ECLI:NL:GHARL:2026:118

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
24/355
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de waardering van aandelen in een vennootschap

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland, die op 21 december 2023 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2017 had vernietigd. De Inspecteur had eerder een aanslag opgelegd op basis van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 259.898, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van -/- € 158.733 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 173.637. Na bezwaar van belanghebbende werd de aanslag verminderd, maar de rechtbank oordeelde dat de aanslag verder verlaagd moest worden. Belanghebbende ging in hoger beroep, waarbij de Inspecteur een verweerschrift indiende. De zaak werd behandeld op 15 juli 2025.

De feiten van de zaak zijn complex en betreffen de waardering van aandelen in [bedrijf1] B.V., waarin belanghebbende een aanmerkelijk belang had. Belanghebbende en zijn broer hielden samen met hun kinderen aandelen in [bedrijf1] B.V. via een stichting. De Inspecteur had een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd aan [bedrijf4] B.V., die verband hield met de managementparticipatie van drie managers in [bedrijf1] B.V. De Inspecteur stelde dat de schadeloosstelling die belanghebbende had betaald aan de koper van de aandelen, niet in mindering kon worden gebracht op de overdrachtsprijs van de aandelen. Belanghebbende betoogde dat deze schadeloosstelling wel als kosten in aanmerking moest worden genomen.

Het Hof oordeelde dat de Inspecteur zich terecht op het standpunt had gesteld dat contractueel was uitgesloten dat de schadeloosstelling de koopprijs verlaagt. Het Hof verklaarde het hoger beroep gegrond en stelde het verlies uit aanmerkelijk belang vast op € 158.733. De Inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 934 en moest het betaalde griffierecht vergoeden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummer BK-ARN 24/355
uitspraakdatum: 6 januari 2026
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 21 december 2023, nummer ARN 22/2591, ECLI:NL:RBGEL:2023:7128, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/ kantoor Arnhem(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2017 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 259.898, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van -/- € 158.733 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 173.637. Bij afzonderlijke beschikking is aan belastingrente een bedrag van € 4.163 in rekening gebracht.
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar gegrond verklaard, de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 252.748, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 173.637, en de belastingrente dienovereenkomstig verminderd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot één naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 252.748, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 111.306, en de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd. De Rechtbank heeft verder de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 1.970 en de Inspecteur gelast het griffierecht te vergoeden.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. G.J.F. Vink als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede namens de Inspecteur mr. [naam1] , drs. [naam2] en mr. [naam3] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd. De zaak is met instemming van partijen gelijktijdig behandeld met de zaak van de broer van belanghebbende [hierna: de broer van belanghebbende] , met nummer 24/356.
2.
Vaststaande feiten
2.1.
Vanaf 27 april 2012 hielden belanghebbende, de broer van belanghebbende en hun kinderen tezamen via de [stichting1] (hierna [stichting1] ) 1/3 van (de certificaten van) de aandelen in [bedrijf1] B.V. Belanghebbende hield minder dan 5% van de certificaten. De andere certificaathouders waren [bedrijf2] B.V. en [bedrijf3] B.V., ieder voor 1/3 deel. [bedrijf1] B.V. is aandeelhouder van onder andere [bedrijf4] B.V.
2.2
In de eerste helft van 2015 heeft vooroverleg plaatsgevonden met de Belastingdienst over aan drie managers van [bedrijf4] B.V., te weten [manager1] , [manager2] en [manager3] (hierna: de managers) te verstrekken certificaten van aandelen in [bedrijf1] B.V. Op 2 juni 2015 is telefonisch overeenstemming bereikt over de waarde van de certificaten. Bij brief van 17 augustus 2015 heeft de Inspecteur bevestigd dat 2% van de certificaten een waarde van € 185.600 had. Daarbij is het voorbehoud gemaakt dat dit standpunt over de waarde van de certificaten vervalt bij een eventuele verkoop van [bedrijf1] B.V. of een dochtervennootschap in 2015 of 2016.
2.3.
Op 4 september 2015 zijn de statuten van [bedrijf1] B.V. gewijzigd. Daarbij is voorzien in de omzetting van veertien gewone aandelen in cumulatief preferente aandelen A, B en C. Van elk van belanghebbende, de broer van belanghebbende en hun kinderen is één certificaat van een gewoon aandeel omgezet in een cumulatief preferent aandeel C. De certificaten van cumulatief preferente aandelen A zijn toegekend aan [bedrijf2] B.V. en de certificaten van de cumulatief preferente aandelen B aan [bedrijf3] B.V.
2.4.
Eveneens op 4 september 2015 hebben belanghebbende, de broer van belanghebbende, [bedrijf2] B.V. en [bedrijf3] B.V. certificaten van gewone aandelen in [bedrijf1] B.V. verkocht aan de managers. [bedrijf2] B.V. en [bedrijf3] B.V. hebben ieder aan elk van de drie managers 120 certificaten van gewone aandelen verkocht. Belanghebbende en zijn broer hebben beiden aan elke manager 60 certificaten van gewone aandelen verkocht. De met de managers overeengekomen koopprijzen zijn gebaseerd op de in 2.2 vermelde waardering van de certificaten. De prijs van 60 certificaten bedroeg € 30.933.
2.5.
Op 18 maart 2016 is een ‘overeenkomst in het kader van en ter afwikkeling van de overdracht van [bedrijf1] B.V.’ opgemaakt tussen de certificaathouders van [bedrijf1] B.V., de [stichting1] , [certificaathouder1] (hierna: [certificaathouder1] ) en [certificaathouder2] (hierna: [certificaathouder2] ). In artikel 4.1 daarvan is bepaald dat de koopprijs voor de aandelen pro rata toekomt aan de certificaathouders. Daarbij is pro rata als volgt gedefinieerd: ‘naar verhouding van het (indirecte) belang van de Certificaathouders c.q. de betreffende Certificaathouder in de Vennootschap ten tijde van het sluiten van deze Overeenkomst (…), waarbij (een certificaat van) een cumulatief preferent aandeel een gelijk belang vertegenwoordigt als (een certificaat van) een gewoon aandeel’.
2.6.
Volgens een koopovereenkomst van 23 maart 2016 (hierna: de koopovereenkomst) heeft de [stichting1] 100% van haar aandelen in [bedrijf1] B.V. aan [bedrijf5] B.V. verkocht voor € 27.100.000. Artikel 6.3 en artikel 6.4 van de koopovereenkomst bevatten vrijwaringbepalingen. In artikel 6.4 van de koopovereenkomst is het volgende opgenomen, waarbij de [stichting1] is aangeduid als de Verkoper, [bedrijf5] B.V. als de Koper en [bedrijf1] B.V. als de Vennootschap:
“Ieder van [bedrijf2] B.V., [bedrijf3] B.V., [belanghebbende] en [de broer van belanghebbende] zal de Koper vrijwaren en schadeloosstellen tegen alle Schade, vorderingen, betalingen, geldboeten en kosten die verband houden met of voortvloeien uit alle Belastingen terzake de Groepsmaatschappijen met betrekking tot de periode tot de Closing Datum (inclusief) die door de Groepsmaatschappijen verschuldigd zijn of worden of waarvoor de groepsmaatschappijen aansprakelijk zijn of worden gesteld voor zover die Belastingen verband houden met het (doen) beëindigen van de aan de heren [manager1] , [manager2] en [naam4] verleende (personeels)opties en het door laatstgenoemden (direct of indirect) in de Vennootschap gehouden belang (daaronder begrepen de eventuele brutering in verband met de door de Groepsmaatschappijen verschuldigde loonbelasting verband houdende met het onder deze vrijwaring door [bedrijf2] B.V., [bedrijf3] B.V., [belanghebbende] en [de broer van belanghebbende] te betalen Schade. Ieder van [bedrijf2] B.V., [bedrijf3] B.V., [belanghebbende] en [de broer van belanghebbende] en de Verkoper bevestigen hierbij dat Artikel 8 op voornoemde vrijwaring niet van toepassing is (…). (i) [bedrijf2] B.V., (ii) [bedrijf3] B.V. en (iii) [belanghebbende] en [de broer van belanghebbende] gezamenlijk, zijn elk voor een gelijk deel (1/3e) aansprakelijk jegens de Koper voor de verplichtingen die voortvloeien uit de voornoemde vrijwaring. (…).”
In artikel 8.13 van de koopovereenkomst is het volgende bepaald:
“Iedere betaling aan de Koper wegens een Schending of vordering op grond van de vrijwaringen wordt aangemerkt als een terugbetaling op de Closing Koopprijs en de Closing Koopprijs zal worden geacht te zijn verlaagd met het bedrag van deze betaling.”
2.7.
Op 15 mei 2017 hebben [bedrijf4] B.V. en de inspecteur voor de loonheffingen een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarin is onder meer bepaald dat partijen het volgende overeenkomen:
“5) [Hof: De Managers] staan in dienstbetrekking tot [ [bedrijf4] B.V.];
6) er is besloten de Managers -middels certificaten van aandelen [bedrijf1] (…) te laten participeren in [bedrijf1] . De toenmalige fiscale adviseur heeft in zijn brief van 31 december 2014 de Belastingdienst verzocht te bevestigen dat de verstrekking van de certificaten aan de Managers niet zou leiden tot het in aanmerking nemen van loon bij de Managers;
7) op 2 juni 2015 hebben Partijen telefonisch een akkoord bereikt over de waarde in het economisch verkeer van de certificaten (…); Bij brief van 17 augustus 2015 bevestigt de Belastingdienst deze waarde ad EUR 185.600 voor 2% van de certificaten, waarbij expliciet het voorbehoud is opgenomen dat de standpuntbepaling inzake de waarde in het economisch verkeer van de certificaten vervalt in geval van een eventuele verkoop van [bedrijf1] (of dochtermaatschappijen) in 2015 of 2016;
8) op 4 september 2015 worden de 2% certificatenbelangen in [bedrijf1] tegen de afgestemde waarde van EUR 185.000 geleverd aan de drie Managers (in totaal betreft het een 6% belang in [bedrijf1] );
(…)
10) op 23 maart 2016 worden de aandelen in [bedrijf1] verkocht aan de nieuw opgerichte houdstervennootschap [bedrijf5] B.V. tegen een aandeelhouderswaarde van EUR 27,1 miljoen.
(…)
18) het genietingsmoment, in de zin van artikel 13a van de Wet op de loonbelasting 1964 (…) van de door de Managers verkregen certificaten is 4 september 2015. De waarde in het economisch verkeer van de op dat moment door de Manager verkregen certificaten wordt gesteld op EUR 556.000. Dit is gebaseerd op 2% van de aandeelhouderswaarde van 27,1 miljoen bij verkoop die de Partijen in het kader van het compromis ook tot uitgangspunt hebben genomen bij de waardering per 4 september 2015 plus de compensatie die de Managers hebben ontvangen voor het mislopen van het dividend ad EUR 14.000 per Manager.
19) Gezien de per Manager voor de certificaten betaalde verkrijgingsprijs van EUR 185.600, bedraagt het op 4 september 2015 gezamenlijk door de Managers genoten en in aanmerking te nemen loon EUR 1.111.200, waarvoor een naheffingsaanslag loonheffingen wordt opgelegd.
20) In 2016 heeft [ [bedrijf4] B.V.] het besluit genomen de ter zake van onderdeel 19) na te heffen loonbelasting niet op de Managers te verhalen. Het door dit besluit ontstane voordeel voor de Managers is een eveneens tot het loon te verrekenen voordeel, waarover loonheffing wordt nageheven.
(…)
25) de naheffingsaanslag loonheffingen ad EUR 1.203.800 en de betaalde belastingrente (…) zijn in aftrek te brengen bij de bepaling van de winst in de aangifte vennootschapsbelasting 2017 van [ [bedrijf4] B.V.];”
2.8.
Aan [bedrijf4] B.V. is vervolgens een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd van € 1.203.800 bruto. Daarbij is € 45.984 belastingrente in rekening gebracht. De belastingschade van [bedrijf4] B.V. is berekend op € 1.012.235. Daarvan hebben belanghebbende en de broer van belanghebbende ieder € 337.942 betaald. Dat bedrag hebben zij in hun op 8 oktober 2018 ingediende aangifte IB/PVV voor het jaar 2017 als verlies uit aanmerkelijk belang verantwoord.
2.9.
Bij brief van 22 oktober 2020 heeft de Inspecteur om de aangifte IB/PVV 2017 te kunnen beoordelen, belanghebbende om informatie verzocht. Hij heeft dat verzoek voor het inkomen uit aanmerkelijk belang als volgt ingeleid:
“In de aangifte van uw cliënt is een verlies uit aanmerkelijk belang opgenomen van € 337.942. Uit de aangifte maak ik op dat dit verlies voortvloeit uit een aanpassing van de overdrachtsprijs van de in 2016 vervreemde aandelen [bedrijf1] B.V. als gevolg van een naheffingsaanslag loonheffingen.”
2.10.
Belanghebbende heeft op dit verzoek gereageerd bij brief van 10 december 2020. Belanghebbende heeft daarin onder meer geantwoord dat gezien de bijgevoegde betalingsbewijzen partijen naderhand zijn afgeweken van de overeengekomen verdeling en dat uit de in 2.7 vermelde vaststellingsovereenkomst valt af te leiden:
“(…) dat in de loop van 2016 de Belastingdienst heeft aangekondigd voornemens te zijn tot het gaan opleggen van een naheffingsaanslag loonbelasting. Daar is daarna verder over gediscussieerd met de Belastingdienst; uiteindelijk is dit geschil in 2017 beslecht met het sluiten van de genoemde vaststellingsovereenkomst. Vanaf dat moment stond dan ook vast dat de (…) afgegeven vrijwaring zou worden ingeroepen waarmee de overdrachtsprijs van de aandelen werd verlaagd.”
Als bijlagen bij deze brief heeft belanghebbende onder meer verstrekt de koopovereenkomst aandelen [bedrijf1] B.V. van 23 maart 2016, de “overeenkomst afw overdracht [bedrijf1] B.V. 18-3-2016”, “bescheiden naheffingsaanslag loonheffing” en “wijziging adm. voorw. [stichting1] ”.
2.11.
Bij brief van 25 januari 2021 heeft de Inspecteur aan de gemachtigde van belanghebbende het volgende geschreven:
“Betreft: aankondiging afwijken van aangifte
(…)
Ik heb de aangifte inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen (…) 2017 van [belanghebbende] beoordeeld. Hierbij heb ik rekening gehouden met de informatie die u mij schriftelijk heeft verstrekt in uw brief van 10 december 2020.
(…)
Ik ben van plan af te wijken van de aangifte van [belanghebbende].
(…)
Inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2)
(…)
Het aangegeven bedrag lijkt aanzienlijk hoger dan waartoe [belanghebbende] op basis van de tot mijn beschikking staande overeenkomsten gehouden is. Ik zal dit nu toelichten.
Verleende vrijwaring loonheffingen
(…)
De (…) in artikel 6.4 opgenomen bepaling vormt een extra zekerheid voor de koper van de aandelen in aanvulling op de in artikel 6.3 opgenomen vrijwaring verstrekt door de Stichting als verkoper van de aandelen. Daarbij wordt de aansprakelijkheid van respectievelijk [bedrijf2] B.V, [bedrijf3] B.V. en de heren [namen heren] gezamenlijk, beperkt tot 1/3 deel van het te vergoeden bedrag.
In artikel 8.13 van de koopovereenkomst van aandelen is verder opgenomen dat iedere betaling aan de Koper wegens een schending of vordering op grond van de vrijwaringen wordt aangemerkt als een terugbetaling op de closing koopprijs en de closing koopprijs zal worden geacht te zijn verlaagd met het bedrag van deze betaling. De door de Stichting ontvangen koopprijs voor de aandelen [bedrijf1] B.V. wordt derhalve met het uit hoofde van de vrijwaring betaalde bedrag verlaagd.
In de overeenkomst in het kader van en ter afwikkeling van de overdracht van [bedrijf1] B.V. d.d. 18 maart 2016 is in artikel 4.1 opgenomen dat de koopprijs pro rata toekomt aan de certificaathouders. Hoewel niet expliciet geregeld in genoemde overeenkomst, moet er vanuit worden gegaan dat een terugbetaling van een deel van de koopprijs uit hoofde van de verstrekte vrijwaringen eveneens pro rata moet worden toegerekend aan de certificaathouders.
