ECLI:NL:GHARL:2025:8679

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
31 december 2025
Zaaknummer
200.355.460
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over rectificatie van persoonsgegevens en rechtmatigheid van verwerking onder AVG

In deze zaak heeft [appellant1] hoger beroep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, waarin zijn verzoek om rectificatie van persoonsgegevens door KPMG werd afgewezen. [appellant1] stelt dat KPMG onjuiste persoonsgegevens heeft verwerkt in een onderzoeksrapport dat in opdracht van de gemeente [plaats1] is opgesteld. Hij verzoekt rectificatie van vijf specifieke persoonsgegevens en wil ook informatie over de rechtmatigheid van de verwerking van deze gegevens. De rechtbank heeft geoordeeld dat KPMG niet verplicht is om de persoonsgegevens te rectificeren en dat de rechtmatigheid van de verwerking niet aan de orde is in het rectificatieverzoek. Het hof bevestigt deze beslissing en verklaart [appellant1] niet-ontvankelijk in zijn verzoek om een verklaring voor recht dat KPMG zijn strafrechtelijke persoonsgegevens onrechtmatig heeft verwerkt. Het hof oordeelt dat de beoordeling van de rechtmatigheid van de verwerking van persoonsgegevens niet binnen de reikwijdte van de verzoekschriftprocedure valt. Het hof wijst ook de verzoeken van [appellant1] om bewijs te leveren en om KPMG te verplichten zijn vragen te beantwoorden af. De proceskosten worden toegewezen aan KPMG.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.355.460
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht 581686
beschikking van 31 december 2025
in de zaak van
[appellant1]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als verzoeker
hierna: [appellant1]
procederend in persoon
en
KPMG Staffing & Facility Services B.V.
die is gevestigd in Amstelveen
die bij de rechtbank optrad als verweerster
hierna: KPMG
advocaat: mr. R.L. Ubels

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1.
[appellant1] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, op 26 maart 2025 heeft gegeven (hierna: de beschikking). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
  • het beroepschrift met bijlagen 1 tot en met 21;
  • de brief van [appellant1] van 7 juni 2025 met aanvullende producties;
  • de brief van [appellant1] van 23 juni 2025 met twee aanvullingen op zijn verzoeken;
  • de brief van [appellant1] van 10 juli 2025 met een aanvullende productie;
  • het verweerschrift met bijlagen 1 tot en met 4;
  • de aanvullende producties bij de (niet toegelaten) brief van [appellant1] van 15 september 2025;
  • het door het hof op 25 september 2025 bij KPMG opgevraagde rapport met bijlagen.
1.2.
Op 30 september 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is een verslag (het proces-verbaal) gemaakt. Vervolgens heeft het hof beschikking bepaald.
1.3.
Op 23 oktober 2025 heeft [appellant1] het hof verzocht om aanvullend bewijs te mogen leveren. KPMG heeft bezwaar gemaakt tegen dit verzoek. Het hof heeft partijen op 28 oktober 2025 geïnformeerd dat het verzoek van 23 oktober 2025 wordt afgewezen. Vervolgens heeft [appellant1] het hof op 28 oktober 2025 opnieuw verzocht om aanvullend bewijs te mogen leveren. KPMG heeft ook bezwaar gemaakt tegen dit verzoek. Het hof heeft partijen op 29 oktober 2025 geïnformeerd dat het verzoek van 28 oktober 2025 ook wordt afgewezen. Op 19 november 2025 heeft [appellant1] aan het hof en de advocaat van KPMG een e-mail gestuurd met bijlagen. KPMG heeft ook daartegen bezwaar ingediend en het hof heeft partijen op 1 december 2025 geïnformeerd dat deze stukken buiten beschouwing worden gelaten.

