ECLI:NL:GHARL:2026:1096

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
21-004365-25
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285b SrArt. 38v SrArt. 38w SrArt. 57 SrArt. 261 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor belaging van een rechtspersoon met locatieverbod

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 24 februari 2026 uitspraak gedaan in het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland. Verdachte werd beschuldigd van belaging en dwang jegens een stichting en haar medewerkers. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en deed opnieuw recht.

De feiten betreffen herhaaldelijke bezoeken, dreigende boodschappen, het plaatsen van video's op sociale media en het intimideren van medewerkers van de stichting. Het gedrag van verdachte had een grote impact op de bedrijfsvoering en het veiligheidsgevoel van de medewerkers, wat leidde tot ziekteverzuim en het aanstellen van 24-uurs beveiliging.

Het hof oordeelde dat belaging van een rechtspersoon mogelijk is en dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de stichting. Het openbaar ministerie werd niet-ontvankelijk verklaard voor de vervolging van belaging jegens individuele medewerkers vanwege het ontbreken van individuele klachten.

De strafmaat werd vastgesteld op tien weken gevangenisstraf met aftrek van het voorarrest. Daarnaast werd een locatieverbod opgelegd voor drie jaar, waarbij verdachte zich niet mag bevinden binnen 100 meter van de locaties van de stichting, met vervangende hechtenis bij overtreding. Het hof achtte het gedrag van verdachte ernstig en recidivegevoelig, mede gelet op zijn strafblad en eerdere gedragsproblemen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot tien weken gevangenisstraf en een locatieverbod van drie jaar wegens belaging van een stichting.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004365-25
Uitspraakdatum: 24 februari 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 20 oktober 2025 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-260537-25 en 18-234492-25, tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats.

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 10 februari 2026 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv), het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot
veroordeling van de verdachte in zowel de zaak met parketnummer 18-260537-25 voor het onder feit 1 primair (belaging) tenlastegelegde als in de zaak met parketnummer 18-234492-25 voor het onder feit 1 primair (belaging) tenlastegelegde tot een gevangenisstraf van 10 weken met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) voor de duur van drie jaren wordt opgelegd, inhoudende een locatieverbod waarbij verdachte zich niet zal ophouden in een straal van 100 meter van de locaties van [bedrijf] te [plaats] , te weten de locatie [adres] en de locatie [adres] met 14 dagen vervangende hechtenis voor elke overtreding van de maatregel en met een maximale totale duur van de vervangende hechtenis van zes maanden. De advocaat-generaal heeft tevens gevorderd dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J. Mens, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft bij vonnis van 20 oktober 2025 ten aanzien van de parketnummers 18-260537-25 feit 1 primair en 18-234492-25 feit 1 primair de dagvaarding nietig verklaard. De politierechter heeft de verdachte in beide parketnummers veroordeeld voor het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit, te weten dwang, tot een gevangenisstraf van 10 weken met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de politierechter een locatieverbod van twee jaren opgelegd inhoudende – kort gezegd – dat verdachte zich niet mag ophouden binnen een straal van 50 meter van de locaties [adres] en [adres] van [bedrijf] . Het locatieverbod is door de politierechter dadelijk uitvoerbaar verklaard.
Het hof vernietigt het vonnis van de politierechter omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt en doet daarom opnieuw recht.

Tenlastelegging

Op de zitting bij de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
Zaak met parketnummer 18-260537-25:
primair
hij in de periode van 27 september tot en met 3 oktober 2025 te [plaats] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [bedrijf] en/of personen werkzaam voor [bedrijf] , door
- meermaals bij panden van [bedrijf] langs te gaan,
- meermaals boodschappen, gericht aan [bedrijf] en/of voor [bedrijf] werkzame personen, via de camera van [bedrijf] door te geven,
- meermaals brieven en/of andere goederen achter te laten in de brievenbus van [bedrijf] , en/of
- meermaals video's op TikTok te plaatsen en/of [bedrijf] in die video's te noemen, met het oogmerk die [bedrijf] en/of personen werkzaam voor [bedrijf] ,
te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
subsidiair
hij in de periode van 27 september tot en met 3 oktober 2025 te [plaats] , althans in Nederland, een ander, te weten personen werkzaam voor/medewerkers van [bedrijf] en/of [bedrijf] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander en/of een of meer derden, te weten personen werkzaam voor/medewerkers van [bedrijf] en/of [bedrijf] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, door
- meermaals bij panden van [bedrijf] langs te gaan,
- meermaals boodschappen, gericht aan [bedrijf] en/of voor [bedrijf] werkzame personen, via de camera van [bedrijf] door te geven,
- meermaals brieven en/of andere goederen achter te laten in de brievenbus van [bedrijf] , en/of
- meermaals video's op TikTok te plaatsen en/of [bedrijf] in die video's te noemen,
waardoor hij [bedrijf] en/of medewerkers van [bedrijf] onder meer heeft gedwongen bovengenoemde contacten te dulden/ondergaan.
Zaak met parketnummer 18-234492-25 (gevoegd):
primair
hij in of omstreeks de periode 14 februari 2025 tot en met 15 september 2025 te [plaats] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van de medewerkers van [bedrijf] en/of [bedrijf] , door (bijna) dagelijks, althans veelvuldig,
- naar (de locaties van) [bedrijf] te bellen en/of - naar (medewerkers van) [bedrijf] en/of [bedrijf] te mailen en/of
- zich naar de locaties van [bedrijf] te begeven en/of
- ( vervolgens) zich daar op te houden, hinderlijk te gedragen en/of medewerkers (op intimiderende wijze) aan te spreken en/of
- ( negatieve) berichten en/of video's over (medewerkers van) [bedrijf] en/of [bedrijf] op sociale media te plaatsen, en welke bovengenoemde handelingen gepaard gaan met het doen van dreigende uitspraken, waaronder "het gaat nu allemaal beginnen, ik ga jullie kanker dood maken", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, met het oogmerk die medewerkers van [bedrijf] en/of [bedrijf] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.
subsidiair
hij in de periode van 14 februari 2025 tot en met 15 september 2025 te [plaats] , althans in Nederland, een ander, te weten medewerkers van [bedrijf] en/of [bedrijf] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander en/of een of meer derden, te weten medewerkers van [bedrijf] en/of [bedrijf] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, door (bijna) dagelijks, althans veelvuldig,
- naar (de locaties van) [bedrijf] te bellen en/of
- naar (medewerkers van) [bedrijf] te mailen en/of
- zich naar de locaties van [bedrijf] te begeven en/of - (vervolgens) zich daar op te houden, hinderlijk te gedragen en/of medewerkers (op intimiderende wijze) aan te spreken en/of
- ( negatieve) berichten en/of video's over (medewerkers van) [bedrijf] op sociale media te plaatsen, en welke bovengenoemde handelingen gepaard gaan met het doen van dreigende uitspraken, waaronder "het gaat nu allemaal beginnen, ik ga jullie kanker dood maken", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, waardoor hij [bedrijf] en/of medewerkers van [bedrijf] onder meer heeft gedwongen bovengenoemde contacten te dulden/ondergaan.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Geldigheid van de dagvaarding

De politierechter heeft de dagvaarding ten aanzien van de primaire feiten, te weten belaging, in beide parketnummers nietig verklaard. Het openbaar ministerie heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de dagvaardingen conform de wettelijke vereisten voldoende bepaald en concreet zijn. De tenlastelegging dient te worden gelezen in samenhang met het onderliggende (politie)dossier, waaronder de (TikTok) video’s, afbeeldingen, briefjes, de logboeken en de getuigenverklaringen van met naam genoemde medewerkers van [bedrijf] . Daarnaast kan uit de verklaring van verdachte bij de politie, de rechter-commissaris en bij de politierechter worden opgemaakt dat hij terdege begreep waarvan hij werd beschuldigd en wat hem ten laste is gelegd.
Standpunt van de verdediging
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging ten eerste aangevoerd dat de dagvaardingen in beide parketnummers ten aanzien van zowel het primaire als het subsidiair tenlastegelegde feit nietig dienen te worden verklaard, nu deze onvoldoende bepaald zijn. De verdediging voert hiertoe aan dat – zakelijk weergegeven – de tenlastelegging, zowel betreffende de belaging als de dwang, onvoldoende feitelijk omschrijft ten aanzien van welke medewerkers van [bedrijf] de verwijten worden gemaakt. Ook is onduidelijk om hoeveel medewerkers van [bedrijf] het gaat. Daardoor is een goede verdediging tegen de verwijten niet mogelijk.
Ten tweede stelt de verdediging dat de dagvaardingen in beide parketnummers nietig dienen te worden verklaard omdat belaging van een rechtspersoon niet mogelijk is.
Oordeel van het hof
Het hof verwerpt het eerst genoemde verweer van de verdediging op de grond dat de tenlasteleggingen ter zake van beide parketnummers, zowel voor het primaire als het subsidiaire feit, bezien in combinatie met de inhoud van het procesdossier, naar het oordeel van het hof voldoende duidelijk zijn. Voor de verdachte is helder geweest welke concrete verdenkingen tegen hem bestaan. Uit de behandeling ter terechtzitting is ook gebleken dat er geen enkele onduidelijkheid bestond over de verwijten die verdachte in de tenlasteleggingen worden gemaakt. Verdachte en de verdediging hebben zich daarop wel degelijk kunnen voorbereiden en hebben dat ook gedaan. Het begrip van verdachte over de verdenkingen is overigens ook feitelijk gebleken uit de verklaringen daarover van verdachte bij de politie, de rechter-commissaris en bij de politierechter en uit hetgeen in eerste aanleg tegen dat feit is aangevoerd. Dit leidt tot het oordeel dat de wijze waarop de ten laste gelegde feiten zijn omschreven, niet zodanig is dat verdachte daardoor in zijn verdediging is belemmerd en dat niet blijkt van miskenning van de in artikel 261 Sv Pro gestelde eisen. Het verweer wordt verworpen.
Ten aanzien van het tweede verweer, merkt het hof op dat de vraag of belaging van een rechtspersoon al dan niet mogelijk is geen rol speelt bij de beoordeling van de geldigheid van de dagvaarding. Beantwoording van die vraag zal immers niet kunnen leiden tot nietigheid van de dagvaarding aangezien het in beide gevallen voldoende duidelijk is wat wordt beoogd ten laste te leggen. Het hof zal de opgeworpen rechtsvraag daarom betrekken bij de inhoudelijke beoordeling van de tenlastegelegde belaging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging ter zake van de primair tenlastegelegde feiten in beide parketnummers. In onderhavige zaak is ter zake van belaging een klacht ingediend door [naam] , werkzaam als manager van [bedrijf] , namens de medewerkers. Het ontbreekt aan de vereiste individuele klachten door de specifieke medewerkers waarin zij te kennen geven vervolging te wensen voor belaging. Nu deze ontbreken dient niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ter zake van belaging te volgen.
Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is ten aanzien van het eerste deel van de tenlastegelegde periode in de zaak met parketnummer 18-234492-25 nu de klacht ten aanzien van dat deel niet binnen drie maanden is gedaan.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is ter zake van de in beide parketnummers tenlastegelegde belaging. Manager [naam] , heeft aangifte gedaan en tevens een klacht ingediend in beide parketnummers namens de medewerkers van [bedrijf] , waarbij zij aan heeft gegeven vervolging te wensen. Het ontbreken van individuele klachten is gezien de aard van de verdenkingen voorstelbaar omdat de gegevens van de medewerkers niet voor verdachte kenbaar dienen te worden. De slachtoffers dienen daartegen beschermd te worden.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het verweer van de verdediging ten dele slaagt, namelijk voor zover de vervolging ziet op belaging van
de medewerkers van [bedrijf] (parketnummer 18-234492-25)en
personen werkzaam voor [bedrijf] (parketnummer 18-260537-25). Op grond van artikel 285b lid 2 Sr vindt een vervolging wegens belaging alleen plaats indien er een klacht is gedaan door degene tegen wie het misdrijf is begaan. Bij een tenlastelegging van belaging van meerdere slachtoffers kan niet worden volstaan met één klacht, aldus de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2004:AQ4289).
Het dossier bevat in beide parketnummers een aangifte van manager [naam] , namens [bedrijf] . Daarnaast bevatten beide dossiers een klacht, gedaan door de manager ook namens de medewerkers van [bedrijf] . Het dossier bevat verder geen klachten namens individuele medewerkers. Gelet op het feit dat de dossiers onvoldoende aanknopingspunten bevatten dat de individuele medewerkers van [bedrijf] vervolging wensen verklaart het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk voor zover de vervolging ziet op de belaging ten aanzien van de medewerkers van [bedrijf] en personen werkzaam voor [bedrijf] .
Het hof overweegt aanvullend dat het ontbreken van individuele klachten niet in de weg staat aan vervolging door het openbaar ministerie ten aanzien van belaging van [bedrijf] . Het dossier bevat immers, zoals hiervoor overwogen, een klacht ingediend namens [bedrijf] door manager [naam] . Naar het oordeel van het hof past dit bij de feitelijkheden van het dossier en in het bijzonder de bedoeling die verdachte heeft gehad bij zijn handelen richting [bedrijf] . De verdachte heeft bij de politie, de rechter-commissaris en ter zitting bij zowel de politierechter als bij het hof, verklaard dat zijn uitingen zich richten tegen [bedrijf] en niet tegen individuele medewerkers. De verdachte heeft zijn ongenoegen geuit vanuit het in zijn ogen niet voldoen aan de zorgplicht die [bedrijf] heeft ten aanzien van verdachte. Daarmee heeft hij zich gericht tot [bedrijf] als organisatie. Dat hij daarmee individuele medewerkers feitelijk raakte maakt niet dat voor vervolging van verdachte terzake van belaging van [bedrijf] klachten van de individuele medewerkers noodzakelijk zijn.
Voorts is het hof van oordeel dat, gelet op de aard van het in artikel 285b lid 1 Sr omschreven misdrijf van belaging en de strekking van de bepaling omtrent de termijn waarbinnen een klacht moet worden ingediend, die klachttermijn in casu drie maanden na de datum waarop de laatste last of hinder veroorzakende gedraging plaatsvond, eindigt. Immers, belaging kent als delictsbestanddeel de stelselmatigheid van het inbreuk maken op eens anders persoonlijke levenssfeer. Voor de vervulling van dat bestanddeel is vereist dat de gedragingen die leiden tot de bedoelde inbreuk zich gedurende een zekere periode voordoen. Dit brengt met zich, dat de in artikel 66, lid 1 Sr vermelde termijn van drie maanden waarbinnen een klacht wordt ingediend, niet reeds aanvangt bij een eerste last of hinder veroorzakende gedraging. Dat zou tekort doen aan de aard van het delict. Voor zover het verweer van de verdediging is gebaseerd op de veronderstelling dat de terugwerking van de eerste klacht niet meer kan zijn dan te zijn gedaan over drie maanden ervoor, slaagt het dan ook niet.
