ECLI:NL:GHARL:2026:1107

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
200.352.206/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:166 BWArt. 3:172 BWArt. 6:10 BWVerordening (EU) Nr. 1215/2012Hoge Raad 17 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1571
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoedingsvordering ex-samenlevers voor investeringen in gemeenschappelijke woning

Partijen, ex-samenlevers met een minderjarig kind, kochten gezamenlijk een woning en sloten een samenlevingsovereenkomst. De vrouw had aanzienlijke bedragen vanuit haar privévermogen overgemaakt naar de gezamenlijke rekening voor aankoop en verbouwing van de woning.

De man stelde in hoger beroep dat de vrouw geen recht had op vergoeding van deze investeringen, onder meer omdat de samenlevingsovereenkomst dit niet zou regelen en de bedragen deels compensatie voor minder werken zouden zijn. Het hof oordeelde dat de samenlevingsovereenkomst, mede op grond van de Haviltex-maatstaf, een vergoedingsrecht voor investeringen uit privévermogen in de gemeenschappelijke woning toekent, ook voor investeringen vóór het sluiten van de overeenkomst.

De man had onvoldoende gemotiveerd betwist dat de overgemaakte bedragen daadwerkelijk zijn besteed aan de woning. Het hof verwierp de grieven van de man en bevestigde dat de vrouw recht heeft op de helft van de netto verkoopopbrengst die zij uit privévermogen had geïnvesteerd. De proceskosten in hoger beroep werden gecompenseerd vanwege de affectieve relatie en aard van het geschil.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de vrouw recht geeft op vergoeding van de helft van haar privé-investeringen in de gemeenschappelijke woning.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.352.206/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 235887)
arrest van 24 februari 2026
inzake
[appellant](de man),
die woont in [woonplaats1] ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
advocaat: mr. E. Peeters te Groningen,
en
[geïntimeerde](de vrouw),
die woont in [woonplaats2] ,
en bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
advocaat: mr. G.A. de Boer te Meppel.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar het tussenvonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 18 september 2024 en het eindvonnis van die rechtbank van 5 februari 2025 (dit laatste vonnis betreft het bestreden vonnis).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep van 24 februari 2025;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 15 januari 2026 plaatsgevonden. Van deze mondelinge behandeling is een verslag gemaakt (het pv) dat is toegevoegd aan het dossier. Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

3.De feiten

3.1
Partijen hebben een affectieve relatie gehad en hebben vanaf augustus 2019 met elkaar samengewoond.
3.2
De vrouw heeft op 12 februari 2020, 29 juni 2020, 30 juni 2020, 2 juli 2020 en 3 juli 2020 geldbedragen overgemaakt vanaf de privérekening van de vrouw naar de en/of rekening van partijen bij ABN. Het gaat daarbij in totaal om een bedrag van € 81.448,20.
3.3
Op 3 juli 2020 hebben partijen de woning aan de [adres1] te [woonplaats1] (hierna: de woning) gekocht. De woning is op of omstreeks 15 september 2020 aan partijen geleverd. Hierna is de woning verbouwd en verbeterd.
3.4
Partijen hebben op 15 september 2020 ten overstaan van mr. H.B. Lever, notaris gevestigd te [woonplaats1] , een samenlevingsovereenkomst gesloten.
3.5
Partijen zijn de ouders van de thans nog minderjarige [minderjarige] , geboren [in] 2020.
3.6
De samenwoning van partijen en daarmee ook hun relatie is in januari 2024 beëindigd.
3.7
Partijen hebben de woning vervolgens verkocht. Op 31 oktober 2024 hebben partijen de woning aan de kopers geleverd.

