Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1105

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
200.350.776/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:49 BWArt. 5:43 BWArt. 5:37 BWArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep burengeschil over schutting en onrechtmatige hinder door smederij

Partijen zijn buren met ruime percelen buiten de bebouwde kom. Appellanten vorderden dat geïntimeerden meewerken aan het plaatsen van een ondoorzichtige houten schutting op de erfgrens en de helft van de kosten dragen. De kantonrechter wees deze vorderingen af, waarna appellanten hoger beroep instelden.

Het hof oordeelt dat artikel 5:49 BW Pro niet van toepassing is omdat de percelen niet in een aaneengebouwd gedeelte van een gemeente liggen en er voldoende ruimte is voor appellanten om zelf een schutting te plaatsen. De aanwezigheid van een schuur op het perceel van appellanten vormt geen beletsel.

Appellanten stelden ook onrechtmatige hinder door geluidsoverlast van de smederij aan de orde. Het hof stelt vast dat de geluidsnormen sinds de aanschaf van een nieuwe bedrijfswagen worden nageleefd en dat er geen voldoende bewijs is voor onrechtmatige hinder. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en appellanten worden veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.350.776/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden 10926529
arrest van 24 februari 2026
in de zaak van

1.[appellant]

2. [appellante]
die beiden wonen in [woonplaats]
hierna gezamenlijk aan te duiden als:
[appellanten]
advocaat: mr. H.A. van Beilen
en

1.[geïntimeerde1]

2. [geïntimeerde2]
die beiden wonen in [woonplaats]
hierna gezamenlijk aan te duiden als:
[geïntimeerden]
advocaat: mr. H. Scheper

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1
[appellanten] hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden (hierna: de kantonrechter) op 29 oktober 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep van 28 januari 2025;
  • de memorie van grieven;
  • de memorie van antwoord;
  • het tussenarrest van 19 augustus 2025;
  • een brief houdende overleggen producties namens [geïntimeerden] ;
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling ter plaatse op 16 december 2025.
1.2
Aan het slot van de mondelinge behandeling hebben partijen het hof gevraagd om arrest te wijzen.

2.Waar gaat deze zaak over?

2.1
Partijen zijn buren van elkaar. Het geschil gaat over de erfgrens tussen de percelen van partijen. [appellanten] willen dat daarop een schutting wordt geplaatst waarbij [geïntimeerden] voor de helft moeten bijdragen in de kosten daarvan.
2.2
[appellanten] hebben bij de kantonrechter gevorderd – kort gezegd – dat [geïntimeerden] worden veroordeeld om mee te werken aan de oprichting van een ondoorzichtige houten schutting op de erfgrens onder betaling van de helft van de kosten aan [appellanten] Verder hebben zij gevorderd dat [geïntimeerden] worden veroordeeld om aan degenen die de schutting plaatsen toegang te verlenen tot het perceel van [geïntimeerden] en om medewerking te verlenen aan de verwijdering van de huidige erfafscheiding. Dit alles op straffe van verbeurte van een dwangsom. Ook hebben [appellanten] gevorderd dat [geïntimeerden] worden veroordeeld in de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.
2.3
De kantonrechter heeft deze vorderingen afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen.

3.De feiten

3.1
Partijen zijn buren van elkaar. [geïntimeerden] zijn sinds 2016 eigenaar van de woning aan de [adres1] te [woonplaats] . [appellanten] zijn sinds 2018 eigenaar van de naastgelegen woning [adres2] te [woonplaats] . Beide percelen zijn ongeveer 80 meter lang, 23 meter breed en hebben een oppervlakte van circa 1.890 m². De percelen bevinden zich buiten de bebouwde kom. De percelen waarop de woningen staan zijn te bereiken over een onverharde weg. Partijen kijken vanaf de voorkant van hun woningen (de noordoostzijde) tegen meerdere hoge bomen aan. De percelen aan de achterkant van de woning (de zuidwestzijde) bestaan uit grasland met boomwallen.
3.2
Op 14 april 2022 heeft het Kadaster op verzoek van partijen de erfgrens uitgezet. Langs deze kadastrale grens zijn door [geïntimeerden] op hun perceel betonstaalmatten geplaatst die met rieten matten zijn afgeschermd. Daarnaast hebben [geïntimeerden] een doorzichtig plastic doek tussen de betonstaalmatten gespannen. Aan de kant van [geïntimeerden] zijn daarnaast laurierheesters geplaatst (in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is ten onrechte vermeld dat het coniferenhagen zijn).
3.3
Op het perceel van [geïntimeerden] staat vanaf de weg gezien een woning aan de linkerkant en een schuur/werkruimte aan de rechterkant. In de schuur exploiteert [geïntimeerden] een smederij. Op het perceel van [appellanten] staat vanaf de weg gezien een woning aan de rechterkant en een schuur aan de linkerkant. De afstand tussen de schuur van [appellanten] en de erfafscheiding is ongeveer 2.90 meter.
3.4
Op onderstaande foto is de huidige erfafscheiding te zien, met aan de linkerkant het perceel van [geïntimeerden] en aan de rechterkant het perceel van [appellanten]
3.5
Aan de linkerkant van de woning van [geïntimeerden] , vanaf de weg bezien, is een soortgelijke erfafscheiding geplaatst die inmiddels volledig is begroeid met klimop.
3.6
Op 21 september 2023 is in opdracht van [geïntimeerden] een akoestisch rapport opgesteld door [naam1] van ‘De Geluidpraktijk’ om te onderzoeken of de smederij binnen de daarvoor geldende geluidsnormen valt. Uit het rapport volgt dat de smederij voldoet aan de geluidsnormen, met uitzondering van het dichtslaan van het autoportier van de bedrijfswagen. Om dit geluid te beperken wordt voorgesteld om een geluidsscherm te plaatsen van 12 meter in lengte en 2 meter in hoogte tegen de erfafscheiding met [appellanten] aan zodat het maximale geluidsniveau niet wordt overschreden.
3.7
De gemeente Smallingerland heeft op 28 februari 2025 een besluit genomen waarin zij ambtshalve maatwerkvoorschriften stelt aan de bedrijfsactiviteiten van de smederij van [geïntimeerden] De maatwerkvoorschriften bestaan erin dat [geïntimeerden] een geluidsscherm moet plaatsen tegen de erfafscheiding met [appellanten] aan zoals voorgesteld in het rapport van 21 september 2023.
3.8
Op 26 maart 2025 heeft De Geluidpraktijk opnieuw een akoestisch rapport uitgebracht in opdracht van [geïntimeerden] , nadat [geïntimeerden] een nieuwe bedrijfswagen hadden aangeschaft. In dit rapport wordt als volgt geconcludeerd:
“Conclusie
Op basis van de aanvullende geluidmetingen kan worden geconcludeerd dat het gebruik van de nieuwe bedrijfswagen in de avondperiode geen overschrijdingen van het maximale geluidniveau (LAmax) veroorzaakt bij de maatgevende woning aan [adres2] , zonder het gebruik van een geluidscherm. Alleen in de nachtperiode, wanneer een schuifdeur wordt gebruikt, moet de carrosserie als afscherming fungeren. In alle andere gevallen kunnen de geldende geluidnormen worden nageleefd.”

