Uitspraak
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- het beroepschrift met bijlagen 1 tot en met 21;
- de brief van [appellant1] van 7 juni 2025 met aanvullende producties;
- de brief van [appellant1] van 23 juni 2025 met twee aanvullingen op zijn verzoeken;
- de brief van [appellant1] van 10 juli 2025 met een aanvullende productie;
- het verweerschrift met bijlagen 1 tot en met 4;
- de aanvullende producties bij de (niet toegelaten) brief van [appellant1] van 15 september 2025;
- het door het hof op 25 september 2025 bij KPMG opgevraagde rapport met bijlagen.
2.De kern van de zaak
- wordt verplicht om binnen twee weken na deze uitspraak bewijs te leveren dat de vijf persoonsgegevens juist en actueel zijn en rechtmatig zijn verwerkt, en als het hiervoor genoemde bewijs niet door KPMG is geleverd:
- wordt verplicht om de vijf persoonsgegevens te rectificeren en de ontvangers daarvan in kennis te stellen; en
- wordt opgedragen om binnen twee weken na deze uitspraak de 49 door [appellant1] gestelde vragen, met uitzondering van de vragen 1, 5 en 16, te beantwoorden.
3.De feiten
"bevoegdheid tot accorderen bij [naam1] ";
"bevoegdheid tot accorderen bij de gemeente [plaats1] ";
"inkoop van dienstverlening bij [naam1] ";
"inkoop van dienstverlening bij [plaats1] ";
"geen gebleken prestaties verricht".
4.De toelichting op de beslissing van het hof
de omstandigheid dat bevoegdheden formeel niet of anders waren geregeld, doet niet af aan de juistheid van hetgeen ten aanzien van de feitelijke gang van zaken is geconstateerd”. [10] Inzake de persoonsgegevens ‘inkoop van dienstverlening’ heeft KPMG onweersproken betoogd dat alleen over goederen en diensten BTW wordt gerekend. Op de facturen in de bijlagen bij het onderzoeksrapport die door [appellant1] voor akkoord zijn getekend, is BTW in rekening gebracht. Waarom deze persoonsgegevens achteraf bezien desondanks onjuist zijn - omdat het om subsidieverlening zou gaan - is door [appellant1] alleen al daarom onvoldoende onderbouwd. Datzelfde geldt voor de persoonsgegevens ‘geen gebleken prestaties verricht’. De verklaring waar [appellant1] naar verwijst, is gemotiveerd betwist door KPMG, waardoor daaruit niet kan worden afgeleid dat deze persoonsgegevens onjuist zijn. Overigens heeft het Gerechtshof Den Haag in de bovengenoemde procedure vastgesteld dat [appellant1] valse facturen heeft opgesteld, facturen valselijk heeft laten opstellen en deze heeft geaccordeerd. [11]
Op welke wijze heeft KPMG zich ervan vergewist dat hier sprake was van een uitdrukkelijk en ondubbelzinnig gegeven toestemming?”, “
Zijn de gemeente [plaats1] (opdrachtgever van KPMG) of [naam1] strafvorderlijke organen?” en “
Op welke wijze heeft KPMG invulling gegeven aan de door de EDPB genoemde verplichting om informatie te verstrekken over gegevens die onjuist zijn of over gegevensverwerking die niet of niet langer rechtmatig is?”zijn vragen die in het kader van de verantwoordingsplicht van artikel 5 lid 2 AVG eventueel aan de orde kunnen komen, maar vallen niet onder het recht op informatie uit artikel 14 of 15 AVG. Zoals hiervoor in 4.10 en 4.11 is toegelicht, komt [appellant1] geen rechtstreeks beroep op de verantwoordingsplicht van artikel 5 lid 2 AVG toe. Daarnaast zijn er een aantal vragen die helemaal geen betrekking hebben op de verwerking van zijn persoonsgegevens, maar op andere handelingen van KPMG, zoals de vraag “
Zo ja, wat is daar besproken? En zijn daarbij op enigerlei wijze direct of indirect instructies, aanwijzingen of aanbevelingen aan KPMG gegeven?”. Deze vragen vallen buiten de AVG en voor de toewijzing van de verzochte beantwoording daarvan ontbreekt een grondslag.