Bedrag schadeloosstelling cf. gesloten overeenkomsten
Uit de door u aangeleverde stukken maak ik op dat in verband met de opgelegde naheffingsaanslag loonheffingen in 2017 in eerste instantie een bedrag van € 900.000 door de voormalige aandeelhouders van [bedrijf1] B.V. is betaald aan [bedrijf4] B.V. wat later is verhoogd naar € 1.012.325. Deze aanpassing hield verband met een lagere effectieve VPB druk bij [bedrijf4] dan waar in eerste instantie vanuit werd gegaan. Zoals hiervoor uiteengezet, dient de verlaging van de koopprijs van € 1.012.325 op basis van de overeenkomsten pro rata worden toegerekend aan de belangen van de heer [belanghebbende] en zijn minderjarige kinderen. Deze toerekening ziet er dan als volgt uit:
Rel. aandeel: Toe te rekenen verlaging:
[belanghebbende] 3,17% 32.091
[kind1] 4,17% 42.214
[kind2] 4,17% 42.214
[kind3] 4,17% 42.214
Totaal 15,68% 158.733
Bedrag schadeloosstelling volgens aangifte
In de aangifte heeft [belanghebbende] € 337.942 aangegeven als negatief vervreemdingsvoordeel. Dit bedrag is meer dan twee maal zo hoog als waartoe uw cliënt en zijn minderjarige kinderen gezamenlijk gehouden zijn op grond van de gesloten overeenkomsten. In uw brief van 10 december 2020 geeft u als verklaring dat de verdeling van de schadeloosstelling tussen partijen naderhand gewijzigd is. (…)
In 2016 aangegeven vervreemdingsvoordeel
(…)
[Belanghebbende] sluit ten aanzien van de verkrijgingsprijs aan bij de in mei 2017 tussen [bedrijf5] B.V. en de Belastingdienst gesloten vaststellingsovereenkomst inzake de waardering van de certificaten die op 4 september 2015 door het management zijn verkregen. Daarbij is overeengekomen dat de waarde van deze certificaten op 4 september 2015 moet worden gelijkgesteld aan de op 23 maart 2016 ontvangen koopsom voor de aandelen.
Bij het vaststellen van de verkrijgingsprijs per 4 september 2015 heeft [belanghebbende] naar mijn mening ten onrechte geen rekening gehouden met de verplichting uit hoofde van de verstrekte vrijwaring. Ik zal dit nu toelichten.
(…)
Op 4 september 2015, het moment van ontstaan van het aanmerkelijk belang, was reeds duidelijk dat de vennootschap geconfronteerd zou worden met een naheffingsaanslag loonheffingen als gevolg van de managementparticipatie en de vrijwel direct daaropvolgende verkoop van de aandelen [bedrijf1] B.V. De bewustheid van dit risico blijkt onder andere uit het in 2015 gevoerde vooroverleg, een bespreking op 15 februari 2016 met de Belastingdienst en het feit dat in de koopovereenkomst d.d. 23 maart 2016 expliciet een vrijwaring is opgenomen ten aanzien van de verwachte naheffingsaanslag loonheffingen.
Bij het vaststellen van de verkrijgingsprijs per 4 september 2015 had [belanghebbende] derhalve het waarde drukkend effect van de verwachte naheffingsaanslag loonheffing in aanmerking moeten nemen. Nu dit niet heeft plaatsgevonden, is er in 2016 een te laag vervreemdingsresultaat aangegeven.
Voornemen afwijken van aangifte
Nu er bij de berekening van het aangegeven vervreemdingsvoordeel in 2016 ten onrechte geen rekening is gehouden met het waarde drukkende effect van de naheffingsaanslag loonheffingen, ben ik voornemens om in 2017 geen negatief vervreemdingsresultaat in aanmerking te nemen. Op deze wijze wordt voorkomen dat over het jaar 2016 dient te worden nagevorderd en [belanghebbende] in dit verband geconfronteerd wordt met belastingrente.”
2.12.
