AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht in belastingzaak
Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland inzake een geschil met de heffingsambtenaar van de gemeente Hilversum. Het hogerberoepschrift werd op 30 december 2024 ontvangen. De griffier heeft de gemachtigde van belanghebbende meerdere malen schriftelijk gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht van €559 en de gevolgen van niet-betaling.
Ondanks deze aanmaningen is het griffierecht niet voldaan. Uit onderzoek bleek dat de aanmaningsbrief op 19 februari 2025 door de gemachtigde is ontvangen, maar geen betaling volgde. Het hof heeft de zaken in een cluster behandeld en procesafspraken gemaakt, waarbij ook het niet-betalen van griffierecht werd geconstateerd.
Tijdens de zitting op 30 oktober 2025 verschenen de gemachtigde en een vertegenwoordiger van de heffingsambtenaar. Het hof oordeelt dat geen omstandigheden zijn aangevoerd die het verzuim van betaling rechtvaardigen. Daarom wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 8:108 lid 1 enProartikel 8:41 lid 6 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
Daarnaast is de redelijke termijn niet overschreden, zodat het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen. Het hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is op 16 december 2025 in het openbaar gedaan door de vijfde meervoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 16 december 2024, nummers UTR 23/4604 en 23/4715, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Hilversum(hierna: de heffingsambtenaar).
1.Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Het hogerberoepschrift is op 30 december 2024 ontvangen ter griffie van het Hof.
1.2.
Bij brief van 16 januari 2025, gericht aan het bij het Hof bekende adres van mr. D.A.N. Bartels (hierna: de gemachtigde), heeft de griffier gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht van 559. In deze brief is meegedeeld dat het bedrag binnen vier weken na dagtekening van de brief moet zijn bijgeschreven op de in de brief vermelde bankrekening en dat als het verschuldigde bedrag niet of niet tijdig is bijgeschreven het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
1.3.
Bij aangetekende brief van 14 februari 2025 gericht aan het bij het Hof bekende adres van de gemachtigde heeft de griffier nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht van 559. Ook in deze brief is meegedeeld dat als het verschuldigde bedrag niet of niet tijdig is bijgeschreven op de in de brief vermelde bankrekening, het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
1.4.
De hiervoor bedoelde brieven zijn niet door het Hof retour ontvangen. Uit onderzoek is gebleken dat de aangetekende brief van 14 februari 2025 op 19 februari 2025 is afgehaald bij een PostNL-punt en dat voor ontvangst is getekend.
1.5.
Het griffierecht is niet betaald.
1.6.
De onderhavige zaken zijn gaan behoren tot een cluster van zaken waarin de gemachtigde voor verschillende belanghebbenden optreedt, telkens met de heffingsambtenaar als wederpartij. Op 28 mei 2025 heeft het Hof op een regiezitting met partijen procesafspraken gemaakt voor de behandeling van de zaken die tot het cluster behoren. Van de regiezitting is een proces-verbaal opgesteld dat aan partijen is verzonden. Het Hof heeft de procesafspraken voor de clustergewijze behandeling bij brief van 12 juni 2025 bevestigd.
1.7.
Het Hof heeft bij brief van 21 juli 2025 een overzicht verstrekt van zaken waarin het griffierecht niet is betaald. De onderhavige zaken staan op dat overzicht. De gemachtigde is daarbij in de gelegenheid gesteld om dit overzicht op juistheid te controleren en daarop schriftelijk te reageren. De gemachtigde heeft niet gereageerd.
1.8.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord de gemachtigde namens belanghebbende en [naam1] namens de heffingsambtenaar. Het proces-verbaal van de zitting is aan partijen toegezonden.
2.Beoordeling door het Hof
2.1.
Het verschuldigde griffierecht is niet binnen de gestelde termijn bijgeschreven op de bankrekening die is vermeld in de brief van de griffier.
2.2.
Er zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat de indiener niet in verzuim is geweest.
2.3.
Dit betekent dat het hoger beroep volgens artikel 8:108, eerste lid, in samenhang met artikel 8:41, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
2.4.
Gelet op de datum van binnenkomst van het hogerberoepschrift is de redelijke termijn in hoger beroep niet overschreden, zodat het verzoek om vergoeding van immateriële schade moet worden afgewezen.
Slotsom
2.5.
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep niet-ontvankelijk.
3.Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.
4.Beslissing
Het Hof:
- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk,
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.W. van de Sande, voorzitter, mr. J.W. Keuning en mr. V.F.R. Woeltjes, raadsheren, in tegenwoordigheid van A. Tax als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.
De griffier, De voorzitter,
A. Tax J.M.W. van de Sande
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.