Appellanten zijn in hoger beroep gegaan tegen een vonnis van de kantonrechter waarin zij werden veroordeeld tot betaling van achterstallige kinderopvangkosten aan geïntimeerde. De procedure kende meerdere doorhalingen en heropeningen, waarbij onduidelijkheid bestond over de betaling van facturen en de rol van een deskundige.
Het geschil betrof de vraag of appellanten de gevorderde bedragen reeds hadden voldaan. Het hof stelde vast dat de bewijslast van betaling bij appellanten lag en dat de overgelegde betalingsbewijzen onvoldoende inzicht boden. Diverse betalingen waren gestorneerd en een accountantsonderzoek was niet uitgevoerd.
Na een gedetailleerde analyse van de facturen, betaaldata en bankafschriften concludeerde het hof dat appellanten slechts een bedrag van €300,- in mindering konden brengen op de hoofdsom. Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde appellanten tot betaling van €9.023,28 met wettelijke rente vanaf 12 november 2019, alsmede in de proceskosten van zowel de kantonrechterlijke procedure als het hoger beroep.
De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad en appellanten zijn hoofdelijk aansprakelijk, zodat betaling door één van hen de ander vrijstelt. Het hof wees verder gevorderde zaken af en legde een termijn van veertien dagen voor betaling van de proceskosten.