ECLI:NL:GHARL:2025:8637

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
200.347.539
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wmo 2015cao-VVTHR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over reëel Wmo-tarief en juiste indexatie voor thuiszorgaanbieder

Thuiszorg Gooi en Vechtstreek Services B.V. (TGVS) voerde hoger beroep tegen de afwijzing van haar vorderingen door de rechtbank Midden-Nederland. TGVS stelde dat het starttarief van 2021 en de indexaties in 2022 en 2023 niet reëel waren volgens de Wmo 2015, en vorderde een herziening met terugwerkende kracht en een nieuw kostprijsonderzoek.

Het hof oordeelde dat het starttarief van €29,40 per uur reëel was, mede omdat TGVS instemde met het tarief na een kostprijsonderzoek en inspraakprocedure. De vermeende niet-betrokken cao-componenten werden onvoldoende onderbouwd door TGVS, terwijl de gemeenten dit gemotiveerd betwistten. Ook de indexaties in 2022 en 2023 voldeden aan het overeengekomen indexatiemechanisme en waren reëel.

TGVS kon niet aantonen dat zij een negatief resultaat op de Wmo-zorg had behaald, noch dat zij een redelijk efficiënt functionerende aanbieder was. Het hof bevestigde dat de gemeenten transparant waren over de tariefvaststelling en indexatie. Het hoger beroep werd afgewezen en TGVS werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep af en bekrachtigt het vonnis dat het starttarief en de indexaties als reëel beoordeelt.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.347.539
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 561119
arrest van 30 december 2025
in de zaak van
Thuiszorg Gooi en Vechtstreek Services B.V.
die is gevestigd in Huizen
advocaat: mr. A.C. Beijering-Beck
en

1.Gemeente Blaricum

die is gezeteld in Blaricum

2. Gemeente Eemnes

die is gezeteld in Eemnes

3. Gemeente Gooise Meren

die is gezeteld in Bussum

4. Gemeente Hilversum

die is gezeteld in Hilversum

5. Gemeente Huizen

die is gezeteld in Huizen

6. Gemeente Laren

die is gezeteld in Laren

7. Gemeente Wijdemeren

die is gezeteld in Loosdrecht
advocaat: mr. C.A.M. Lombert
Partijen worden hierna TGVS en de gemeenten genoemd.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
TGVS heeft bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, op 8 mei 2024 tussen partijen heeft uitgesproken.
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep
  • de memorie van grieven
  • de memorie van antwoord
  • een akte overlegging producties van de gemeenten
  • een akte overlegging producties van TGVS
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 3 december 2025 is gehouden.

