Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met de memorie van grieven en een incidentele vordering tot schorsing
- de memorie van antwoord op de incidentele vordering tot schorsing en in de hoofdzaak
2.De kern van de zaak
primairzich onbevoegd te verklaren ten aanzien van de vorderingen van de vader dan wel
subsidiairde vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, althans zijn vorderingen af te wijzen.
3.Het oordeel van het hof
Maar op grond van artikel 1:247 lid 3 BW Pro omvat het ouderlijk gezag, ook in geval van eenhoofdig gezag, mede de verplichting van de gezaghebbende ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn of haar kind met de andere ouder te bevorderen. Deze verplichting hangt samen met het uitgangspunt dat een kind en een ouder (in dit geval [de minderjarige] en de vader) recht hebben op omgang met elkaar. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder, gewaarborgd door artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, en artikel 24 lid 3 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU.