ECLI:NL:GHARL:2025:8710

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
200.353.406/02
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wraking verzoek in echtscheidingsprocedure met misbruik van procesrecht

In deze zaak heeft verzoeker, zonder advocaat, een wrakingsverzoek ingediend tegen de raadsheren die zijn echtscheidingsprocedure behandelden. De wrakingsprocedure vond plaats in het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waar op 16 oktober 2025 een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. Tijdens deze zitting heeft verzoeker de drie raadsheren gewraakt, maar zijn verzoek werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet door een advocaat was ingediend, wat vereist is in hoger beroep. De wrakingskamer heeft op 24 december 2025 beslist dat het verzoek niet-ontvankelijk is en dat een volgend wrakingsverzoek in dezelfde zaak niet in behandeling zal worden genomen, omdat verzoeker misbruik van procesrecht heeft gemaakt door meerdere wrakingsverzoeken in te dienen. De wrakingskamer oordeelde dat de verzoeken niet zijn gebaseerd op feiten die de onpartijdigheid van de rechters in gevaar zouden kunnen brengen. De beslissing is genomen door de wrakingskamer, bestaande uit mrs. M.L. van der Bel, A. van Maanen en A.E. Keulemans, en is openbaar uitgesproken.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
zaaknummer W200.353.406/02
beslissing van de wrakingskamer van 24 december 2025
inzake het verzoek tot wraking, gedaan door
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker,
zonder advocaat.

1.De procedure

1.1
Bij dit hof is onder zaaknummer 200.353.406/01 een procedure aanhangig tussen verzoeker en zijn ex-echtgenote in verband met hun echtscheiding.
1.2
Op 16 oktober 2025 heeft in die zaak een mondelinge behandeling plaatsgevonden ten overstaan van de raadsheren mr. J.H. Lieber, voorzitter, mr. K. Mans en mr. K.A.M. van Os-ten Have. Verzoeker werd op die zitting niet meer bijgestaan door een advocaat.
1.3
Op die mondelinge behandeling heeft verzoeker de drie behandelend raadsheren gewraakt. De mondelinge behandeling is vervolgens geschorst en er is proces-verbaal opgemaakt van de zitting. Het dossier is daarna doorgezonden aan de wrakingskamer.
1.4
Vanuit de griffie van de wrakingkamer is aan verzoeker op 20 oktober 2025 onder meer het volgende bericht:
“In het wrakingsprotocol staat opgenomen: in zaken waarin de partij zich verplicht moet laten vertegenwoordigen, moet het verzoek tot wraking op straffe van niet-ontvankelijkheid worden ingediend door een advocaat (zie punt 1.2. van het wrakingsprotocol).
Hiervoor krijgt u 2 weken, tot en met 4 november aanstaande, de mogelijkheid om een advocaat te stellen.”
1.5
Verzoeker heeft daar via e-mailbericht van diezelfde dag op gereageerd, inhoudende dat dit op hem in het onderhavige geval niet van toepassing is.
1.6
Aan verzoeker is op 6 november 2025 medegedeeld dat op 11 december 2025 een mondelinge behandeling betreffende het wrakingsverzoek zal plaatsvinden.
1.7
De drie behandelend raadsheren hebben een gezamenlijke schriftelijke reactie gegeven op het verzoek tot wraking. Die reactie is op 19 november 2025 aan verzoeker doorgezonden.
1.8
Verzoeker heeft de griffie van de wrakingskamer in aanloop naar de mondelinge behandeling vele malen gemaild en daarbij soms ook stukken gevoegd: op 20, 21, 27 oktober 2025 en op 10, 21, 28 november 2025 en op 2, 3, 4, 7 december 2025. Op 11 december 2025 heeft verzoeker op voorhand zijn pleitnota aan de wrakingskamer doen toekomen.
1.9
Op 11 december 2025 heeft de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek plaatsgevonden. Daarbij waren verzoeker en mrs. Lieber en Van Os-ten Have aanwezig.
1.1
Op die mondelinge behandeling heeft verzoeker ook aangegeven de wrakingskamer te wraken. Hij heeft daartoe in zijn pleitnota de wrakingsgronden aangegeven, die erop neerkomen dat de wrakingskamer de behandeling van het wrakingsverzoek ten onrechte niet heeft aangehouden ondanks zijn verzoek daartoe. Na een korte onderbreking voor overleg heeft de wrakingskamer medegedeeld dat het verzoek tot wraking van de wrakingskamer niet in behandeling wordt genomen. Enerzijds omdat het verzoek niet is ingediend door een verplichte procesvertegenwoordiger (als bedoeld in artikel 4 lid 2 onder b van het Wrakingsprotocol van dit hof, zoals vastgesteld in de bestuursvergadering van 9 juni 2021) en anderzijds omdat er sprake is van misbruik van recht door een stapeling van wrakingsverzoeken (als bedoeld in artikel 4 lid 3 tweede alinea van datzelfde protocol). Daarbij is door de voorzitter gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018 [1] . Vervolgens is de mondelinge behandeling voortgezet. Verzoeker heeft het wrakingsverzoek van mrs. Lieber, Mans en Van Os-Ten Have vervolgens nader toegelicht en
mrs. Lieber en Van Os-Ten Have hebben een nadere toelichting gegeven op hun eerdere schriftelijke reactie. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek is daarna gesloten en de voorzitter heeft medegedeeld dat de wrakingskamer op 24 december een beslissing zal nemen.
1.11
Na de mondelinge behandeling heeft verzoeker meerdere malen aan de wrakingskamer e-mailberichten gezonden. Na sluiting van de mondelinge behandeling is het echter niet meer mogelijk nog stukken aan het dossier toe te voegen of over de zaak te corresponderen, tenzij verzoeker daartoe in de gelegenheid is gesteld. Dat is hier niet het geval, dus die berichten worden niet toegevoegd aan het wrakingsdossier en zijn bij de beoordeling van het wrakingsverzoek buiten beschouwing gelaten.