2.De kern van de zaak

2.1.
Met ingang van 1 januari 2021 hebben partijen een overeenkomst voor de duur van acht jaar gesloten op basis waarvan TGVS in de gemeenten thuiszorg in de zin van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) levert. Deze overeenkomst is tot stand gekomen nadat TGVS in 2020 een inkoopprocedure had doorlopen. In het kader van die inkoopprocedure heeft bureau HHM een kostprijsonderzoek verricht. Het door HHM geadviseerde tarief is na indexatie per 1 januari 2021 vastgesteld als starttarief voor 2021.
In het op de overeenkomst van toepassing zijnde ‘Toelatingsdocument’ is een indexatiemechanisme ten aanzien van het starttarief opgenomen.
2.2.
TGVS stelt zich op het standpunt dat het starttarief geen reëel tarief in de zin van de Wmo 2015 was en dat de indexatie in 2022 en 2023 niet juist is uitgevoerd. TGVS vordert dat de gemeenten worden veroordeeld om met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2023 een reële prijs vast te stellen, door het tarief 2022 alsnog met een hoger tarief te indexeren en het verschil na te betalen, dan wel door een kostenonderzoek op het prijspeil 2023 te laten uitvoeren. De gemeenten stellen zich op het standpunt dat zij hebben voldaan aan hun verplichting om reële tarieven vast te stellen. Volgens hen was het door HHM vastgestelde en door TGVS geaccepteerde starttarief reëel en is dat tarief vervolgens op de juiste wijze geïndexeerd.
2.3.
De rechtbank heeft de vorderingen van TGVS afgewezen. Daartegen komt TGVS in dit hoger beroep op. Zij wil dat haar vorderingen alsnog worden toegewezen.
2.4.
Ook het hof is van oordeel dat de vorderingen van TGVS moeten worden afgewezen. Het hof laat het vonnis van de rechtbank dus in stand. Hierna zal worden toegelicht waarom het hof tot die beslissing komt.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Achtergrond van het geschil
3.1.
Het hof verwijst naar de feitenvaststelling onder 3.1 tot en met 3.11 in het vonnis van rechtbank (gepubliceerd onder ECLI:NL:RBMNE:2024:2797). Ook het hof gaat van die feiten uit. Hieronder zal het hof de achtergrond van het geschil nog kort schetsen.
3.2.
HHM heeft tijdens het kostprijsonderzoek de zorgaanbieders uit de regio betrokken. Zij konden onder meer vragen stellen en voorstellen doen aan HHM. Nadat HHM op 20 april 2020 op de vragen en voorstellen van de zorgaanbieders had gereageerd, heeft HHM voorlopige tarieven gepubliceerd, waarop de zorgaanbieders een reactieformulier konden indienen. TGVS heeft van deze inspraakmogelijkheid gebruik gemaakt. Vervolgens is in het Toelatingsdocument van 25 juni 2020 het door HHM geadviseerde tarief voor thuiszorg (Hulp bij Huishouden, ook wel HbH) opgenomen, te weten een uurtarief van € 27,70, en een indexatiemechanisme. In de Nota van Inlichtingen van 1 september 2020 hebben de gemeenten de eerder gestelde vragen van de zorgaanbieders beantwoord. Op 8 september 2020 heeft TGVS ingeschreven op de inkoopprocedure. Daarmee heeft zij ingestemd met de bepalingen van het Toelatingsdocument. Op 29 oktober 2020 is de overeenkomst tussen TGVS en de gemeenten gesloten. Het starttarief voor het jaar 2021 is, na indexatie, vastgesteld op € 29,40 per uur. In de opvolgende jaren is het uurtarief telkens geïndexeerd en per 1 januari 2022 vastgesteld op € 30,60, per 1 januari 2023 op € 31,20 en per 1 oktober 2023 op € 33.
Juridisch kader
3.3.