Belanghebbende heeft in reactie op de in 2.11 genoemde brief van de Inspecteur in een brief van 10 februari 2021 onder meer het volgende geschreven:
“Er is inderdaad niet in de overeenkomst in het kader van en ter afwikkeling van de overdracht van [bedrijf1] B.V. van 18 maart 2016 aangegeven hoe om te gaan met terugbetaling van een deel van de koopprijs. (…) Nu er sprake is van de vervreemding van een aanmerkelijk belang waarbij de overdrachtsprijs tussen onafhankelijke derden is overeengekomen, is het verschil tussen deze overdrachtsprijs en de verkrijgingsprijs het voordeel uit aanmerkelijk belang. De latere betaling van de naheffingsaanslag loonheffingen vermindert dit voordeel; daarmee is het verlies uit aanmerkelijk belang een gegeven. Dat deze vermindering in uw optiek vervolgens op niet zakelijke gronden niet wordt verdeeld over alle certificaathouders en de kinderen van [belanghebbende] in het bijzonder, staat geheel los van het bovenstaande.
(…)
Voor wat betreft uw standpunt dat bij het vaststellen van de verkrijgingsprijs per 4 september 2015 voor [belanghebbende] rekening had moeten worden gehouden met het waarde drukkende effect van een mogelijke naheffingsaanslag loonheffingen en dat daardoor een te laag vervreemdingsresultaat in 2016 is aangegeven, geldt dat ik dit standpunt niet kan volgen.”
2.13.
Bij brief van 5 maart 2021 heeft de Inspecteur de gemachtigde van belanghebbende nader geïnformeerd over zijn voornemen om van de aangifte IB/PVV voor het jaar 2017 af te wijken. Daarin staat onder meer het volgende:

Inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2)
(…)
Omvang negatief vervreemdingsvoordeel
Uw standpunt is niet in overeenstemming met hetgeen is opgenomen in de overeenkomsten. Daarnaast acht ik het niet aannemelijk dat uw cliënt uit zakelijke overwegingen bereid zou zijn om gezien de opbrengst van zijn relatief kleine belang (3,17%) ad. € 859.070, een schadeloosstelling van € 337.942 voor zijn rekening te nemen (33,38% van de totale aan de koper betaalde schadeloosstelling ad. € 1.012.325). Dit zou niet alleen leiden tot een bevoordeling van de kinderen van uw cliënt, maar ook van de andere verkopende partijen, te weten [bedrijf2] B.V. en [bedrijf3] B.V.
Op grond van voorgaande uiteenzetting neem ik het standpunt in dat aan uw cliënt en zijn minderjarige kinderen een verlaging van de koopprijs kan worden toegerekend zoals deze blijkt uit de gesloten schriftelijke overeenkomsten.
(…)
In mijn brief van 25 januari 2021 heb ik aangegeven voornemens te zijn om in 2017 geen negatief vervreemdingsresultaat in aanmerking te nemen. Dit omdat bij de berekening van het aangegeven vervreemdingsvoordeel in 2016 ten onrechte geen rekening is gehouden met het waarde drukkende effect van de naheffingsaanslag loonheffingen. Uit uw brief van 10 februari 2021 maak ik op dat u een dergelijke oplossing niet acceptabel acht.
Ik heb daarom het negatieve vervreemdingsvoordeel van [belanghebbende] gesteld op € 158.733.”
2.14.
De Inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2017 vervolgens opgelegd met dagtekening 30 maart 2021, rekening houdend met een verlies uit aanmerkelijk belang van € 158.733.
2.15.
Belanghebbende en de broer van belanghebbende enerzijds (partij A) en de Belastingdienst anderzijds (partij B) hebben op 21 mei 2021 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:
“2. Omschrijving van het geschil/de onzekerheid
De kwestie waarover partijen van mening verschillen of in onzekerheid verkeren, luidt als volgt:
Bij de behandeling van de aangifte inkomstenbelasting 2017 is er een verschil van mening ontstaan over de fiscale duiding van de betaling voor de schadeloosstelling door partij A aan de koper van de aandelen [bedrijf1] BV. Partij A is van mening dat de gehele betaling kwalificeert als een aanpassing van de overdrachtsprijs van het aanmerkelijk belang van [belanghebbende en de broer van belanghebbende]. Naar de mening van partij A leidt dit tot een verlies uit aanmerkelijk belang in 2017. Partij B heeft alleen een evenredig deel van de betaling (naar rato van het aandelenbelang) in aanmerking genomen bij het opleggen van de definitieve aanslagen inkomstenbelasting 2017.
Daarnaast heeft dit geschilpunt geleid tot het standpunt van partij B dat de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang lager is dan partij A in aanmerking heeft genomen bij het bepalen van het vervreemdingsresultaat in 2016. