AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Herstelarrest over correctie toegewezen bedragen in pachtgeschil tussen Melkveebedrijf De Flevohoeve en Stichting Wageningen Research
In deze civiele procedure tussen Melkveebedrijf De Flevohoeve B.V. en Stichting Wageningen Research (SWR) heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 31 december 2024 een arrest gewezen. Na een verzoek tot verbetering van mr. Van Malssen namens SWR, heeft het hof op 18 februari 2025 een herstelarrest uitgebracht om een kennelijke fout in het arrest te corrigeren.
De fout betrof het niet opnemen van bepaalde posten in het totaalbedrag dat Flevohoeve aan SWR moet betalen, waaronder achterstallige energiekosten, verkocht ruwvoer, inventaris en rendementsbrokken, tezamen € 295.566,02. Deze posten waren door de pachtkamer in Lelystad reeds toegewezen en niet bestreden in hoger beroep. In het oorspronkelijke arrest was dit bedrag niet meegenomen, waardoor het totaalbedrag onjuist was weergegeven.
Het hof oordeelde dat deze fout duidelijk en voor alle partijen kenbaar was en dat correctie op grond van artikel 31 RvPro gerechtvaardigd was. Het herstelarrest corrigeert de relevante overwegingen en het toe te wijzen bedrag, dat nu wordt vastgesteld op € 2.589.659,99, met een betalingstermijn van veertien dagen en wettelijke handelsrente.
Het arrest blijft verder ongewijzigd, inclusief de datum van uitspraak. Hiermee wordt de juiste financiële verplichting van Flevohoeve jegens SWR bevestigd, conform eerdere beslissingen van de pachtkamer en het gerechtshof.
Uitkomst: Het gerechtshof heeft de kennelijke fout in het arrest hersteld en Flevohoeve veroordeeld tot betaling van € 2.280.370,99 plus wettelijke handelsrente binnen veertien dagen.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummers gerechtshof 200.319.145 en 200.321.203
zaaknummer pachtkamer Midden-Nederland 9538993
arrest van de pachtkamer van 18 februari 2025
in de zaak met zaaknummer gerechtshof 200.319.145 van
MELKVEEBEDRIJF DE FLEVOHOEVE B.V.
die is gevestigd in Wervershoof (gemeente Medemblik)
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de pachtkamer in eerste aanleg optrad als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie
hierna: Flevohoeve
advocaat: mr. T.E.J. Devens
tegen
STICHTING WAGENINGEN RESEARCH
die is gevestigd in Wageningen
die ook hoger beroep heeft ingesteld
en bij de pachtkamer in eerste aanleg optrad als eiseres in conventie en verweerster in reconventie
hierna: SWR
advocaat: mr. T. van Malssen
en in de zaak met zaaknummer gerechtshof 200.321.203 van
STICHTING WAGENINGEN RESEARCH
die is gevestigd in Wageningen
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de pachtkamer in eerste aanleg optrad als eiseres
advocaat: mr. T. van Malssen
tegen
[geïntimeerde]
die is gevestigd in [plaats] (gemeente [gemeente] )
en bij de pachtkamer in eerste aanleg optrad als gedaagde
hierna [geïntimeerde] te noemen
advocaat: mr. L. Koning
1.1.
Het hof heeft in deze zaken op 31 december 2024 arrest gewezen.
1.2.
Het hof heeft kennis genomen van een verzoek van mr. Van Malssen bij brief van 9 januari 2025 namens SWR om een kennelijke fout te verbeteren. Het gaat daarbij om het per abuis niet opnemen in de bedragen die Flevohoeve moet betalen van de volgende posten, die door de pachtkamer in Lelystad waren toegewezen in r.o. 5.3 van het vonnis van 19 oktober 2022:
- € 62.858,02 aan achterstallige energiekosten over de jaren 2017 tot en met 2020;
- € 56.114,00 ter zake verkocht ruwvoer;
- € 172.546,00 ter zake verkochte inventaris;
- € 4.048,00 ter zake verkochte rendementsbrokken, sojaschroot en stro.
Totaal: € 295.566,02.
In r.o. 4.53 van het arrest staat als “bedrag toegewezen door de rechtbank” een bedrag van € 1.995.385,40. De rechtbank heeft echter € 2.290.951,42 toegewezen (namelijk: € 1.995.385,40 en € 295.566,02). Dat bedrag had in r.o. 4.53 moeten zijn opgenomen. Op dit foutieve bedrag wordt voortgebouwd in r.o. 4.70 en r.o. 5.2 en r.o. 2.2.
1.3.