De rechtbank heeft onder 5.2 tot en met 5.4 van het vonnis het juridisch kader juist weergegeven. Kort gezegd komt het erop neer dat de gemeenten verplicht zijn om Wmo-zorgaanbieders een reëel tarief in de zin van de Wmo 2015 te betalen. Daarvoor is bepalend – daarover zijn partijen het eens – of een tarief de kosten van een redelijk efficiënt functionerende aanbieder dekt. Partijen zijn het er ook over eens dat het enkele feit dat een kostprijsonderzoek is uitgevoerd en in opvolgende jaren onder de overeenkomst het afgesproken indexatiemechanisme is toegepast, de mogelijkheid openlaat dat het daaruit voortvloeiende tarief desondanks niet reëel is. Er kan immers sprake zijn van bijzondere omstandigheden die maken dat de gecontracteerde methodiek leidt tot niet-reële tarieven.
3.4.
Op TGVS rust de stelplicht en bewijslast van haar stelling dat de gemeenten geen reële prijzen heeft vastgesteld. Het ligt op de weg van de gemeenten om de betwisting van die stellingen deugdelijk te onderbouwen. Deze verplichting brengt met zich dat de gemeenten – als de inkopende partij die de tarieven eenzijdig heeft vastgesteld – in elk geval inzichtelijk dienen te maken op welke wijze zij tot de vastgestelde prijzen zijn gekomen.
Reëel starttarief 2021
3.5.
Partijen twisten over de vraag of het starttarief voor het jaar 2021 van € 29,40 per uur een reëel tarief in de zin van de Wmo 2015 was en of er, gelet op de eerdere acceptatie van dat tarief door TGVS, in deze procedure nog ruimte bestaat om te oordelen dat het starttarief niet reëel was. Volgens de gemeenten bestaat die ruimte niet omdat TGVS zowel door haar handelingen en uitlatingen in de periode van 2020 tot en met 2022, als tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft erkend dat het starttarief reëel was. TGVS betwist dat zij dat bij de rechtbank heeft erkend. Volgens TGCS heeft zij slechts gezegd dat het starttarief voor haar acceptabel was.
3.6.
Ook als ervan wordt uitgegaan dat in deze procedure ruimte bestaat voor het oordeel dat het starttarief niet reëel was, heeft TGVS naar het oordeel van het hof onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die, in het licht van de onderbouwde betwisting van de gemeenten, tot de conclusie kunnen leiden dat het starttarief niet reëel was.
3.7.
Het hof komt tot dat oordeel op grond van de in 3.2 geschetste gang van zaken, de uitlatingen van TGVS na die tijd, de gebrekkige onderbouwing door TGVS van haar stelling dat het starttarief van € 29,40 niet reëel was en de in 2021 door TGVS gemaakte winst. Hieronder zal het hof dit nader uitwerken.
3.8.
Zoals in 3.2 is beschreven hebben de zorgaanbieders, onder wie TGVS, inspraak gehad in het kostprijsonderzoek dat ten grondslag lag aan de vaststelling van het starttarief. Voor zover HHM bij de advisering over een reëel tarief geen rekening heeft gehouden met door TGVS gemaakte bezwaren, geldt dat TGVS na de Nota van Inlichtingen van de gemeenten wel heeft ingeschreven op de inkoopprocedure en daarmee akkoord is gegaan met het vastgestelde starttarief. Dat de branchevereniging Actiz vervolgens op 27 oktober 2020 nog kritiek- en vraagpunten heeft geformuleerd aan HHM, is in dit kader niet van belang. TGVS had al ingeschreven, en heeft na de kritiek van Actiz – die HHM overigens met een inhoudelijke reactie van de hand heeft gewezen – de overeenkomst met de gemeenten ondertekend. Het voorgaande duidt erop dat TGVS, nadat zij zich inhoudelijk over de door HHM gekozen uitgangspunten van het tarief had gebogen, het aan haar bekend gemaakte starttarief destijds reëel vond.
3.9.
Dat zij dat starttarief ook in mei 2022 nog reëel vond, kan worden afgeleid uit het feit dat TGVS toen, na een mediationtraject over onder meer tarieven in de jaren 2019 en 2020, heeft uitgesproken dat er geen aanleiding bestond om een procedure te beginnen voor de jaren na 2020. Partijen troffen na de mediation een schikking en hebben daarover de raadsleden van de gemeenten geïnformeerd. [naam1] , bestuurder van Vitaal, de toenmalige aandeelhouder van TGVS, deed in dat verband op 12 mei 2022 het volgende tekstvoorstel:
“De rechters hebben meerdere malen uitspraak gedaan. Er is geen overeenstemming bereikt over het uit te voeren kostenonderzoek over de jaren 2019 en 2020 waardoor mediation is gestart met als doel om met elkaar uit deze impasse te komen. Over de vergoedingen 2021 en volgende jaren is geen discussie.”Dat sluit aan bij het feit dat TGVS, zoals zij in deze procedure heeft gesteld, akkoord is gegaan met het sluiten van de overeenkomst omdat zij het starttarief acceptabel vond.
3.10.
Zeker gezien deze achtergrond mag van TGVS een goede onderbouwing worden verwacht van haar stelling dat het starttarief niet reëel was. Die ontbreekt. In de inleidende dagvaarding (3.15 en verder) en bij de toelichting op haar vierde grief heeft TGVS aangevoerd dat een aantal componenten uit de cao-VVT ten onrechte niet zijn meegenomen in de vaststelling van het tarief 2021. Zij noemt de volgende componenten:
de loonstijging van 3,5 % per 1 juni 2020,
de hoge loonschalen omdat 91% van de medewerkers van TGVS in de hoogste loonschaal 5 zit en niet in loonschaal 3,
de extra verlofregeling, ziekteverzuim en vervangingskosten voor personeel,
2% aan scholing,
de hoge reiskosten,
de hogere onregelmatigheidstoeslag over andere tijdvakken.
De gemeenten hebben bij conclusie van antwoord (63 en verder) en bij memorie van antwoord (7.3 en verder) gemotiveerd betwist dat de genoemde componenten niet zijn meegenomen in het starttarief. Zij hebben er aan de hand van stukken, kort samengevat, op gewezen dat:
de loonstijging van 3,5%, zoals blijkt uit de Nota van Inlichtingen, is verwerkt in het uiteindelijke tarief van € 29,40,
het tarief uitgaat van een rekensalaris van 91% van het maximumsalaris van de HbH schaal (het salaris dat hoort bij de hoogste trede), welk percentage tot stand is gekomen – en moet komen – op basis van de door de zorgaanbieders in de regio aangeleverde informatie (periodiekmix);
verlof en ziekteverzuim onderdeel zijn van productiviteit/declarabiliteit in het kostprijsonderzoek en dus zijn meegenomen, en vervangingskosten in het kostprijsonderzoek op 0 zijn gezet omdat het op grond van de voorwaarden van de overeenkomst niet is toegestaan om inhuur in te zetten;
het budget van 2% voor scholing bij huishoudelijke hulp in de praktijk nimmer wordt gehaald; bij de meeste zorgaanbieders is dat 0,4 tot 0,8%; in de bij memorie van grieven verstrekte rekentool heeft TGVS zelf 0% ingevuld;
aan reiskosten door HHM een bedrag van € 0,35 prijspeil 1/1/2020 is toegekend, welk bedrag is mee-geïndexeerd; gelet op door TGVS verstrekte informatie moet zij daar zeker mee uitkomen;
onder de overeenkomst niet wordt gewerkt in de tijdvakken waarvoor volgens de cao een hogere onregelmatigheidstoeslag dan de meegenomen onregelmatigheidstoeslag geldt.
TGVS heeft op deze gemotiveerde betwistingen niet gereageerd. Daarmee heeft zij haar standpunt dat HHM bij het bepalen van het starttarief voormelde componenten uit de cao niet heeft meegenomen, onvoldoende onderbouwd. Het aanvullende memo van Actiz (overgelegd als productie 5 bij memorie van grieven) met vragen en opmerkingen over de vaststelling van het tarief, kan niet tot een ander oordeel leiden. Ook de daarin geuite kritiek (deels dezelfde als hiervoor genoemd) hebben de gemeenten (onder 7.13 van de memorie van antwoord) onderbouwd betwist. Daarbij hebben zij onder meer verwezen naar de toenmalige cao, het advies van HHM, de Nota van Inlichtingen, een door de gemeenten overgelegd rapport van PPRC van 25 maart 2025 en de reactie van HHM op de vragen van Activ van 27 oktober 2020. Ook op deze betwisting heeft TGVS niet gereageerd en ter zitting bij het hof heeft TGVS ook niet verduidelijkt waarom zou moeten worden aangenomen dat HHM bij het bepalen van het starttarief niet alle kostprijscomponenten uit de cao-VVT (juist) heeft verwerkt.