2.De kern van de zaak

2.1.
KPMG heeft in een onderzoeksrapport persoonsgegevens van [appellant1] verwerkt.
[appellant1] wil informatie ontvangen van KPMG over de rechtmatigheid van deze verwerking. Daarnaast wil [appellant1] rectificatie door KPMG van vijf persoonsgegevens in het onderzoeksrapport voor zover de verwerking van deze persoonsgegevens niet juist, actueel en rechtmatig is. Daarbij wil hij kennisgeving van deze rectificatie aan de ontvangers van het onderzoeksrapport. In hoger beroep wil [appellant1] ook een verklaring voor recht dat KPMG zijn strafrechtelijke persoonsgegevens onrechtmatig heeft verwerkt.
2.2.
De rechtbank heeft de verzoeken van [appellant1] afgewezen. De rechtbank heeft geoordeeld dat KPMG de door haar verwerkte persoonsgegevens van [appellant1] niet hoeft te rectificeren en geen antwoord hoeft te geven op de vragen van [appellant1] over de rechtmatigheid van deze verwerking.
2.3.
[appellant1] wil dat de beschikking van de rechtbank wordt vernietigd en heeft zijn verzoeken in hoger beroep aangevuld. Hij verzoekt dat KPMG, op straffe van verbeurte van een dwangsom:
  • wordt verplicht om binnen twee weken na deze uitspraak bewijs te leveren dat de vijf persoonsgegevens juist en actueel zijn en rechtmatig zijn verwerkt, en als het hiervoor genoemde bewijs niet door KPMG is geleverd:
  • wordt verplicht om de vijf persoonsgegevens te rectificeren en de ontvangers daarvan in kennis te stellen; en
  • wordt opgedragen om binnen twee weken na deze uitspraak de 49 door [appellant1] gestelde vragen, met uitzondering van de vragen 1, 5 en 16, te beantwoorden.
Daarnaast verzoekt [appellant1] voor recht te verklaren dat KPMG zijn strafrechtelijke persoonsgegevens onrechtmatig heeft verwerkt.
De beslissing van het hof
2.4.
Het hof zal [appellant1] niet-ontvankelijk verklaren in de door hem verzochte verklaring voor recht en laat de beschikking van de rechtbank in stand. De overige (aangevulde) verzoeken van [appellant1] worden afgewezen. Het hof zal hierna eerst de feiten bespreken (onder 3) en daarna zijn beslissing verder toelichten (onder 4).

3.De feiten

3.1.
[appellant1] is ambtenaar geweest bij de gemeente [plaats1] .
3.2.
KPMG heeft in opdracht van de gemeente [plaats1] onderzoek gedaan naar mogelijke onregelmatigheden in het handelen van [appellant1] als ambtenaar bij de gemeente [plaats1] . Het onderzoek van KPMG heeft zich mede gericht op vennootschappen waarvan [appellant1] de uiteindelijk belanghebbende was. KPMG heeft haar bevindingen neergelegd in een onderzoeksrapport dat is uitgebracht op 17 juli 2015 (hierna: het onderzoeksrapport). In het onderzoeksrapport heeft KPMG onder meer gerapporteerd over onregelmatigheden in het handelen van [appellant1] ten opzichte van de gemeente [plaats1] en de stichting [naam1] (hierna: [naam1] ).
3.3.
Het gerechtshof Den Haag heeft [appellant1] en de aan hem gelieerde vennootschappen in 2017 veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding aan de gemeente [plaats1] en [naam1] . [1] Tegen die uitspraak zijn geen rechtsmiddelen ingesteld. In datzelfde jaar is [appellant1] in staat van faillissement verklaard.
3.4.
De rechtbank Rotterdam heeft [appellant1] in 2020 strafrechtelijk veroordeeld voor valsheid in geschrift en gewoontewitwassen. [2] In het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam is nog geen uitspraak gedaan.
3.5.
In zijn brief van 24 juli 2024 heeft [appellant1] KPMG verzocht vijf van zijn persoonsgegevens die KPMG in het onderzoeksrapport heeft verwerkt te rectificeren en te zorgen voor kennisgeving van de rectificatie aan de ontvangers van deze persoonsgegevens. De persoonsgegevens waarvan [appellant1] rectificatie heeft verzocht zijn:
1.
"bevoegdheid tot accorderen bij [naam1] ";
2.
"bevoegdheid tot accorderen bij de gemeente [plaats1] ";
3.
"inkoop van dienstverlening bij [naam1] ";
4.
"inkoop van dienstverlening bij [plaats1] ";
5.
"geen gebleken prestaties verricht".
Daarnaast heeft [appellant1] KPMG verzocht 49 vragen over de rechtmatigheid van de verwerking van zijn persoonsgegevens te beantwoorden.
3.6.
In de brief van 24 augustus 2024 heeft KPMG bij monde van haar advocaat aan [appellant1] laten weten dat zij niet aan zijn rectificatieverzoek kan voldoen en dat zij niet is gehouden eventuele ontvangers van de persoonsgegevens te informeren. KPMG heeft de 49 door [appellant1] geformuleerde vragen niet beantwoord. In plaats daarvan heeft KPMG [appellant1] te kennen gegeven dat het antwoord op een groot deel van de vragen al bij [appellant1] bekend is vanwege eerder gevoerde procedures en de inzage die KPMG al aan hem heeft verstrekt. Daarnaast heeft KPMG aan [appellant1] , kort gezegd, bericht dat er geen sprake is van een onrechtmatige verwerking van strafrechtelijke persoonsgegevens.