Flevohoeve en [geïntimeerde] zijn in de gelegenheid gesteld op dit verzoek te reageren. Zij hebben gereageerd bij brieven van 5 februari 2025. Zij verzetten zich tegen verbetering. Zij betogen dat wellicht sprake is van een juridische fout door een te ruime vernietiging door het hof van het vonnis van de pachtkamer in Lelystad, maar niet van een kennelijke, voor ieder kenbare fout die op grond van artikel 31 RvPro kan worden hersteld.
1.4.
Het hof oordeelt dat sprake is van een kennelijke fout. In rov 3.15 van het arrest heeft het hof de beslissing van de pachtkamer in Lelystad samengevat weergegeven. Daar staat dat zowel het bedrag van € 1.995.385,40 aan achterstallige pachtpenningen als € 62.858,02 voor energiekosten en € 232.708 voor verkocht ruwvoer, inventaris en rendementsbrokken e.d. (samen: € 295.566,02) is toegewezen. De bedragen voor energiekosten en ruwvoer, inventaris en rendementsbrokken e.d. zijn als zodanig in hoger beroep niet aan de orde gesteld. Flevohoeve en [geïntimeerde] erkennen dat in hun bezwaren ook. Dat blijkt ook uit de inhoud van het arrest van het hof. In r.o. 4.53 is dat over het hoofd gezien: daarin is alleen het door de pachtkamer in Lelystad toegewezen bedrag aan achterstallige pachtpenningen vermeld. Op basis daarvan is het totale bedrag berekend dat Flevohoeve moet betalen, rekening houdend met de door het hof vastgestelde pachtprijsvermindering en de bedragen voor de perioden die bij de pachtkamer in Lelystad nog niet waren gevorderd tot 31 december 2022. Het is daarom voor partijen en derden uit de inhoud van het arrest direct duidelijk dat het in 4.53 genoemde bedrag dat door de rechtbank zou zijn toegewezen een kennelijke fout is. Dat is ook niet voor redelijke twijfel vatbaar. Dit geldt ook voor de beslissingen die daarop direct voortbouwen. Het hof zal daarom tot verbetering overgaan op grond van artikel 31 RvPro.
1.5.
Om deze kennelijke fout te herstellen moeten verbeteringen worden gemaakt in:
r.o. 2.2 waar de derde zin en vierde zin als volgt moeten komen te luiden (waarbij de wijzigingen ten opzichte van het origineel zijn onderstreept): “De vordering van SWR tot betaling van de pachtpenningen
r.o. 4.53 waar als “Bedrag toegewezen door de rechtbank” in plaats van € 1.995.385,40 een bedrag van € 2.290.951,42 moet staan en waar achter “Totaal” in de laatste regel van r.o. 4.53 in plaats van € 2.294.093,97 een bedrag van € 2.589.659,99 moet staan;
r.o. 4.70 waar in de op één na laatste zin een totaal toe te wijzen bedrag van € 2.589.659,99 minus € 309.289 is € 2.280.370,99 moet staan;
r.o. 5.2 waar Flevohoeve veroordeeld moet worden om € 2.280.370,99 aan SWR te betalen.
1.6.
Het hof bepaalt dat:
In r.o. 2.2 de derde en vierde zin als volgt komen te luiden: “De vordering van SWR tot betaling van de pachtpenningen, energiekosten en ruwvoer, inventaris en rendementsbrokken e.d., zoals in hoger beroep vermeerderd, zal worden toegewezen, verminderd met de pachtprijsverminderingen die de pachtkamer in Lelystad al had toegekend en in aanvulling daarop de door het hof vastgestelde pachtprijsvermindering. Het totaal toe te wijzen bedrag komt dan op € 2.589.659,99 (zie r.o. 4.53), te vermeerderen met wettelijke handelsrente.”
In r.o. 4.53 waar als “bedrag toegewezen door de rechtbank” het bedrag van € 1.995.385,40 staat, dat bedrag wordt vervangen door: “€ 2.290.951,42”. Het bedrag achter “Totaal” in de laatste regel van de tabel in r.o. 4.53 wordt vervangen door: “€ 2.589.659,99”.
In r.o. 4.70 wordt de één na laatste zin vervangen door: “Het totaal toe te wijzen bedrag komt dan op € 2.589.659,99 (zie r.o. 4.53) minus € 309.289 (zie r.o. 4.48) is € 2.280.370,99.”
De huidige r.o. 5.2 wordt vervangen door:
“5.2. veroordeelt Flevohoeve om binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest aan SWR te betalen € 2.280.370,99, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW, met inachtneming van hetgeen is overwogen in r.o. 4.66 tot en met 4.68 van dit arrest;”
Deze verbetering wordt aangebracht op de minuut.
Voor het overige blijft het arrest, ook wat betreft de datum van uitspraak, geheel in stand.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.S.A. van Dam, J.H. Lieber, H.L. Wattel en de deskundige leden ir. W.G. Nijlant en ing. C.R.M. Francissen en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2025.