2.Het verzoek

2.1
Uit het proces-verbaal van de zitting van 16 oktober 2025 blijkt dat verzoeker zijn verzoek erop gebaseerd heeft dat er volgens hem klemmende redenen waren om de behandeling van de zaak aan te houden, maar dat dit niet is gebeurd. Verder heeft verzoeker verwezen naar de op die zitting door hem overgelegde pleitnota voor de wrakingsgronden.
2.2
De wrakingsgronden komen er in de kern op neer dat er volgens verzoeker meerdere redenen waren om de behandeling van de zaak aan te houden, maar dat dit is afgewezen omdat de drie punten die verzoeker daartoe had aangevoerd niet als klemmende redenen zijn aangemerkt. Volgens verzoeker is er in eerdere procedures waarbij hij betrokken was sprake geweest van onrechtmatig handelen door het hof door te weigeren aangifte te doen van een ambtsmisdrijf door de betrokken instanties. Dit acht verzoeker uiterst problematisch en wekt volgens hem de schijn van partijdigheid.

3.De beoordeling

3.1
Artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2
In hoger beroep kan een partij op grond van artikel 353 lid 1 Rv slechts bij advocaat procederen. Bij zaken voor het hof is derhalve sprake van verplichte procesvertegenwoordiging en dat geldt daarmee ook voor wrakingsverzoeken in dergelijke zaken.
3.3
Op grond van onderdeel 4 lid 2 van het wrakingsprotocol kan de wrakingskamer het verzoek tot wraking zonder behandeling ter zitting aanstonds ongegrond of niet-ontvankelijk verklaren indien het verzoek niet door een verplichte procesvertegenwoordiger is ingediend.
3.4
Het wrakingsverzoek ten aanzien van de raadsheren Lieber, Mans en Van Os- ten Have is niet ingediend door een advocaat en leidt er op grond van het voorgaande toe dat het verzoek niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Dat verzoeker stelt geen advocaat te kunnen vinden die hem wil bijstaan doet daar niet aan af en is geen reden voor de wrakingskamer om het verzoek alsnog ontvankelijk te verklaren.
3.5
Ten overvloede overweegt de wrakingskamer dat, ook al zou het verzoek ontvankelijk zijn, het door de wrakingskamer ongegrond zou worden verklaard. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking oordeelt de wrakingskamer namelijk niet over de juistheid van een genomen (proces)beslissing. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt met zich dat rechterlijke (tussen)beslissingen als zodanig nimmer grond kunnen vormen voor wraking; wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Dat is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven [2] . Daarvan is hier geen sprake.
3.6
De handelwijze van verzoeker in deze wrakingsprocedure, waaronder een stapeling van wrakingsverzoeken, is evident erop gericht om aanhouding van de zaak en daarmee vertraging van de rechtsgang te bewerkstelligen. Daarmee maakt hij naar het oordeel van de wrakingskamer misbruik van procesrecht. De wrakingskamer zal daarom bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in de zaak met nummer 200.353.406/01 niet in behandeling wordt genomen (art. 39 lid 4 Rv).

4.De beslissing

De wrakingskamer van het gerechtshof, beslissende op het verzoek tot wraking van
mr. J.H. Lieber, K. Mans en K.A.J. van Os-ten Have:
verklaart het verzoek niet-ontvankelijk;
bepaalt dat een volgend verzoek om wraking in de zaak met nummer 200.353.406/01 niet in behandeling zal worden genomen.
Deze beslissing is gegeven door mrs. M.L. van der Bel, voorzitter, A. van Maanen en
A.E. Keulemans en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken
op 24 december 2025.