4.De toelichting op de beslissing van het hof

Aanvullende verzoeken [appellant1] toegestaan
4.1.
KPMG heeft bezwaar gemaakt tegen de aanvullende verzoeken die [appellant1] in zijn brief van 23 juni 2025 heeft toegestuurd. Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling die aanvullende verzoeken toegelaten. [appellant1] heeft zijn aanvullende verzoeken ingediend ruim voor het verweerschrift in hoger beroep van KPMG. Dit betekent dat KPMG de mogelijkheid heeft gehad om direct in haar verweerschrift op de aanvullende verzoeken te reageren. Van deze mogelijkheid heeft KPMG ook gebruik gemaakt. Hieruit volgt dat de aanvullende verzoeken niet onverenigbaar zijn met de tweeconclusieregel en niet in strijd komen met de eisen van een goede procesorde waaronder het beginsel van hoor en wederhoor. Een van de aanvullingen van zijn verzoek in hoger beroep is het verzoek van [appellant1] om een verklaring voor recht te geven dat KPMG zijn strafrechtelijke persoonsgegevens onrechtmatig heeft verwerkt.
Niet-ontvankelijk in verzoek om verklaring voor recht
4.2.
Voorafgaand aan deze procedure heeft [appellant1] KPMG onder meer verzocht om rectificatie van vijf persoonsgegevens die KPMG had verwerkt in haar onderzoeksrapport. Dit verzoek is gebaseerd op artikel 16 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). KPMG heeft dat verzoek geweigerd. In deze verzoekschriftprocedure komt [appellant1] op tegen die weigering van KPMG. Deze procedure is gebaseerd op artikel 35 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (UAVG) die de mogelijkheid biedt op te komen tegen een weigering van een verzoek uit artikel 15 tot en met 22 AVG.
4.3.
De door [appellant1] verzochte verklaring voor recht is gebaseerd op zijn stelling dat KPMG onrechtmatig heeft gehandeld door strafrechtelijke persoonsgegevens van hem te verwerken. De vraag of KPMG de persoonsgegevens van [appellant1] rechtmatig heeft verwerkt, moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) of artikel 82 AVG. De beoordeling of de verwerking van de persoonsgegevens van [appellant1] door KPMG onrechtmatig was en daarmee een inbreuk is op de AVG valt buiten de reikwijdte van artikel 35 UAVG, omdat dit geen oordeel is over een verzoek van [appellant1] op grond van de artikelen 15 tot en met 22 AVG. Dit betekent dat de door [appellant1] gevraagde verklaring voor recht niet aan de orde kan komen in deze verzoekschriftprocedure, maar alleen via een dagvaardingsprocedure aan de rechter kan worden voorgelegd.
4.4.
Als een procedure ten onrechte is ingeleid met een verzoekschrift in plaats van met een dagvaarding beveelt de rechter zo nodig aanvulling van het verzoek en vervolgens voortzetting van de procedure volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure (artikel 69 Rv). Gelet op de bijzonderheden in deze zaak, te weten een voor het eerst in hoger beroep ingediend verzoek door een failliet zonder advocaat, acht het hof de toepassing van deze wisselbepaling niet aangewezen. Het hof acht het bovendien in het belang van [appellant1] om eerst met hulp van een advocaat de afweging te kunnen maken of hij een dagvaardingsprocedure wil starten.
4.5.
Dit brengt mee dat [appellant1] in deze procedure niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn verzoek om voor recht te verklaren dat KPMG zijn strafrechtelijke persoonsgegevens onrechtmatig heeft verwerkt.
Geen misbruik van recht of buitensporigheid
4.6.
Volgens KPMG maakt [appellant1] met zijn verzoeken misbruik van recht. KPMG voert daarbij aan dat de verzoeken van [appellant1] er uitsluitend op zijn gericht bewijs voor andere procedures te verzamelen en - gelet op het voortdurende, systematische, belastende en excessieve karakter van zijn acties - (de medewerkers van) KPMG maximaal te belasten en te schaden.
4.7.