4.Het oordeel van het hof

4.1
Het hof zal beslissen dat de grieven falen en dat het vonnis wordt bekrachtigd. Het hof zal dat hierna toelichten.
5:49 BW
4.2
[appellanten] komen met hun eerste grief op tegen het oordeel van de kantonrechter dat partijen zonder relevante aantasting van de perceeloppervlakte of hun privacy zelf kunnen zorgdragen voor een erfafscheiding die het zicht op het perceel van de ander ontneemt. Daarnaast grieven [appellanten] tegen de overweging van de kantonrechter dat de schuur van [geïntimeerden] al zorgt voor een afscheiding die het zicht op het perceel van [appellanten] grotendeels ontneemt.
4.3
Artikel 5:49 lid 1 BW Pro bepaalt dat elke eigenaar van aangrenzende erven in een aaneengebouwd gedeelte van een gemeente te allen tijde kan vorderen dat de andere eigenaar ertoe meewerkt, dat op de erfgrens een scheidsmuur van twee meter hoogte wordt opgericht, voor zover een verordening of een plaatselijke gewoonte de wijze of de hoogte van de afscheiding niet anders regelt. De andere eigenaar is verplicht om de kosten van de scheidsmuur voor de helft te dragen. Op grond van artikel 5:43 BW Pro moet het gaan om een ondoorzichtige van steen, hout of een andere daartoe geschikte stof vervaardigde afsluiting.
4.4
Het hof is net als de kantonrechter van oordeel dat artikel 5:49 BW Pro in deze situatie niet van toepassing is. Artikel 5:49 BW Pro is geschreven voor die gevallen waarin het recht op privacy rechtvaardigt dat van de buren kan worden gevergd dat zij de helft van de kosten van een erfafscheiding dragen. In dat kader is in het wetsartikel opgenomen dat de erven zich bevinden in een ‘aaneengebouwd gedeelte van een gemeente’. Dat zal veelal het geval zijn waarin woningen dicht op elkaar zijn gebouwd en het plaatsen van een schutting op eigen terrein een aanmerkelijke inperking op de oppervlakte van het perceel zou betekenen. In de onderhavige situatie gaat het om ruime percelen van circa 1.890 m² die zich buiten de bebouwde kom bevinden. Aan de voorkant van de woningen loopt een onverharde weg en partijen kijken aan de voorkant van hun woningen tegen bebost gebied aan. Aan de achterkant van de woningen bevinden zich percelen met grasland en boomwallen. Voor een dergelijke situatie is artikel 5:49 BW Pro niet geschreven. [appellanten] hebben voldoende ruimte om op hun eigen terrein een schutting te plaatsen. De aanwezigheid van een schuur op het terrein van [appellanten] vormt daarvoor geen beletsel, omdat vaststaat dat de afstand tussen de huidige erfafscheiding en de schuur 2.90 meter is, zodat er voldoende ruimte overblijft als [appellanten] besluit om daarnaast een schutting op het eigen perceel te plaatsen. De stelling dat (werknemers van) [geïntimeerden] in de pauze naast de schuur zou/zouden zitten, leidt niet tot een ander oordeel. Het is overigens door [geïntimeerden] uitdrukkelijk betwist, zodat het hof onvoldoende is gebleken dat hiervan sprake is. De ruimte tussen de schuur en de al geplaatste afscheiding en de verdere inrichting van het perceel van [geïntimeerden] is ook zodanig dat de stelling van [appellanten] niet voorshands aannemelijk is. Er is verder niet gebleken van zodanige geluidsoverlast vanuit de schuur van [geïntimeerden] dat die het plaatsen van een schutting zoals gevorderd rechtvaardigt, voorzover dat geluid een relevante factor in de afweging zou zijn.
Het voorgaande maakt dat [appellanten] geen beroep toekomen op artikel 5:49 BW Pro en de vorderingen niet kunnen worden toegewezen op deze grondslag. Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van [appellanten] om nader bewijs te leveren dat wel sprake zou zijn van een aaneengebouwd gedeelte van de gemeente aangezien het hof de plaatselijke situatie en de ingenomen stellingen hiervoor al heeft beoordeeld.
Onrechtmatige hinder
4.5
[appellanten] hebben in hoger beroep als aanvullende grondslag voor hun vorderingen aangevoerd dat [geïntimeerden] onrechtmatige hinder veroorzaken door de bedrijfsactiviteiten van de smederij. [geïntimeerden] hebben op de mondelinge behandeling bij het hof aangevoerd dat deze aanvulling in strijd is met een goede procesorde omdat zij daartegen onvoldoende verweer zouden kunnen voeren. Het hoger beroep heeft een herstelfunctie, waardoor partijen onder meer en behoudens zich hier niet voordoende uitzonderingen (zoals het gedekt zijn van een verweer) andere of nieuwe juridische grondslagen mogen aanvoeren, mits deze gewijzigde grondslag is opgenomen in het eerste schriftelijke processtuk dat door de eisende partij in hoger beroep is ingediend (de tweeconclusieregel). Omdat [appellanten] deze grondslag hebben opgenomen in hun memorie van grieven, is deze wijziging toegestaan. In de memorie van antwoord zijn [geïntimeerden] – zonder bezwaar te maken tegen de aanvulling van de grondslag – bovendien inhoudelijk op de gestelde hinder ingegaan. Hierop strandt het bezwaar van [geïntimeerden] , zodat het hof over deze aanvullende grondslag zal beslissen.
4.6
Artikel 5:37 BW Pro bepaalt dat de eigenaar van een erf niet op een wijze die volgens artikel 6:162 BW Pro onrechtmatig is, aan eigenaars van een ander erf hinder mag toebrengen. [appellanten] stellen dat de hinder erin bestaat dat de bedrijfsactiviteiten in de smederij aantoonbaar geluidsoverlast veroorzaken. Volgens [appellanten] is deze hinder onrechtmatig.
4.7
Naar het oordeel van het hof hebben [appellanten] onvoldoende aangevoerd om aan te nemen dat van onrechtmatige hinder sprake is. [geïntimeerden] hebben een akoestisch rapport van De Geluidspraktijk van 21 september 2023 overgelegd waaruit blijkt dat [geïntimeerden] ten tijde van het opstellen van het rapport door het te hard dichtslaan van de deur van de bedrijfswagen de geluidsnormen overschreden. Op basis daarvan heeft de gemeente Smallingerland op 28 februari 2025 een besluit genomen met de strekking dat [geïntimeerden] een geluidsscherm dienen te plaatsen om het geluid te beperken. Daarna hebben [geïntimeerden] een nieuwe bedrijfswagen aangeschaft waardoor sindsdien, zo blijkt uit het akoestisch rapport van 26 maart 2025, ook zonder een geluidsscherm binnen de geluidsnormen wordt gebleven. Dat is voor de gemeente aanleiding geweest om niet langer maatwerkvoorschriften (zie 3.7) ter beperking van geluidsoverlast aan [geïntimeerden] op te leggen, zo is tijdens de mondelinge behandeling gebleken. [appellanten] hebben geen rapportages ingebracht waaruit blijkt dat sprake is van geluid dat overlast veroorzaakt gelet op de aard, duur en frequentie daarvan. Dat [appellanten] (enige) hinder ervaren van het geluid van de smederij, maakt niet dat deze hinder ook onrechtmatig is. Daarvoor hebben [appellanten] onvoldoende gesteld, zodat ook op deze grondslag de vorderingen niet kunnen worden toegewezen. Voor bewijslevering is geen ruimte bij gebrek aan toereikende onderbouwing.
De conclusie
4.8
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellanten] in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof [appellanten] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. [1]
4.9
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

5.De beslissing

Het hof:
5.1
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 29 oktober 2024;
5.2
veroordeelt [appellanten] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerden] :
€ 362,- aan griffierecht
€ 2.580,- aan salaris van de advocaat van [geïntimeerden] (2 procespunten x het toepasselijke tarief II € 1.290,-)
5.3
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
5.4
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. J. Smit, J.H. Kuiper en J.E. Wichers, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
24 februari 2026.

Voetnoten

1.HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.