Op 12 augustus 2025 is door [naam] aangifte gedaan van stalking in de periode van 1 februari 2025 en 8 augustus 2025. Met betrekking tot deze aangifte is op 12 augustus 2025 een klacht ontvangen. Op 2 oktober 2025 heeft [naam] aangifte gedaan van stalking in de periode van 24 september 2025 en 2 oktober 2025. De klacht ten aanzien van die aangifte dateert van 2 oktober 2025. Het hof stelt vast dat in beide gevallen de klacht ingediend is binnen de termijn waarbinnen een klacht moet worden ingediend. Het verweer wordt verworpen.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat ter zake van parketnummers 18-234492-25 en 18-260537-25 wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging van [bedrijf] en van de medewerkers van [bedrijf] , zoals telkens primair tenlastegelegd.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft betoogd dat verdachte in beide parketnummers van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde feit dient te worden vrijgesproken. Volgens de verdediging zijn de pogingen van verdachte om met [bedrijf] in gesprek te gaan over de woninguitzetting, hoewel die als onprettig en dwingend zijn ervaren, niet te kwalificeren als strafbare feiten. De verdediging voert daartoe tevens aan dat het dossier onvoldoende (steun)bewijs bevat ten aanzien van beide tenlastegelegde feiten (primair en subsidiair). Daarnaast is volgens de verdediging onvoldoende bewijs om van stelselmatigheid, dan wel van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer te spreken. Ten aanzien van de subsidiair tenlastegelegde dwang stelt de verdediging zich op het standpunt dat geen sprake is van een voltooide dwang. Er is door verdachte een poging gedaan om in contact te komen met [bedrijf] maar dat is niet gelukt.
Oordeel van het hof
Zaak met parketnummer 18-260537-25 (periode van 27 september tot en met 3 oktober 2025)
Vaststelling van de feiten
Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 2 oktober 2025 doet aangeefster [naam] , werkzaam als manager bij [bedrijf] , aangifte namens [bedrijf] van bedreiging en stalking door een ex-deelnemer van [bedrijf] . Zij verklaart dat verdachte met zijn herhaaldelijke bezoeken onrust creëert bij de [bedrijf] locaties in [plaats] . De gedragingen van verdachte hebben al langere tijd een grote impact op de medewerkers van [bedrijf] . Inmiddels zitten hierdoor meerdere medewerkers ziek thuis. Het herhaaldelijk bezoeken van en onrust creëren bij de [bedrijf] locaties in [plaats] tast hun gevoel van veiligheid aan. Vanwege de zeer dreigende houding van verdachte is er sinds een paar weken 24 uur per dag een beveiliger aanwezig op de locatie [adres] te [plaats] . In de aangifte wordt een overzicht gegeven van gebeurtenissen waaruit onder meer het volgende naar voren komt. Op 27 september 2025 komt verdachte om 01.22 uur luid pratend in beeld naar de voordeur lopen en laat aan de camera verschillende bonnetjes zien en laat hij weten dat [bedrijf] die bonnetjes dient te betalen. Alle bonnen stopt hij vervolgens in de brievenbus. Op 28 september 2025 komt verdachte om 01:24 uur bij de voordeur om iets in de brievenbus te doen. Hij wordt aangesproken door beveiliger. Op briefje staat: "dit is pas fase 1 jongens, het leuke gedeelte komt nog". Verdachte noemt een brandbrief die hij vervolgens in de brievenbus gooit. Hij roept aangeefsters volledige namen, hoe het met haar gaat en of zij ervan genoten heeft, dat hij 14 dagen in de gevangenis zat. Er volgen scheldwoorden, onder andere "vieze vuile kanker [bedrijf] " en verdachte maakt met zijn hand een schietbeweging richting de deur. Op 29 september 2025 om 00:54 uur stopt verdachte goederen door de brievenbus bij de locatie [adres] te [plaats] . Op 29 september 2025 om 17:05-17:18 uur staat verdachte aan de overkant van het pand aan de [adres] . Hij schreeuwt verschillende dreigende dingen naar de beveiliger (o.a. dat hij zijn geboortedatum weet, dat hij vrienden heeft uit [plaats] in het criminele circuit en geassocieerd zou zijn met [naam] ). Op 30 september 2025 rond 11:05-11:14 uur staat verdachte met een andere jongen aan de overkant van het pand aan de [adres] . Hij draait luide rapmuziek met een box en komt daar uiteindelijk mee voor de voordeur staan. Verdachte komt neus aan neus met de beveiliger te staan en loopt vervolgens schreeuwend weer weg. Op 30 september 2025 rond 17:00 uur liepen de beveiliger en de teamleider gezamenlijk naar de auto toen verdachte aan kwam lopen. De teamleider heeft verdachte in deuropening van de parkeergarage zien staan. Op 1 oktober 2025 rond 12:00 uur loopt verdachte achter het pand van [bedrijf] langs, hij heeft aangebeld en een lege envelop door de brievenbus gedaan.
Aangeefster verklaart dat zij duidelijk kenbaar wil maken hoe zij de dreiging voelen van verdachte richting [bedrijf] en haar medewerkers en wat dit betekent voor de bedrijfsvoering.
Als bijlage wordt bij de aangifte onder meer een logboek toegevoegd met een telkens specifieke beschrijving van het verloop van de telefonische contacten en bezoeken van verdachte aan locaties van [bedrijf] in de periode vanaf 11 april 2025 tot en met 28 september 2025.
In het proces-verbaal van bevindingen van 24 september 2025 worden briefjes beschreven die door verdachte in de brievenbus zijn gegooid bij [bedrijf] en beelden van bewakingscamera's en verschillende TikTok video’s beschreven waarop verdachte te zien is. Onder andere video 2 die is geplaatst door [gebruikersnaam] waarin de verdachte het heeft over zijn zieke vader en daarna over de valse aangiftes die gedaan zijn door [bedrijf] . Daarna volgt de beschrijving van Video 3 door [gebruikersnaam] . In deze video doet verdachte zijn beklag over [bedrijf] . Hij zegt onder andere dat dit een organisatie zou zijn die veel pedofielen opvangt.