Het recht op bescherming van persoonsgegevens is een grondrecht dat voortvloeit uit artikel 8 EVRM en ook is vastgelegd in artikel 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Daarin is ook bepaald dat eenieder recht heeft op rectificatie van de over hem verzamelde gegevens. Misbruik van dit recht, dat is uitgewerkt in artikel 16 AVG, kan daarom niet snel worden aangenomen. Dat [appellant1] ook een ander doel heeft met zijn rectificatieverzoek en informatieverzoek, zoals het gebruiken van bepaalde stukken in zijn strafzaak, betekent nog niet dat hij misbruik maakt van zijn AVG-rechten. Als hij deze rechten alleen gebruikt om KPMG te schaden, kan wel sprake zijn van misbruik.
KPMG heeft onvoldoende onderbouwd dat [appellant1] KPMG heeft willen schaden met dit rectificatie- en informatieverzoek. [appellant1] heeft niet eerder een rectificatie- en informatieverzoek zoals in deze procedure voorligt gedaan. De omstandigheden die KPMG noemt en de vele verzoeken die [appellant1] nog heeft gedaan ná dit rectificatie- en informatieverzoek kunnen weliswaar erg belastend zijn voor KPMG, maar daaruit volgt onvoldoende dat [appellant1] dit rectificatie- en informatieverzoek alleen heeft gebruikt om KPMG te schaden. Dat sprake is van een duidelijke strategie of campagne van [appellant1] om KPMG te schaden, zoals KPMG aanvoert en door [appellant1] is weersproken, ziet het hof (nog) niet in de nu ter beoordeling voorliggende verzoeken. Daarom is er met deze twee verzoeken geen sprake van een te grote onevenredigheid tussen het belang van [appellant1] en KPMG. De vraag of [appellant1] met zijn latere verzoeken misbruik van recht maakt, ligt in deze zaak niet ter beoordeling voor.
Geen buitensporigheid
4.8.
Anders dan KPMG aanvoert, blijkt uit de hiervoor beschreven omstandigheden ook niet dat de in deze procedure voorliggende rectificatie- en informatieverzoeken van [appellant1] als buitensporig in de zin van artikel 12 lid 5 AVG moeten worden aangemerkt. KPMG heeft toegelicht dat [appellant1] na dit verzoek nog meer dan 260 nieuwe AVG verzoeken heeft gedaan, verspreid over tientallen brieven. Die hoeveelheid verzoeken kan weliswaar wijzen op buitensporigheid, maar die zijn gedaan na de verzoeken die hier voorliggen. Het hof kan daarom ten aanzien van de nu voorliggende verzoeken niet vaststellen dat sprake is van opzettelijk misbruik door [appellant1] in die zin dat hij deze verzoeken heeft gedaan zonder dat dit objectief noodzakelijk is om zijn AVG-rechten te beschermen. [3]
Afwijzing verzoek om bewijs te leveren
4.9.
De verzoeken van [appellant1] dateren van 24 juli 2024. Dit betekent dat deze worden beoordeeld aan de hand van de - op 25 mei 2018 in werking getreden - AVG. [4]
4.10.
[appellant1] wil dat het hof KPMG opdraagt te bewijzen dat de vijf persoonsgegevens, die hiervoor in 3.5 zijn opgesomd, juist en actueel zijn én rechtmatig zijn verwerkt. In artikel 5 lid 1 aanhef en onder d AVG is bepaald dat persoonsgegevens juist moeten zijn en zo nodig moeten worden geactualiseerd. Het is in beginsel aan KPMG als verwerkingsverantwoordelijke om aan te tonen dat zij de persoonsgegevens van [appellant1] in overeenstemming met de beginselen van artikel 5 AVG heeft verwerkt. Dat volgt uit de verantwoordingsplicht van artikel 5 lid 2 AVG. Een betrokkene, zoals [appellant1] , kan echter niet rechtstreeks een beroep doen op deze verantwoordingsplicht.
4.11.
