ideal
4
1222815
september 2017
360,18
25-08-2017
AI
5
1223210
september 2017
360,18
20-10-2017
Ideal
6
1224117
september 2017
720,36
02-11-2017
Ideal
7
1223876
oktober 2017
360,18
20-10-2017
Ideal
8
1225205
oktober 2017
1.080,54
22-01-2018
Ideal
9
1224972
november 2017
360,18
26-11-2017
Ideal
10
1226247
november 2017
540,28
11
1226057
december 2017
360,18
28-11-2017
Ideal
12
1227532
december 2017
814,32
21-02-2018
Ideal
13
1227210
januari 2018
373,52
26-01-2018
AI
14
1228828
januari 2018
560,28
20-03-2018
Ideal
15
1228615
februari 2018
373,52
21-02-2018
Ideal
16
[nummer2]
februari 2018
1.494,08
17
1229872
maart 2018
373,52
20-03-2018
Ideal
18
1230302
maart 2018
2.054,36
19
1231133
april 2018
373,52
21-04-2018
Ideal
20
1231578
april 2018
1.680,84
20-06-2018
Ideal
21
1232436
mei 2018
373,52
26-04-2018
AI
22
1232839
mei 2018
1.867,60
20-06-2018
Ideal
23
1233696
juni 2018
373,52
25-05-2018
AI
24
1234093
juni 2018
1.680,84
20-07-2018
Ideal
25
1235006
juli 2018
373,52
20-08-2018
Ideal
26
1236496
juli 2018
2.241,12
27
1236257
augustus 2018
280,14
26-07-2018
AI
28
1236558
augustus 2018
93,38
27-08-2018
AI
29
1237658
augustus 2018
933,80
20-09-2018
Ideal
30
1237420
september 2018
1.244,58
31
1237855
september 2018
82,76
20-09-2018
Ideal
32
1239832
oktober 2018
1.762,81
33
1241161
november 2018
1.233,96
22-10-2018
handmatig
4.3.
[geïntimeerde] vordert, na vermindering van eis bij conclusie van repliek, als hoofdsom betaling van de bedragen in de regels 16, 18, 26, 30 en 32, verminderd met € 359,72 welk bedrag is afbetaald op het bedrag in regel 16 (zie de noot in die regel) en met het na de aanmaningsbrief betaalde bedrag van € 300,-. Daarmee was de hoofdsom vóór aanmaning volgens [geïntimeerde] € 8.437,23 waarover zij € 242,50 aan rente en € 964,20 aan buitengerechtelijke kosten inclusief btw heeft berekend. Op het totaal van € 9.643,93 strekt dan de later betaalde € 300,- in mindering. De kantonrechter heeft € 9.343,93 toegewezen met wettelijke rente over € 8.137,23 vanaf 12 november 2019.
4.4.
[appellanten] hebben in hun productie 2 bij memorie van grieven (op de ongenummerde 6e en 7e bladzijde van deze productie) een overzicht gegeven van bedragen die zij vanaf 25 augustus 2017 volgens hen hebben betaald. Op de ongenummerde bladzijdes 8 en 9 van die productie hebben zij de gestelde betalingen gerelateerd aan factuurnummers. De opgave van afboekingen van hun rekening die eindigt op [nummer3] op bladzijde 6 stemt overeen met de door [geïntimeerde] erkende ontvangsten, op twee uitzonderingen na.
De eerste uitzondering betreft de omvang van de gestelde betaling op 2 november 2017 van
€ 730,36, maar op bladzijde 8 staat een bedrag van € 720,36 zodat het hof van een verschrijving op bladzijde 6 uitgaat.
De tweede uitzondering betreft een gestelde derde betaling op 20 maart 2018 (naast de betalingen in regels 14 en 17) van € 300,-. Het overgelegde bankafschrift vermeldt bij deze afschrijving met code ‘bg’ geen factuurnummer, anders dan bij beide andere betalingen van die datum. Wel wordt een (volgens de aanmaning) juist bankrekeningnummer van [geïntimeerde] en het correcte debiteurennummer vermeld. Omdat uit de volledige reeks bankafschriften van de bewuste rekening tot eind 2018 geen terugboeking van dit bedrag blijkt, gaat het hof er in het voordeel van [appellanten] van uit dat [geïntimeerde] dit heeft ontvangen.
4.5
Van de betalingen vanaf het rekeningnummer dat eindigt op [nummer1] , vermeld op de hiervoor bedoelde zesde bladzijde van productie 2 bij memorie van grieven, is de rij vanaf 20 oktober 2017 tot en met 25 augustus 2017 als ontvangst erkend, evenals het op die bladzijde genoemde bedrag van € 373,52 dat is betaald op 26 januari 2018 (regel 13 in de tabel hierboven).