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen partijen is in geschil de financiële afwikkeling van de beëindiging van hun samenleving. Het gaat daarbij in het bijzonder om eventuele aanspraken die verband houden met de gemeenschappelijke woning.
4.2
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis geoordeeld, voor zover in hoger beroep van belang, dat uit de netto verkoopopbrengst, dat wil zeggen de verkoopopbrengst na aflossing van de hypothecaire geldlening en na voldoening van de met de verkoop gepaard gaande kosten, aan de vrouw een bedrag van € 78.448,20 toekomt in verband met de door haar gedane privé-investeringen in de woning, waarna de dan nog resterende verkoopopbrengst bij helfte door partijen verdeeld dient te worden, althans dat de man de helft van dat bedrag en daarom een bedrag van € 39.224,10 aan de vrouw dient te voldoen. Daarnaast heeft de rechtbank de vrouw veroordeeld om aan de man te voldoen een bedrag van € 5.963,77, zijnde de helft van de door de man betaalde eigenaarslasten in de periode februari 2024 t/m oktober 2024 die betrekking hebben op de woning. De proceskosten zijn gecompenseerd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.3
De man is met vier grieven in hoger beroep gekomen van het bestreden vonnis. Grieven I en II zien op de vraag of artikel 3:172 BW Pro van toepassing is en of partijen hiervan zijn afgeweken in de samenlevingsovereenkomst. Grieven III en IV zien op het oordeel dat ten laste van het privévermogen van de vrouw is geïnvesteerd in de woning van partijen, zodat de vrouw recht heeft op restitutie uit de verkoopopbrengst van een bedrag van € 77.448,20, althans de vrouw een vordering heeft op de man van € 39.224,10. De man vordert vernietiging van het bestreden vonnis en de vorderingen van de vrouw in conventie alsnog af te wijzen.
4.4
De vrouw voert verweer en vordert dat de grieven van de man ongegrond worden verklaard, met veroordeling van de man in de kosten van het hoger beroep.
4.5
Het hof zal hierna de grieven per onderwerp bespreken.
5.
De beoordeling
De rechtsmacht en het toepasselijke recht
5.1
De zaak heeft een internationaal karakter, omdat de man de Canadese nationaliteit heeft en de vrouw de Britse en de Ierse nationaliteit. Het hof wordt daarom allereerst, ambtshalve, voor de vraag gesteld of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft.
5.2
Het onderhavige geschil betreft in feite de nakoming dan wel uitvoering van de tussen partijen in de samenlevingsovereenkomst opgenomen afspraken op grond waarvan de vrouw een bedrag van € 40.724,- van de man vordert. Op grond van artikel 4 Brussel Pro I-bis [1] heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht omdat de man ten tijde van het instellen van de rechtsvordering door de vrouw in Nederland ( [woonplaats1] ) woonplaats had.
5.3
Uit het bestreden vonnis volgt dat de rechtbank (klaarblijkelijk) Nederlands recht heeft toegepast. Omdat door geen van partijen daartegen gegriefd is, is de appelrechter gebonden aan dit oordeel van de rechter in eerste instantie. Dat betekent dat het hof, net als de rechtbank, op de in geschil zijnde vorderingen Nederlands recht zal toepassen.
Vergoedingsvorderingen
5.4
De grieven I en II houden in de kern in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 3:172 BW Pro als grondslag heeft te gelden voor de vordering van de vrouw, terwijl de vrouw dit niet heeft aangevoerd. Ook betwist de man dat partijen in artikel 6 van Pro de samenlevingsovereenkomst zijn overeengekomen dat privéinvesteringen van een partij in een gemeenschappelijk goed resulteren in een vergoedingsrecht op de andere partij. Daarvoor voert de man meerdere redenen aan, die hieronder worden besproken.
5.5
Niet in geschil is dat partijen gezamenlijk eigenaar waren van de woning en dat ten aanzien van de gemeenschappelijke woning sprake was van een eenvoudige gemeenschap in de zin van artikel 3:166 BW Pro. Ook is niet in geschil dat de man niet beschikte over een noemenswaardig startkapitaal om de aanschaf en verbouwing/verbetering van de woning mede te financieren en dat de vrouw in de periode van februari tot en met juli 2020 in totaal een bedrag van € 81.448,20 naar de en/of-rekening van partijen heeft overgemaakt.
5.6
Op de rechtsverhouding tussen partijen zijn, mede omdat sprake was van een eenvoudige gemeenschap, onder meer van toepassing de artikelen 6:10 en 3:172 BW. Artikel 6:10 BW Pro bepaalt (samengevat) dat hoofdelijke schuldenaren, ieder voor het gedeelte van de schuld dat hem in hun onderlinge verhouding aangaat, verplicht zijn in de schuld en in de kosten bij te dragen. Volgens artikel 3:172 BW Pro delen de deelgenoten naar evenredigheid van hun aandelen in de vruchten en andere voordelen die het gemeenschappelijke goed oplevert, en dragen zij in diezelfde evenredigheid bij tot de uitgaven die voortvloeien uit handelingen die bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht.
5.7
Van de artikelen 6:10 en 3:172 BW kan bij overeenkomst worden afgeweken. Partijen hebben op 15 september 2020 een samenlevingsovereenkomst gesloten. Omdat de vrouw primair de samenlevingsovereenkomst aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd, zal het hof eerst beoordelen of haar vorderingen op deze grondslag kunnen worden toegewezen. In de samenlevingsovereenkomst zijn partijen onder meer het volgende overeengekomen:
"Verklaringen vooraf
(…) [Hof: partijen] zijn op zes augustus tweeduizend negentien gaan samenwonen en zij voeren sinds dat tijdstip een gemeenschappelijke huishouding. Zij regelen met ingang van vandaag hun vermogensrechtelijke verhouding als volgt.
(…)

6.Gemeenschappelijke woning

1. De woning (…) behoort toe aan beide partners ieder voor de helft. Het hierna bepaalde heeft zowel betrekking op deze woning als ook op een in de toekomst gezamenlijk te verkrijgen woning.

2. Alle investeringen, kosten en lasten met betrekking tot de eigendom van een gemeenschappelijke woning, die niet onder de kosten van de huishouding vallen (zoals de in lid 5 bedoelde hypothecaire lening en de aflossing daarvan en de premies voor het spaargedeelte van de levensverzekering), komen voor rekening van beide partners, naar evenredigheid van hun aandeel in de eigendom, terwijl zij ook ieder in die verhouding delen in de gevolgen van een waardevermeerdering of vermindering van de woning.

3. Als de partners niet naar evenredigheid van hun aandeel in de gezamenlijke woning bijdragen aan de hiervoor sub b bedoelde investeringen, kosten en lasten of als partijen voor de aanschaf van deze woning niet conform deze verhouding uit eigen middelen bijdragen ofhebben bijgedragen[onderstreping Hof], ontstaat voor degene die méér bijdraagt dan waartoe hij op grond van zijn aandeel gehouden is, een vordering op de andere partij gelijk aan dat meerdere. (…)

(…)"

5.8
Het hof is van oordeel dat deze bepalingen in de samenlevingsovereenkomst – met toepassing van de zogenaamde ‘Haviltex-maatstaf’ – redelijkerwijs aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer een partij vanuit zijn privévermogen investeert of heeft geïnvesteerd ten behoeve van de gemeenschappelijke woning, hij of zij daarvoor een vordering krijgt op de ander ter hoogte van de helft van die investering. Anders dan de man stelt vallen hieronder ook investeringen in de woning die vóór het sluiten van de samenlevingsovereenkomst zijn gedaan. Mede gelet op de periode waarin de samenlevingsovereenkomst is gesloten, namelijk net nadat partijen de gezamenlijke woning hadden aangeschaft, nadat de vrouw meerdere forse bedragen had gestort op de en/of-rekening, en voordat de werkzaamheden van de aannemer waren aangevangen, ligt het meer voor de hand dat partijen zijn overeengekomen dat een vergoedingsrecht zou ontstaan voor álle investeringen, in de toekomst of in het verleden. Daarnaast strookt deze uitleg met de bewoordingen “hebben bijgedragen” in artikel 6 sub Pro 3, wat in redelijkheid aldus begrepen moet worden dat ook ten tijde van het aangaan van de samenlevingsovereenkomst reeds gedane investeringen in de woning, leiden tot een vergoedingsrecht. Het hof volgt de man niet in zijn stelling dat partijen een onderscheid hebben willen maken in de onder artikel 6 sub Pro 2 genoemde investeringen, kosten en lasten, die volgens de man alleen een vergoedingsrecht opleveren vanaf het moment van het sluiten van de
samenlevingsovereenkomst, en kosten die zijn te relateren aan de aanschaf van de woning, waarvoor wel een vergoedingsrecht zou ontstaan voor investeringen die vóór het sluiten van de samenlevingsovereenkomst zijn gedaan. Weliswaar ontbreekt ten aanzien van de in artikel 6 sub Pro 2 genoemde kosten de bewoordingen “hebben bijgedragen”, of bewoordingen van dezelfde strekking, maar het hof is van oordeel dat dit een onbedoelde omissie betreft, althans dat partijen hiermee niet bewust een onderscheid hebben willen maken tussen de verschillende soorten kosten. De man heeft verder ook geen feiten of omstandigheden gesteld die deze uitleg ondersteunen. De stelling van de man dat in de considerans staat vermeld dat partijen met ingang van 15 september 2020 hun vermogensrechtelijke verhouding hebben willen regelen doet aan het voorgaande niet af. Uit artikel 6 van Pro de samenlevingsovereenkomst volgt immers dat partijen bij het vormgeven van de vermogensrechtelijke verhoudingen voor de periode vanaf 15 september 2020, ook rekening hebben gehouden met investeringen en kosten die vóór die datum waren gedaan of voldaan. Dat in de samenlevingsovereenkomst de overboekingen van de vrouw niet zijn opgenomen of zijn aangeduid, kan zowel voor als tegen de uitleg van de man spreken. Als partijen enkel voor toekomstige investeringen een vergoedingsrecht hadden willen laten ontstaan, dan had het voor de hand gelegen om ten aanzien van de overboekingen van de vrouw expliciet te benoemen dat deze investeringen geen vergoedingsrecht opleveren. Dit argument kan de man daarom niet baten. Bovendien heeft de vrouw hierover op de zitting verklaard dat zij dacht dat het niet nodig was om haar inbreng nader te specificeren, omdat het wettelijk al was geregeld.
Ten overvloede wijst het hof erop dat de vrouw ook op grond van de hierboven onder 5.6 vermelde artikelen haar vergoedingsvorderingen te gelde had kunnen maken. De samenlevingsovereenkomst bevat geen daarvan afwijkende bepalingen.
Investering in de woning
5.9
De man stelt daarnaast dat de vrouw onvoldoende heeft aangetoond dat het totaalbedrag van € 81.448,20 dat van de privérekening van de vrouw naar de en/of-rekening is gegaan, is geïnvesteerd in de aankoop/verbouwing/verbetering van de woning. De overboekingen zijn grotendeels gedaan vóór de aankoop van de woning, vóór de offerte van de aannemer en ook al ruim voor de uitgevoerde verbouwing. Daarnaast stelt de man dat de bedragen dienden als compensatie omdat de vrouw minder ging werken. De bedragen waren dan ook noodzakelijk om het leven dat partijen voerden te kunnen blijven voortzetten, aldus de man. De vrouw heeft uitgelegd dat partijen al langere tijd bezig waren met het aankopen van de woning, dat dit weer even ‘on hold’ werd gezet door corona, maar dat zij toch met deze woning verder zijn gegaan. Vooruitlopend daarop heeft de vrouw alvast bedragen gestort naar de gezamenlijke bankrekening.
5.1
Het hof is van oordeel dat de man niet voldoende gemotiveerd heeft betwist dat van de overboekingen van de vrouw onder meer de notaris en de aannemer zijn betaald. De man heeft dit namelijk tijdens de zitting bij de rechtbank nog erkend. Weliswaar heeft het hoger beroep een herstelfunctie en mag een partij in beginsel terugkomen op een eerdere erkenning, maar in dat geval ligt het wel op de weg van de man om meer aan te voeren dan een betwisting van de stelling van de vrouw, bijvoorbeeld door ook toe te lichten uit welke ander vermogen of andere inkomstenbron de notaris en de aannemer dan wel zouden zijn betaald. De man heeft immers ook erkend dat hij zelf geen startvermogen had. Dat de bedragen door de vrouw zijn overgemaakt op de en/of-rekening voordat de aannemer is benaderd, betekent niet dat de bedragen niet aan de aannemer zijn besteed. De man heeft
daarnaast niet betwist dat de bedragen zijn overgemaakt in de periode dat partijen in elk geval al op zoek waren naar een woning. Ook de stelling dat de vrouw de bedragen heeft overgemaakt als compensatie omdat zij na haar zwangerschap minder zou gaan werken is door de man onvoldoende toegelicht en onderbouwd. De vrouw heeft bovendien daartegenover gesteld dat zij na de geboorte recht had op geboorteverlof en dat zij na een aantal maanden weer is begonnen met werken. Voor compensatie wegens minder werken was dus geen aanleiding, aldus de vrouw. Dit is door de man niet voldoende gemotiveerd weersproken. Dit maakt dat de derde grief faalt.
5.11
De vierde en laatste grief, die inhoudt dat de vrouw geen recht heeft op restitutie van enig bedrag, deelt in het lot van de hiervoor verworpen grieven I t/m III waarop de grief voortbouwt.
5.12
Uit het voorgaande volgt dat de vrouw investeringen heeft gedaan ten behoeve van de gemeenschappelijke woning. Op grond van artikel 6 van Pro de samenlevingsovereenkomst heeft zij recht op een door de man aan haar te betalen bedrag ter hoogte van de helft van € 78.448,20, zijnde € 39.224,10. Dat de rechtbank ten onrechte primair heeft bepaald dat de vrouw recht heeft op het totale bedrag uit de verkoopopbrengst, zoals de man betoogt, is juist. De vrouw kan geen vordering hebben op de eenvoudige gemeenschap die tussen partijen heeft bestaan. Een eenvoudige gemeenschap is beperkt tot het goed, en kan geen schuld omvatten, zoals bij een bijzondere gemeenschap wel het geval is. Eventuele vergoedingsvorderingen kunnen daarom uitsluitend tegenover de andere partner worden ingeroepen, en kunnen niet uit de eenvoudige gemeenschap worden gehaald. [2] Omdat de opbrengst uit de verkoop van de eenvoudige gemeenschap reeds is verdeeld, ziet het hof geen aanleiding om het bestreden vonnis op dit onderdeel te vernietigen.
De slotsom: het hoger beroep slaagt niet
5.9
De conclusie van het voorgaande is dat het hoger beroep van de man niet slaagt en dat het vonnis zal worden bekrachtigd. Het hof zal – anders dan de vrouw heeft gevorderd -de proceskosten in hoger beroep compenseren, omdat partijen een affectieve relatie hebben gehad en de procedure de afwikkeling van de onderlinge aanspraken aangaande de voormalige gemeenschappelijke woning betreft.

6.De beslissing

Het hof
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt;
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. C. Koopman, A.A.J. Smelt en A.K. Oostlander-Vos, bijgestaan door mr. G.J. Rauw als griffier, en is op 24 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.
2.Hoge Raad 17 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1571.