Deze verzoekschriftprocedure is gebaseerd op artikel 35 UAVG wat betrekking heeft op verzoeken uit artikel 15 tot en met 22 AVG (zie hiervoor in 4.2). Deze bepalingen uit de AVG bieden geen grondslag om KPMG te veroordelen tot het leveren van bewijs dat zij heeft voldaan aan de verplichtingen uit artikel 5 lid 1 AVG. Dit verzoek zal daarom worden afgewezen. Overigens volgt uit zijn bewijsverzoek dat [appellant1] twijfelt aan de juistheid van de informatie die hij van KPMG heeft ontvangen en aan de rechtmatigheid van de verwerking van zijn persoonsgegevens. Zoals door het hof is toegelicht tijdens de mondelinge behandeling, kan [appellant1] daarvoor een klacht indienen bij de Autoriteit Persoonsgegevens, die de bevoegdheid heeft om de door haar gewenste informatie op te vragen aan KPMG. [5]
Afwijzing rectificatieverzoek
4.12.
[appellant1] verzoekt rectificatie van de vijf in 3.5 opgesomde persoonsgegevens die KPMG in haar onderzoeksrapport heeft verwerkt. Het hof heeft echter geconstateerd dat die vijf persoonsgegevens niet met zoveel woorden zijn opgenomen in het onderzoeksrapport. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [appellant1] toegelicht dat zijn verzoek betrekking heeft op de verwerking van zijn persoonsgegevens, zoals vermeld op de pagina’s van het onderzoeksrapport waarnaar hij heeft verwezen in zijn verzoekschrift in eerste aanleg. Ondanks dat de teksten op die pagina’s niet letterlijk hetzelfde zijn als de door hem genoemde vijf persoonsgegevens, stemt de strekking van de daar verwerkte persoonsgegevens volgens [appellant1] wel daarmee overeen. KPMG heeft toegelicht dat zij niet heeft gecontroleerd of de vijf persoonsgegevens ook als zodanig in het onderzoeksrapport vermeld stonden en heeft verzocht om hoe dan ook wel een inhoudelijk oordeel te geven over het rectificatieverzoek van [appellant1] . Het hof zal het rectificatieverzoek van de vijf persoonsgegevens daarom beoordelen op de wijze zoals [appellant1] tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht. Het gaat dan om de gegevens dat [appellant1] bij zowel [naam1] als de gemeente [plaats1] de bevoegdheid had tot accorderen van facturen, dat [appellant1] namens de gemeente [plaats1] en [naam1] dienstverlening heeft ingekocht en dat er geen gebleken prestaties tegenover de door of namens [appellant1] verzonden facturen hebben gestaan.
4.13.
Op grond van artikel 16 AVG heeft [appellant1] recht op rectificatie van hem betreffende onjuiste persoonsgegevens. [6] Bij het beoordelen van de juistheid van die persoonsgegevens moet worden uitgegaan van de doeleinden waarvoor deze zijn verzameld. De vraag of de persoonsgegevens rechtmatig zijn verwerkt, maakt geen onderdeel uit van de beoordeling van een rectificatieverzoek. Bij dit verzoek moet alleen beoordeeld worden of de betreffende persoonsgegevens zelf onjuist zijn.
4.14.
[appellant1] voert terecht aan dat het recht op rectificatie geldt voor alle soorten persoonsgegevens. Het begrip persoonsgegevens kent een ruime betekenis onder de AVG. Ook subjectieve informatie in de vorm van meningen of beoordelingen valt daaronder voor zover die informatie betrekking heeft op een bepaald persoon. [7] Zoals hiervoor benoemd en in 3.5 opgesomd, gaat het om de gegevens dat [appellant1] bij zowel [naam1] als de gemeente [plaats1] de bevoegdheid had tot het accorderen van facturen, dat [appellant1] namens de gemeente [plaats1] en [naam1] dienstverlening heeft ingekocht en dat er geen gebleken prestaties tegenover de door of namens [appellant1] verzonden facturen hebben gestaan. Deze gegevens bevatten informatie over [appellant1] , waardoor het persoonsgegevens zijn in de zin van de AVG. Dat brengt mee dat beoordeeld moet worden of de vijf persoonsgegevens onjuist zijn en moeten worden gerectificeerd.
4.15.
Het uitgangspunt voor die beoordeling is, als gezegd, het doel van de verwerking daarvan. [8] Uit de inleiding van het onderzoeksrapport volgt dat het onderzoek was gericht op het verschaffen van inzicht in de feitelijke gang van zaken met betrekking tot mogelijke onregelmatigheden in relatie tot [appellant1] en aan hem gelieerde (rechts)personen. Het onderzoek is verricht in opdracht van de gemeente [plaats1] en was gericht op transacties tussen 2009 en 2013. Het onderzoeksrapport is afgerond op 17 juli 2015. De uitgebreide reactie van [appellant1] is in dat rapport meegenomen.
4.16.
KPMG voert aan dat haar onderzoekers, op basis van hun expertise, alle informatie die zij in het kader van hun onderzoek hebben verzameld, hebben gewogen en daarbij hun professionele indruk in de vorm van hun bevindingen hebben verwerkt in het rapport. In het kader van hoor en wederhoor heeft [appellant1] vervolgens de mogelijkheid gehad om de indrukken die deze onderzoekers op dat moment hadden, bij te stellen, aldus KPMG. [appellant1] betwist een en ander als zodanig niet. [appellant1] stelt echter dat hij aan de hand van met name latere getuigenverklaringen tot de ontdekking is gekomen dat die beoordelingen achteraf bezien onjuist zijn.
4.17.
Het hof gaat daar niet in mee. Tussen partijen is niet in geschil dat het definitieve rapport de uitkomsten van het onderzoek weerspiegelt op het moment van afronding daarvan. De persoonsgegevens waar [appellant1] rectificatie van wenst, hebben geen betrekking op de feitelijke informatie die de onderzoekers van KPMG hebben onderzocht, maar op de beoordeling daarvan door de onderzoekers. [appellant1] stelt de feitelijke informatie waar de onderzoekers hun oordeel op hebben gebaseerd - zoals de diverse geldstromen, facturen en overige documenten - ook niet ter discussie. Zijn standpunt komt er dus niet op neer dat de persoonsgegevens waarvan hij rectificatie verzoekt niet aansluiten bij de onderzochte feiten en om die reden niet correct zijn, maar dat op basis van later gebleken informatie alsnog tot andere beoordelingen moet worden gekomen. Op grond van dit standpunt en alles wat partijen daarover hebben aangedragen, kan het hof tot geen andere conclusie komen dan dat [appellant1] niet deugdelijk heeft onderbouwd dat door KPMG in het onderzoeksrapport van 2015 onjuiste persoonsgegevens zijn verwerkt. Dat brengt mee dat er niets te rectificeren valt.
4.18.
Daarnaast volgt ook niet uit de nieuwe informatie die [appellant1] heeft aangedragen - en die door KPMG gemotiveerd is betwist - dat de vijf persoonsgegevens achteraf bezien onjuist zijn. Wat betreft de ‘bevoegdheid tot accorderen’ volgt uit de door [appellant1] overgelegde getuigenverklaringen en stukken niet dat het standpunt van KPMG dat [appellant1] die bevoegdheid feitelijk bezat, niet klopt. Daarbij verwijst het hof naar het oordeel van het Gerechtshof Den Haag [9] in de procedure tussen [appellant1] enerzijds en de gemeente [plaats1] en [naam1] anderzijds, dat [appellant1] naar eigen zeggen over ruime bevoegdheden beschikte en ook instructies gaf over de omschrijvingen op de facturen, zodat deze zo weinig mogelijk vragen zouden oproepen. Het hof sluit zich ook aan bij de overweging van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven in de tuchtzaken van [appellant1] tegen de medewerkers van KPMG: “
de omstandigheid dat bevoegdheden formeel niet of anders waren geregeld, doet niet af aan de juistheid van hetgeen ten aanzien van de feitelijke gang van zaken is geconstateerd”. [10] Inzake de persoonsgegevens ‘inkoop van dienstverlening’ heeft KPMG onweersproken betoogd dat alleen over goederen en diensten BTW wordt gerekend. Op de facturen in de bijlagen bij het onderzoeksrapport die door [appellant1] voor akkoord zijn getekend, is BTW in rekening gebracht. Waarom deze persoonsgegevens achteraf bezien desondanks onjuist zijn - omdat het om subsidieverlening zou gaan - is door [appellant1] alleen al daarom onvoldoende onderbouwd. Datzelfde geldt voor de persoonsgegevens ‘geen gebleken prestaties verricht’. De verklaring waar [appellant1] naar verwijst, is gemotiveerd betwist door KPMG, waardoor daaruit niet kan worden afgeleid dat deze persoonsgegevens onjuist zijn. Overigens heeft het Gerechtshof Den Haag in de bovengenoemde procedure vastgesteld dat [appellant1] valse facturen heeft opgesteld, facturen valselijk heeft laten opstellen en deze heeft geaccordeerd. [11]