In video 4 spreekt verdachte over een brandbrief die hij had afgeleverd bij [bedrijf] op de [adres] . Hij heeft het over de schadevergoeding die [bedrijf] hem schuldig is. Hij zegt "ik zou echt betalen vriend, want het wordt echt ellendig nou. En dit is geen bedreiging, dit is een belofte. Willen jullie het feest echt beginnen, dan beginnen we het feest. Ik zou dan maar heel gauw voedingsgeld gaan overmaken [bedrijf] ."
Verdachte wordt op 5 oktober 2025 gehoord door de politie. Over de bezoeken van verdachte aan de locaties van [bedrijf] verklaart verdachte: "het valt mij op dat ze nooit de deur open doen voor mij terwijl ze wel een zorgplicht hebben." De verbalisant laat tijdens het verhoor ook de TikTok video’s horen aan verdachte. Als verdachte wordt gevraagd tegen wie de filmpjes zijn gericht verklaart verdachte: "ik maak video's over [bedrijf] en over allerlei misstanden, dat vinden bepaalde mensen niet leuk."
Zaak met parketnummer 18-234492-25 (periode van 14 februari 2025 tot en met 15 september 2025)
Vaststelling van de feiten
Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast. Op 12 augustus 2025 doet aangeefster [naam] , werkzaam als manager bij [bedrijf] schriftelijk aangifte namens [bedrijf] van stalking door een ex-deelnemer van [bedrijf] . Zij verklaart over smaad en laster door de verdachte. Hij heeft dat gedaan door negatieve berichten in de vorm van gesproken berichten en video-opnamen over [bedrijf] en medewerkers van [bedrijf] op zijn social media te plaatsen. Deze video-opnamen en berichten zijn door de circa 3400 volgers van verdachte te horen en te zien op social media. Volgens aangeefster wil verdachte met zijn acties onder andere bereiken dat het proefwonen-traject, dat hij via [bedrijf] heeft gevolgd, wordt voortgezet. Het gedrag van verdachte dat onder meer tot uitdrukking komt in het herhaaldelijk bezoeken van en onrust creëren bij de [bedrijf] locaties in [plaats] tast hun gevoel van veiligheid aan. Dit alles heeft volgens aangeefster grote impact op de medewerkers en de organisatie. Inmiddels heeft een medewerker zich ziekgemeld omdat hij niet in staat is om te werken in de huidige omstandigheden.
Als bijlage wordt bij de aangifte een logboek toegevoegd van een telkens specifieke beschrijving van het verloop van de telefonische contacten en bezoeken van verdachte aan de locaties. Dit gaat om de periode vanaf 11 april 2025 tot en met 18 augustus 2025.
In de aangifte worden daarnaast gebeurtenissen beschreven vanaf 14 februari 2025 tot 18 juli 2025. Op 14 februari 2025 stuurt verdachte een WhatsApp bericht naar een leidinggevende dat hij "zich niet stil zal houden." In daaropvolgende weken meldt verdachte zich meermalen bij de [bedrijf] locatie en belt hij regelmatig naar deze locatie. In een gesprek tussen [bedrijf] , Reclassering Nederland en het Leger des Heils wordt aangegeven dat het proefwonen-traject stagneert. Verdachte reageert met verbale agressie waardoor op de alarmknop wordt gedrukt en het gesprek voortijdig wordt beëindigd. Voorafgaand aan het gesprek met de woningcorporatie blijft verdachte veelvuldig contact zoeken met [bedrijf] door langs te komen en te bellen. [bedrijf] moest ervoor zorgen dat verdachte de woning niet verliest, want "anders zouden de poppen dansen." Op 12 mei 2025 wordt verdachte, na een laatste kans te hebben gehad, geïnformeerd dat [bedrijf] de huurovereenkomst zal opzeggen. Verdachte maakt aan betrokken instanties kenbaar het niet eens te zijn met de voortijdig negatieve beëindiging. Verdachte publiceert via TikTok verschillende video's waarin hij zijn onvrede uit over [bedrijf] en de reclassering uit. Verdachte krijgt van [bedrijf] een pandverbod door zijn bezoeken en telefoontjes waarin hij zich verbaal agressief opstelt en voor een onveilige situatie zorgt. Politie heeft (telefonisch) een stopgesprek gevoerd met verdachte en hem gewezen op het pandverbod. Verdachte blijft [bedrijf] locaties bezoeken en spreekt medewerkers van [bedrijf] ook op intimiderende wijze aan. Verdachte plaatst TikTok video's met negatieve uitlatingen over [bedrijf] . Op 1 juli 2025 scheldt de verdachte op de locatie [adres] richting [bedrijf] en belt naar de locatie. Op 26 juli 2025 slaat de verdachte op de ramen aan de locatie [adres] . Op 27 en 28 juli 2025 belt verdachte naar de locatie [adres] en zegt: "wat zullen we vandaag eens doen?", "kankerhoer moet ik weer bij de deur komen?", "jullie moeten je ogen open houden". Volgens de aangeefster heeft dit alles grote impact en heeft een medewerker zich ziekgemeld omdat de werknemer niet meer onder deze omstandigheden kon werken.
In het proces-verbaal van aangifte van 4 september 2025, doet manager [naam] aangifte namens een medewerkster van [bedrijf] vanwege een bedreiging. Volgens de medewerkster belde de verdachte naar het algemene telefoonnummer van [bedrijf] , zij herkende de stem van de verdachte, hij zou hebben gezegd: "het gaat nu allemaal beginnen, ik ga jullie kanker dood maken
." De medewerkster heeft toen direct de telefoon opgehangen. Zij verklaart verder dat het de afgelopen twee weken steeds erger wordt en dat de agressie van de verdachte toeneemt. De medewerkster geeft aan zich onveilig te voelen op haar werk.
In het proces-verbaal van bevindingen van 5 september 2025 wordt beschreven dat de politie van de aangeefster 35 videofragmenten heeft ontvangen. De verbalisanten hebben de video’s bekeken en beluisterd. Het betreffen video’s van beveiligingscamera’s die bij de locaties van [bedrijf] hangen en TikTok video’s van [gebruikersnaam] . De verbalisanten beschrijven dat in veel verschillende TikTok video’s de verdachte te zien is waarin hij zich negatief uitlaat over [bedrijf] . De verdachte refereert onder andere aan een seksuele relatie die hij heeft gehad met zijn begeleidster en de (in zijn ogen) falende behandeling van [bedrijf] ten opzichte van de verdachte.
In het proces-verbaal van bevindingen van 5 september 2025 wordt door een verbalisant het videobestand [bestandsnaam] beschreven. Op enig moment is de voordeur van [bedrijf] te zien, verdachte doet zijn beklag voor de deur. Vervolgens blokkeert de verdachte twee mannen die aan komen rijden de weg omdat hij denkt dat zij bij [bedrijf] werken. Van de bedreigingen die volgen doen de mannen, die zo blijkt later, bezig waren met een reparatie aan het hek, aangifte.
De verdachte wordt vanwege het incident op 2 september gehoord door de politie. Uit het proces-verbaal van verhoor van 5 september 2025 blijkt dat verdachte op de locatie was gekomen om [bedrijf] te vragen om ondersteuning. Verdachte verklaart: "ze zijn mijn verhuurder. Ze hebben zorgplicht en als zij dat weigeren moeten ze iets regelen. Mijn bijstand is geblokkeerd, dus ik kan niks. Ik heb ze gevraagd om hulp, maar ze doen niks. Ik heb ze schriftelijk gesommeerd iets te doen, maar ze willen mij niet helpen met eten of financiën."
De verdachte wordt op 6 september 2025 door de politie inzake de verdenkingen van belaging gehoord. Verdachte wordt geconfronteerd met zijn gedrag. Verdachte verklaart hierover onder andere: "ik wil niet verder met [bedrijf] . Het is [bedrijf] niet gelukt om mij tijdens het duur van het contract in dat jaar voor een proefwoning op straat te gooien. Ik mag hopen dat dit een les is voor [bedrijf] en zorgaanbieders dat cliënten met indicatie niet zomaar op basis van een relatie met hun begeleider op straat worden gezet."
Inhoudelijke beoordeling
Ten aanzien van de in beide parketnummers primair tenlastegelegde belaging stelt het hof het volgende voorop. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b lid 1 Sr zijn van belang de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van een of meerdere slachtoffer(s).
In dit kader stelt het hof op grond van de bewijsmiddelen en daaruit volgende bovengenoemde beschrijvingen van de gedragingen van de verdachte vast dat verdachte veelvuldig op dreigende en intimiderende wijze de locaties van [bedrijf] heeft bezocht, daar bij en voor [bedrijf] werkzame personen heeft lastig gevallen, telefoontjes heeft gepleegd naar het algemene nummer van [bedrijf] en veelvuldig dreigende uitlatingen heeft gedaan, dreigende briefjes door de brievenbus van de locaties heeft gegooid en TikTok-video’s heeft opgenomen waarin hij [bedrijf] beledigt en voor [bedrijf] werkzame mensen intimideert. Verdachte benaderde bij [bedrijf] werkzame personen, trok bijvoorbeeld hun autoportier herhaaldelijk open, sprong voor de auto en uitte bedreigingen staand voor de auto met handen op de motorkap. Verdachte liet zijn acties hierbij filmen en maakte dit openbaar.
Hiermee probeerde de verdachte te bereiken dat hij weer zou worden toegelaten aan het proefwonen-traject van [bedrijf] . Hij noemt meerdere keren de zorgplicht van [bedrijf] en dat
zijmoeten betalen, dat
zijhem moeten helpen en dat
zijiets moeten regelen. Verdachte richtte zich naar het oordeel van het hof aldus met zijn uitingen in wezen tegen de rechtspersoon [bedrijf] als hulpverlenende instantie en tegen die achtergrond feitelijk ook tegen individuen.
In tegenstelling tot het standpunt van de raadsvrouw, is het hof van oordeel dat in de gegeven situatie tegen een rechtspersoon gerichte gedragingen wel degelijk stelselmatig wederrechtelijk inbreuk kan worden gemaakt op de (rechts)persoonlijke levenssfeer van die rechtspersoon. Het hof verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 januari 2000 (ECLI:NL:HR:ZD1679) waarin de Hoge Raad in r.o 3.5 overweegt dat het oordeel van het hof dat door de observaties (van een bedrijventerrein) slechts een beperkte inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de BV, (…) geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het ook niet onbegrijpelijk is. Hieruit volgt dat een rechtspersoon in beginsel wel beschikt over een persoonlijke levenssfeer waarop inbreuk kan worden gemaakt.
Het hof concludeert op basis van de dossiers dat het gedrag van verdachte diep heeft ingegrepen in de levenssfeer van [bedrijf] . [bedrijf] is door het gedrag van verdachte gedwongen om haar bedrijfsvoering en procedures aan te passen. Medewerkers hebben vanwege het veelvuldig bellen door verdachte naar het algemene nummer en benaderen van de locaties een logboek moeten invullen voor het kunnen bijhouden van de overlastmelding. Ook blijkt dat medewerkers zich hebben ziek gemeld omdat zij vanwege de onveiligheid die zij door het gedrag van verdachte hebben ervaren niet meer konden werken. Daarnaast heeft [bedrijf] een beveiliger moeten aanstellen voor 24-uurs beveiliging omdat verdachte veelvuldig naar de locaties van [bedrijf] toe kwam en zich aldaar intimiderend gedroeg.
Ook een stopgesprek door de politie en het opgelegde locatieverbod heeft verdachte niet weten te weerhouden om naar de locaties van [bedrijf] toe te gaan en zich daar op een intimiderende manier te gedragen. Dit alles heeft de dagelijkse werkzaamheden van [bedrijf] ernstig belemmerd. Bovenstaande maatregelen hebben direct impact gehad op de bedrijfsvoering van [bedrijf] . [bedrijf] is ter continuering van haar bedrijf en ter verdere voorkoming van schade en negatieve impact op haar medewerkers dat door het intimiderende gedrag van verdachte werd veroorzaakt, gedwongen maatregelen te treffen. Daarmee maakte verdachte met zijn voortdurende intimiderende gedrag een inbreuk op de bedrijfsvoering, de persoonlijke levenssfeer van [bedrijf] .
Het hof is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte, zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op de (rechts)persoonlijke levenssfeer van [bedrijf] sprake is geweest.
Het hof acht daarmee bewezen dat verdachte zich in beide parketnummers schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde belaging van [bedrijf] .

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 18-260537-25 primair en in de zaak met parketnummer 18-234492-25 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Zaak met parketnummer 18-260537-25:
hij in de periode van 27 september tot en met 3 oktober 2025 te [plaats] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [bedrijf] door
- meermaals bij panden van [bedrijf] langs te gaan,
- meermaals boodschappen, gericht aan [bedrijf] via de camera van [bedrijf] door te geven,
- meermaals brieven achter te laten in de brievenbus van [bedrijf] , en
- meermaals video's op TikTok te plaatsen en [bedrijf] in die video's te noemen,
met het oogmerk die [bedrijf] , te dwingen iets te doen;
Zaak met parketnummer 18-234492-25 (gevoegd):
hij in of omstreeks de periode 14 februari 2025 tot en met 15 september 2025 te [plaats] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [bedrijf] , door veelvuldig,
- naar (de locaties van) [bedrijf] te bellen en
- zich naar de locaties van [bedrijf] te begeven en
- ( vervolgens) zich daar op te houden, hinderlijk te gedragen en/of medewerkers (op intimiderende wijze) aan te spreken en
- ( negatieve) berichten en/of video's over (medewerkers van) [bedrijf] en/of [bedrijf] op sociale media te plaatsen, en welke bovengenoemde handelingen gepaard gaan met het doen van dreigende uitspraken, waaronder "het gaat nu allemaal beginnen, ik ga jullie kanker dood maken", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking,
met het oogmerk [bedrijf] , te dwingen iets te doen.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het in de zaak met parketnummer 18-260537-25 primair bewezenverklaarde levert op:
belaging.
Het in de zaak met parketnummer 18-234492-25 primair bewezenverklaarde levert op:
belaging.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

Bij het bepalen van de straf en maatregel houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van [bedrijf] door op een zeer intimiderende en bedreigende manier, onder meer, veelvuldig op locaties van [bedrijf] te verschijnen en zich daar hinderlijk te gedragen, veelvuldig te bellen, brieven met dreigende teksten en bonnetjes door de brievenbus te stoppen. Daarnaast heeft verdachte TikTok-video’s opgenomen en geplaatst waarin hij (medewerkers van) [bedrijf] beledigt en intimideert. Belaging, in het normale spraakgebruik ook wel stalking genoemd, is een zeer hinderlijk en angstaanjagend feit. Stalking heeft over het algemeen een grote impact, in dit geval is ook gebleken dat daar sprake van is geweest. [bedrijf] heeft om zijn bedrijfsvoering te kunnen continueren en ter bescherming van haar medewerkers veelvuldig acties moeten ondernemen als gevolg van het gedrag van verdachte.
Het gedrag van verdachte heeft voor de gehele bedrijfsvoering van [bedrijf] nadelige gevolgen gehad. [bedrijf] heeft verschillende maatregelen moeten treffen om verdachte te laten stoppen met zijn gedrag maar ook om de medewerkers van [bedrijf] tegen het intimiderende gedrag van de verdachte te beschermen. Door de gedragingen van verdachte is [bedrijf] belemmerd in haar doelstellingen om kwetsbare mensen die uit detentie komen te ondersteunen. Dit neemt het hof verdachte kwalijk. Het gedrag van verdachte heeft daarnaast veel impact gehad op de medewerkers van [bedrijf] die zich vaak onveilig en bedreigd hebben gevoeld, waarvoor [bedrijf] een zorgplicht heeft. Het hof acht het zorgwekkend dat ook het stopgesprek met de politie en het locatieverbod, verdachte niet heeft weten te weerhouden om naar de locaties van [bedrijf] te gaan. Zelfs tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis is verdachte in strijd met de daaraan verbonden voorwaarden door gegaan met het lastig vallen van [bedrijf] .
Het hof heeft uit de uitingen van verdachte ter terechtzitting niet de indruk bekomen dat verdachte tot inkeer is gekomen. Verdachtes – soms onnavolgbare - uitlatingen die zich ook thans telkens richten tegen [bedrijf] , maken dat het hof de overtuiging heeft bekomen dat verdachte nog steeds het kwalijke van zijn handelen niet inziet.
Het hof heeft verder gelet op het strafblad van verdachte van 12 januari 2026. Daaruit volgt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor andere strafbare feiten.
De reclassering heeft op het verzoek tot het uitbrengen van een advies inzake de onderhavige feiten, aangegeven dat zij zich onthouden van het uitbrengen van een advies. De reclassering heeft verwezen naar eerder uitgebrachte reclasseringsadviezen van 8 september 2025 (advies voorgeleiding rechter-commissaris) en 23 september 2025 (advies raadkamerzitting). De reclassering verwijst in het bijzonder naar de rapportage van 22 mei 2025 betreffende de voortijdige negatieve beëindiging van toezicht. De reclassering concludeert daarin dat het huidige reclasseringskader onvoldoende toereikend is om te komen tot (blijvende) gedragsverandering. De complexiteit van de problematiek en de beperkte motivatie van verdachte, in combinatie met een hoge mate van onmacht, lijken hier debet aan te zijn. Het reclasseringscontact heeft tot dusver nog niet geleid tot stabiliteit op de praktische leefgebieden. De verdachte vertoont ernstig grensoverschrijdend gedrag en houdt zich niet aan de bijzondere voorwaarden. Sinds 2013 komt betrokkene in aanraking met justitie, daarnaast kan gesproken worden van een delictpatroon ten aanzien van agressie delicten. Er is een hoge kans op recidive en er zijn meerdere risicofactoren te onderscheiden.
Het hof heeft ook acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze in hoger beroep zijn besproken. De verdediging verzoekt het hof rekening te houden met het onderliggende conflict dat speelde, dat verdachte niet meer met justitie in aanraking is gekomen en dat hij inmiddels naar de toekomst kijkt.
Alles afwegende acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 weken met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.
Vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38v Sr)
Het hof zal gelet op het overlast gevende gedrag van verdachte en ter voorkoming van toekomstige strafbare feiten, aan verdachte de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid als bedoeld in artikel 38v Sr opleggen. Deze maatregel behelst een locatieverbod. Het wordt verdachte verboden zich op te houden in een straal van 100 meter van de locaties van [bedrijf] te [plaats] , te weten de locatie [adres] te [plaats] en de locatie [adres] te [plaats] . Het hof legt dit verbod – zoals ook door de advocaat-generaal is gevorderd - op voor de duur van drie jaar. Voor iedere keer dat verdachte dit verbod overtreedt, zal een vervangende hechtenis van de hierna bepaalde duur worden opgelegd.
Het hof zal net als de politierechter de dadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel bevelen. Gelet op de inhoud van het dossier, de hardnekkigheid van het gedrag van verdachte, de inschattingen van de reclassering, de frequentie en de lange duur van de grensoverschrijdende gedragingen van verdachte ten opzichte van [bedrijf] , moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. De verdachte heeft ook ter zitting in hoger beroep er geen blijk van gegeven van tot inkeer te zijn gekomen.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 38v, 38w, 57 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaarthet openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-260537-25 primair en in de zaak met parketnummer 18-234492-25 primair tenlastegelegde voor zover de vervolging ziet op belaging van
de medewerkers van [bedrijf] (parketnummer 18-234492-25)en
personen werkzaam voor [bedrijf] (parketnummer 18-260537-25).
Verklaartzoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-260537-25 primair en in de zaak met parketnummer 18-234492-25 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaartniet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaarthet in de zaak met parketnummer 18-260537-25 primair en in de zaak met parketnummer 18-234492-25 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeeltde verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
10 (tien) weken.
Beveeltdat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt opde maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende een gebiedsverbod voor de duur van 3 jaren. Deze maatregel houdt in dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren zich niet zal ophouden in een straal van 100 meter van de locaties van [bedrijf] te [plaats] , te weten de locatie [adres] te [plaats] en de locatie [adres] te [plaats] .
Beveeltdat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Beveeltdat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. M.B. de Wit, mr. J. Dolfing en mr. E. Pennink, in aanwezigheid van de griffier mr. E.M.M. Hendriks Vettehen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 24 februari 2026.