De overige door [appellanten] op bladzijde 6 genoteerde betalingen zijn door [appellanten] gestorneerd, zoals blijkt uit aantekening van [appellanten] zelf bij enkele bedragen, uit bankafschriften die [geïntimeerde] bij haar conclusie van repliek heeft overgelegd en uit een nog bij memorie van antwoord overgelegde bevestiging van de Rabobank.
Van de op bladzijde 7 vermelde bedragen zijn enkele als ontvangst erkend (in regel 21, 23, 27, 28, 16 [2] en 33). Voor het overige zijn de bedragen gestorneerd, met uitzondering van twee overschrijvingen van elk € 300,- op 20 juni 2018 en 20 september 2018. Beide keren vermelden de overgelegde bankafschriften de code ‘bg’ en geen factuurnummer, maar wel een juist bankrekeningnummer van [geïntimeerde] en het correcte debiteurennummer. Op de ongenummerde bladzijde 8 van productie 2 bij memorie van grieven staat dat een betaling van € 300,- op 26 juni 2018 met die van 20 september 2018 heeft gediend voor betaling van het bedrag in regel 10 van de tabel hierboven en voor het restant van € 59,72 in mindering is gebracht op regel 16. Het hof gaat ervan uit dat de datum 26 juni 2018 een typefout is en 20 juni 2018 moet zijn, want een betaling op 26 juni 2018 van € 300,- aan [geïntimeerde] komt niet naar voren in de bankafschriften van [appellanten] , noch in hun lijst van gestelde betalingen. Met de toerekening als hiervoor aangegeven is er geen reden om de twee overschrijvingen van elk € 300,- in mindering te brengen op de door [geïntimeerde] gevorderde hoofdsom.
4.6.
Partijen hebben geen bewijs aangeboden van een concrete stelling die, indien bewezen, tot een ander oordeel moet leiden en daarom gaat het hof aan hun algemene aanbod voorbij.
4.7.
Uit het voorgaande volgt dat de hoofdsom vóór aanmaning gesteld moet worden op
€ 300,- minder dan het onder 4.3. vermelde bedrag (€ 8.437,23), en dat de buitengerechtelijke kosten daarover, berekend volgens de wettelijke normering, € 946,05 inclusief btw bedragen. Het hof zal de wettelijke rente schatten op € 240,-. Toewijsbaar is dan 8.137,23 + 240 + 946,05 = € 9.323,28 minus € 300,- is € 9.023,28 met wettelijke rente over € 7.837,23 vanaf 12 november 2019. Het hof zal het vonnis van de kantonrechter gemakshalve vernietigen en de veroordeling in bovengenoemde zin aanpassen.
4.8.
Omdat [appellanten] de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zijn, zijn zij terecht veroordeeld in de kosten van de procedure bij de kantonrechter en worden zij ook veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. Die rente is verschuldigd vanaf twee weken na die betekening. [3]
In hoger beroep wordt het salaris van de advocaat berekend op basis van 2 punten, tarief I in hoger beroep (€ 858,- per punt). De wettelijke rente over de proceskosten van het hoger beroep is verschuldigd indien die kosten niet binnen veertien dagen na heden zijn betaald.
4.9.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

5.De beslissing

Het hof:
5.1.
vernietigt het vonnis van de kantonrechter van 21 april 2020;
5.2.
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk, zodat als de één betaalt de ander daarvan is vrijgesteld, tot betaling aan [geïntimeerde] van € 9.023,28 met wettelijke rente over € 7.837,23 vanaf 12 november 2019 tot voldoening;
5.3.
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de kosten van de procedure bij de kantonrechter, vastgesteld op € 1.189,06;
5.4.
veroordeelt [appellanten] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] in hoger beroep:
€ 760,- aan griffierecht
€ 1.716,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde]
en bepaalt dat deze kosten moeten worden betaald binnen veertien dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
5.5.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.E.L. Fikkers, J.H. Kuiper en J. Smit, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
23 december 2025.

Voetnoten

1.Hiervan is volgens [geïntimeerde] op enig moment € 59,72 voldaan (aanmaning 6 december 2018) en
2.Zie noot bij regel 16.
3.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.