4.19.
Dit betekent dat het verzoek van [appellant1] tot rectificatie van de vijf persoonsgegevens zal worden afgewezen.
Afwijzing informatieverzoek
4.20.
[appellant1] heeft KPMG verzocht om 49 vragen te beantwoorden. In hoger beroep heeft hij dit ingeperkt tot 46 vragen (zie hiervoor in 2.3). Hij baseert dit verzoek op artikel 14 AVG. Artikel 14 AVG bevat de informatieplicht bij een verwerking van persoonsgegevens die niet van de betrokkene zelf zijn verkregen. KPMG voert aan dat op het moment dat zij de persoonsgegevens van [appellant1] heeft verzameld, de AVG nog niet van toepassing was. Dat is op zichzelf juist, maar zoals hiervoor in 4.9 is geoordeeld, is de AVG van toepassing op het verzoek, want dat heeft [appellant1] gedaan in 2024. De vraag of KPMG in de tijd van het onderzoek aan haar informatieplicht heeft voldaan, ligt hier niet voor.
4.21.
In beginsel valt een verzoek op grond van artikel 14 AVG buiten de reikwijdte van een verzoekschriftprocedure die is gebaseerd op artikel 35 UAVG (zie hiervoor in 4.2). De informatie die een verwerkingsverantwoordelijke verplicht is te verstrekken op grond van artikel 14 stemt echter voor een groot deel overeen met de informatie die bij een inzageverzoek op grond van artikel 15 lid 1 AVG moet worden verstrekt. Het hof zal daarom het informatieverzoek inhoudelijk beoordelen.
4.22.
Anders dan [appellant1] veronderstelt, vallen de 46 vragen waarop hij antwoord wil krijgen van KPMG niet onder de reikwijdte van de informatieplicht uit artikel 14 AVG. De vragen die daar wel onder vielen, heeft [appellant1] in dit hoger beroep ingetrokken, omdat hij die informatie al had gekregen via zijn eerdere inzageverzoek. Zijn vragen zoals “
Op welke wijze heeft KPMG zich ervan vergewist dat hier sprake was van een uitdrukkelijk en ondubbelzinnig gegeven toestemming?”, “
Zijn de gemeente [plaats1] (opdrachtgever van KPMG) of [naam1] strafvorderlijke organen?” en “
Op welke wijze heeft KPMG invulling gegeven aan de door de EDPB genoemde verplichting om informatie te verstrekken over gegevens die onjuist zijn of over gegevensverwerking die niet of niet langer rechtmatig is?”zijn vragen die in het kader van de verantwoordingsplicht van artikel 5 lid 2 AVG eventueel aan de orde kunnen komen, maar vallen niet onder het recht op informatie uit artikel 14 of 15 AVG. Zoals hiervoor in 4.10 en 4.11 is toegelicht, komt [appellant1] geen rechtstreeks beroep op de verantwoordingsplicht van artikel 5 lid 2 AVG toe. Daarnaast zijn er een aantal vragen die helemaal geen betrekking hebben op de verwerking van zijn persoonsgegevens, maar op andere handelingen van KPMG, zoals de vraag “
Zo ja, wat is daar besproken? En zijn daarbij op enigerlei wijze direct of indirect instructies, aanwijzingen of aanbevelingen aan KPMG gegeven?”. Deze vragen vallen buiten de AVG en voor de toewijzing van de verzochte beantwoording daarvan ontbreekt een grondslag.
4.23.
Het voorgaande brengt mee dat het verzoek om KPMG te bevelen de 46 resterende vragen te beantwoorden zal worden afgewezen.
Geen toewijzing resterende verzoeken
4.24.
Ten aanzien van het verzoek van [appellant1] om te beslissen op de in zijn brief van 3 februari 2025 onder nummers 10 tot en met 31 opgenomen verzoeken, stelt het hof vast dat deze niet zien op verzoeken die [appellant1] heeft gedaan aan KPMG in het kader van de aan hem op grond van de AVG toekomende rechten. In plaats daarvan betreffen het verzoeken dan wel suggesties van [appellant1] aan het hof. Het hof heeft hiervan kennis genomen, maar zal daar niet als zodanig op beslissen.