3.11.
Tot slot overweegt het hof in dit verband dat, zoals de gemeenten hebben aangevoerd en TGVS niet heeft weersproken, uit de jaarstukken van TGVS blijkt dat TGVS eind 2020 een eigen vermogen had van € -4.424 en eind 2021 van € 398.461. Het resultaat na belastingen van TGVS bedroeg in 2021 € 380.461. Ook dit duidt er niet op dat het starttarief van 2021 niet reëel was.
3.12.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het starttarief van € 29,40 per uur reëel was in de zin van de Wmo 2015.
Juiste indexatie 2022
3.13.
TGVS stelt zich op het standpunt dat de indexatie van het starttarief ten behoeve van het vaststellen van het tarief per 1 januari 2022 niet goed is uitgevoerd doordat bij die indexatie niet alle cao-componenten zijn meegenomen. Volgens TGVS was ook om die reden, naast het volgens haar niet reële starttarief, tarief 2022 (€ 30,60 per uur) niet reëel.
De gemeenten betwisten dat verkeerd is geïndexeerd. Zij wijzen er in dat kader op dat bij de indexaties telkens het
geheletarief op basis van de loonstijging wordt geïndexeerd (dus niet alleen de looncomponenten uit het tarief, maar ook de overige componenten: opslagen, sociale lasten, organisatiekosten, productiviteit/declarabiliteit, risico-opslag en overige kosten voorziening). Verder hebben de gemeenten tijdens de mondelinge behandeling bij het hof, onder verwijzing naar de in punt 90 van de conclusie van antwoord opgenomen tabel met cao-wijzigingen, verduidelijkt dat er in 2022 geen wijzigingen zijn geweest die noopten tot een extra verwerking in het tarief.
3.14.
Naar het oordeel van het hof heeft TGVS ook in hoger beroep niet voldoende onderbouwd dat er in 2022 cao-componenten waren die, naast de indexatie van het gehele tarief op basis van de loonstijging, meegenomen hadden moeten worden in de indexatie. TGVS stelt onder 5.6 van haar memorie van grieven dat er elf componenten waren die ten onrechte niet betrokken zijn in de indexatie. Zij verwijst daarbij naar een bijlage 2 bij een rapport van Berenschot van 17 januari 2025. In dat rapport is slechts de indexering van de tarieven per 1 januari 2023 onderzocht. In bijlage 2 zijn elf cao-wijzigingen opgesomd, zonder dat daarbij de ingangsdatum is weergegeven. Niet kan daaruit dus worden afgeleid dat die wijzigingen al in de indexatie van 2022 hadden moeten worden verwerkt. Het door TGVS opgestelde ‘Wijzigingenoverzicht’ dat zij heeft overgelegd als productie 12 bij inleidende dagvaarding, bevat ook de door Berenschot genoemde wijzigingen. Maar omdat het ‘Wijzigingenoverzicht’ een vergelijking betreft tussen geldende cao-voorwaarden op 1 januari 2020 en op 1 januari 2023 kan ook daaruit niet worden afgeleid dat (en welke) voorwaarden al in 2022 zijn gewijzigd.
3.15.
De gemeenten hebben in de tabel in punt 90 van de conclusie van antwoord opgenomen welke wijzigingen in de cao in 2022 en 2023 zijn doorgevoerd en of zij die wijzigingen hebben verwerkt. Het gaat om drie wijzigingen in 2022:
  • per 1 maart 2022 een salarisverhoging, die volgens de gemeenten is verwerkt in de indexatie 2022,
  • per 1 juli 2022 een verbetering en harmonisatie reiskosten die is verwerkt in de indexatie 2023, omdat de wijziging volgens de gemeenten in 2022 geen invloed had op het tarief,
  • per 1 januari 2022 de inrichting van arbeids- en opleidingsfonds VVT waarin de zorgaanbieder 0,04% van de loonsom stort, die niet is verwerkt in de indexatie omdat de zorgaanbieder na betaling in het fonds niet zelf meer voor opleiding en scholing van medewerkers hoefde te betalen.
TGVS heeft ook naar aanleiding hiervan niet gemotiveerd betwist dat de salarisverhoging per 1 maart 2022 is verwerkt in de indexatie 2022. Ook heeft zij niet (gemotiveerd) betwist dat de reiskostenwijziging in 2022 geen invloed had op het tarief. Bij conclusie van antwoord (onder 89) hebben de gemeenten uitgelegd dat het effect van de reiskostenwijziging 0,00925 cent per uur was op het niet afgeronde tarief van € 30,345 voor 2022; omdat het tarief 2022 is afgerond naar € 30,60, brachten de hogere reiskosten geen wijziging in het tarief. Ook in hoger beroep is TGVS hier niet inhoudelijk op ingegaan. Dat geldt ook voor de opmerking ten aanzien van de inrichting van het arbeids- en opleidingsfonds. Op vragen van het hof tijdens de mondelinge behandeling, heeft TGVS evenmin duidelijk kunnen maken welke componenten (om welke reden en op welke wijze) al in 2022 hadden moeten worden verwerkt in de indexatie.
3.16.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat met betrekking tot 2022 de indexatie met de loonstijging over het gehele tarief, volstond. Die indexatie was in lijn met het in het Toelatingsdocument vastgelegde indexatiemechanisme. Dat het vastgestelde tarief over 2022 desondanks niet reëel was, heeft TGVS ook niet weten te onderbouwen. Dat blijkt in ieder geval niet uit haar resultaat na belastingen over 2022, te weten € 1.540.655. Ook als gecorrigeerd wordt voor het in 2022 ontvangen bedrag uit de schikking met de gemeenten en de in dat jaar vrijgevallen RVU-voorziening, resteert een winst van € 419.365. Voor zover TGVS in dit verband heeft willen stellen dat die winst enkel zou zijn gemaakt uit de financiering van de Wlz-zorg die zij ook levert, heeft zij die stelling onvoldoende onderbouwd, zoals het hof hierna nog zal uitleggen.
Juiste indexatie 2023
3.17.
Wat betreft de indexatie 2023 staat tussen partijen vast dat naast de indexatie van het gehele tarief op basis van de loonstijging, ook rekening is gehouden met het gewijzigd minimumloon, de (eerder niet bestaande) gratificatie bij 12,5 jaar in dienst, de gratificatie bij AOW-leeftijd en reiskosten. Dit leidde tot een uurtarief per 1 januari 2023 van € 31,20 en per 1 oktober 2023 van € 33.
3.18.
TGVS stelt zich, in navolging van Berenschot, in hoger beroep op het standpunt dat daarnaast de volgende aanvullende componenten hadden moeten worden verdisconteerd: AOW-franchise, AP-franchise, WAO/WIA-premie, WW-premie, Zvw-premie, gratificatie 25 jaar en gratificatie 40 jaar. Wat betreft de premies voor de werknemersverzekeringen betwisten de gemeenten dat. De gratificaties zijn volgens hen meegenomen in de vaststelling van tarief 2023.
3.19.
Ten aanzien van de premies voor werknemersverzekeringen hebben de gemeenten aangevoerd dat het geen componenten zijn die onderdeel uitmaken van de cao, zodat ze terecht niet zijn meegenomen in de indexatie. Bovendien indexeren de gemeenten het gehele tarief, waarmee die posten, die de cao volgen, al in het geïndexeerde tarief zijn verwerkt, zo stelden de gemeenten al onder 109 van hun conclusie van antwoord. TGVS heeft dit noch in de processtukken noch ter zitting, na een nadere toelichting door de gemeenten, weersproken. Naar het oordeel van het hof hebben de gemeenten hiermee voldoende betwist dat zij de stijging van deze premies nog separaat moesten meenemen in de indexatie.
3.20.
Ten aanzien van de gratificaties geldt dat de uitkering bij het 25- en 40-jarig jubileum volgens voormeld Wijzigingenoverzicht van TGVS in de cao-VVT is gewijzigd van een bruto maandsalaris naar een half respectievelijk heel netto maandsalaris. Op 19 december 2022 hebben partijen een gesprek gevoerd over het voorgestelde tarief 2023. Bij dat gesprek hebben de gemeenten een toelichting op de indexatie (ook wel ‘Tabel 9’ genoemd, overgelegd als productie 9 bij conclusie van antwoord) verstrekt, waarin uitleg over de indexering is gegeven, onder meer naar aanleiding van de wijziging van de gratificaties. Daarin staat dat voor de gratificatie 12,5 jaar een bedrag van 0,00006 wordt meegenomen in de minuuttarief 2023. Verder is daarin toegelicht:
“De voorgestelde verhoging wordt uitbetaald ook over de medewerkers die reeds langer dan 12,5 jaar in dienst zijn en over de medewerkers die deze mijlpaal niet behalen. Onze inschatting is dat daarmee ook de kosten voor de wijziging van bruto naar netto zijn opgevangen en dat dit de kosten dekt van medewerkers waar een korte periode voor gespaard kan worden omdat zij tijdens de 12,5 jaar in dienst komen.”
Van het gesprek is een gespreksverslag gemaakt waarin staat dat [naam1] heeft aangegeven dat de uitleg goed te volgen is, maar dat er te veel aannames zijn gedaan; Vitaal zou input aanleveren ten aanzien van die aannames, waarna de gemeenten de aannames nogmaals zouden heroverwegen. TGVS en Vitaal hebben vervolgens (dat blijkt ook uit de overgelegde e-mailwisseling) geen gegevens aangeleverd, maar enkel gesteld dat een nieuwe uitvraag nodig is om zorgvuldig een tarief te kunnen vaststellen. In deze procedure heeft TGVS, onder verwijzing naar de analyse van Actiz van 15 januari 2025, daarover alleen opgemerkt dat de gratificatie bij 12,5 jaar niet voor alle medewerkers is meegenomen. De gemeenten blijven erbij dat de opslag wordt berekend over ieder gewerkt uur van het hele personeelsbestand. Verder merken zij nog op dat gezien de beperkte belastingdruk bij deze inschaling en de parttime contracten het effect van de wijziging van een bruto-vergoeding naar een netto-vergoeding zeer minimaal is. Naar het oordeel van het hof heeft TGVS in het licht van de gemotiveerde betwisting door de gemeenten en de toelichting in Tabel 9 onvoldoende gemotiveerd gesteld dat in het tarief 2023 onvoldoende rekening is gehouden met de kosten van gratificaties. Uit Tabel 9 valt immers af te leiden dat de invloed op de minuuttarief van 0,00006 (de berekende kosten voor 12,5% van de medewerkers die naar verwachting een gratificatie bij 12,5 jaar krijgen) wordt opgeteld bij het minuuttarief en daarmee wordt vergoed over elke gewerkte minuut, dus van het hele personeelsbestand.
3.21.
Dat sprake was van grote, niet in de cao verdisconteerde, wijzigingen in de arbeidsmarkt, die maakten dat niet kon worden volstaan met het vastgestelde indexatiemechanisme, heeft TGVS niet onderbouwd. Dit is ook door de gemeenten weersproken. Het hof gaat daarom voorbij aan deze stelling.
Tarief 2023 was reëel in de zin van de Wmo
3.22.
Anders dan TGVS stelt kan ook uit de door haar overgelegde jaarcijfers niet worden geconcludeerd dat het tarief 2023 niet reëel was. Ook in dat jaar heeft TGVS winst gemaakt, te weten € 40.792. Volgens TGVS is dat positieve resultaat echter slechts te danken aan de winst die zij met de Wlz-zorg (Wet langdurige zorg) heeft gemaakt. Daarmee heeft zij een negatief resultaat van € 155.089 op de Wmo-zorg kunnen compenseren, aldus TGVS. Zij heeft daarbij gewezen op in het geding gebrachte jaarcijfers (productie 15 in hoger beroep), waarin het uit de Wmo-zorg behaalde resultaat is becijferd op dat bedrag. De gemeenten betwisten het door TGVS gestelde verlies op de Wmo-zorg. Zij wijzen erop dat – zo staat tussen partijen vast – Wlz-zorg slechts 10% van de totale omzet van TGVS bedraagt. Volgens de gemeenten is het onmogelijk dat TGVS de door haar gestelde marge heeft behaald met deze kleine portie Wlz-zorg. Zij wijzen daarbij naar de op 27 maart 2025 door Modus Audit, op verzoek van de gemeenten, opgestelde analyse van de jaarrekeningen van TGVS. De gemeenten hebben onderbouwd gesteld dat TGVS een te hoog percentage aan kosten aan de Wmo-zorg heeft toegerekend. Gelet op deze betwisting heeft TGVS haar stelling dat het positieve resultaat alleen te danken is aan de winst die zij met Wlz-zorg heeft gemaakt, onvoldoende onderbouwd en kan in dit hoger beroep niet worden vastgesteld dat TGVS met de Wmo-zorg in 2023 een negatief resultaat heeft behaald. Daar komt nog bij dat de gemeenten hebben betwist dat TGVS een redelijk efficiënt functionerende aanbieder is. Volgens de gemeenten heeft TGVS haar overheadkosten onvoldoende aangepast aan een afnemende omzet, waardoor het percentage overige bedrijfskosten van 5,7 in 2020 is gestegen naar 8,1 in 2023. Niet kan worden vastgesteld dat TGVS een redelijk efficiënt functioneren aanbieder was, hetgeen wel nodig is om te kunnen concluderen dat het niet kostendekkend zijn van een tarief betekent dat het tarief niet reëel is in de zin van de Wmo. Het enkele feit dat TGVS een extreem laag ziekteverzuim had, is daarvoor niet voldoende. Omdat TGVS geen bewijsaanbod heeft gedaan, komt het hof ook niet toe aan bewijslevering.
3.23.
Volledigheidshalve merkt het hof nog op dat het feit dat een door TGVS ingevulde rekentool resulteert in een kostprijs van € 34,47 per uur in 2023 evenmin betekent dat het tarief 2023 niet reëel is. Dit tarief hoeft immers alleen als (minimaal) reëel tarief te worden aangemerkt als vaststaat dat TGVS een redelijk efficiënt werkende aanbieder in de regio is en zij haar individuele cijfers juist heeft ingevoerd in de rekentool. Beide punten zijn door de gemeenten betwist. De betwisting van het eerste punt is aangehaald in 3.22. Ook het juist invullen van de rekentool hebben de gemeenten, onder 10.4 tot en met 10.12 van de memorie van antwoord, uitvoerig betwist. Uit de overgelegde rekentool kan dus niet worden afgeleid dat het tarief 2023 niet reëel was. Als gezegd heeft TGVS geen bewijsaanbod gedaan.
3.24.
Dat het NZa-tarief voor huishoudelijke ondersteuning gefinancierd uit de Wlz in 2023 € 37,37 per uur bedroeg, is voor deze beoordeling niet relevant. De gemeenten hebben onweersproken gesteld dat het daarbij gaat om maximumtarieven met andere voorwaarden.
3.25.
Tot slot merkt het hof nog op dat uit de in 3.2, 3.8 en 3.20 vermelde gang van zaken blijkt dat de gemeenten, en HHM namens hen, voldoende transparant zijn geweest met betrekking tot de vaststelling van de tarieven en indexeringen. In zoverre hebben de gemeenten dus ook voldaan aan hun verplichting.
De conclusie
3.26.
TGVS heeft onvoldoende onderbouwd dat het tarief van 2023 niet reëel was en dat dus een extra indexering of een nieuw kostprijsonderzoek met betrekking tot 2023 nodig is.
3.27.
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat TGVS in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof TGVS tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf zeven dagen na betekening van dit arrest. [1]
3.28.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4.De beslissing

Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 8 mei 2024;
4.2.
veroordeelt TGVS tot betaling van de volgende proceskosten van de gemeenten:
€ 798 aan griffierecht
€ 2.428 aan salaris van de advocaat van de gemeenten (2 procespunten x het toepasselijke tarief II);
4.3.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen zeven dagen na betekening van dit arrest. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4.4.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. van Rossum, L.J. de Kerpel-van de Poel en V. van der Kuil, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 december 2025.

Voetnoten

1.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.