5.Conclusie

5.1.
De bezwaren die [appellant1] aanvoert tegen de beschikking falen. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt. Het hof zal [appellant1] niet-ontvankelijk verklaren in de door hem verzochte verklaring voor recht en zal de beschikking van de rechtbank bekrachtigen. Omdat [appellant1] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem veroordelen tot betaling van de proceskosten van KPMG bij het hof. [12]
5.2.
De proceskostenveroordeling zal ook ten uitvoer kunnen worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

6.De beslissing

Het hof:
6.1.
verklaart [appellant1] niet-ontvankelijk in zijn verzoek om voor recht te verklaren dat KPMG zijn strafrechtelijke persoonsgegevens onrechtmatig heeft verwerkt;
6.2.
bekrachtigt de bestreden beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 26 maart 2025;
6.3.
veroordeelt [appellant1] tot betaling van de volgende proceskosten van KPMG:
€ 827,- aan griffierecht
€ 2.428,- aan salaris van de advocaat van KPMG (2 procespunten x het tarief van € 1.214,-);
6.4.
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
6.5.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
6.6.
wijst af wat verder is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P.M. Hennekens, L. Janse en G.R. den Dekker, en is in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.

Voetnoten

1.Gerechtshof Den Haag 4 april 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:829.
2.Rechtbank Rotterdam 16 juli 2020, parketnummer: 10/996665-16 (niet gepubliceerd).
3.Vergelijk HvJEU 9 januari 2025, ECLI:EU:C:2025:3 punten 43-59
4.Vergelijk HvJEU 22 juni 2023, ECLI:EU:C:2023:501, punt 29-36.
5.Zie HvJ EU 22 juni 2023, Pankki, C-579/21, ECLI:EU:C:2023:501, punten 81-82.
6.HvJEU 13 maart 2025, VP, C-247/23, ECLI:EU:C:2025:172, punten 26 en 32 en HvJEU 20 december 2017, Nowak, C-434/16, ECLI:EU:C:2017:994, punt 53.
7.HvJEU 20 december 2017, Nowak, C-434/16, ECLI:EU:C:2017:994, punten 34-35.
8.HvJEU 13 maart 2025, VP, C-247/23, ECLI:EU:C:2025:172, punten 26 en 32 en HvJEU 20 december 2017, Nowak, C-434/16, ECLI:EU:C:2017:994, punt 53.
9.Gerechtshof Den Haag 4 april 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:829, ro. 82.
10.College van beroep voor het bedrijfsleven 11 juni 2019, ECLI:NL:CBB:2019:228, ro. 5.2.
11.Gerechtshof Den Haag 4 april 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:829, ro. 59, 66-68, 73, 76, 81.
12.HR 25 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:329 r.o. 3.2.3.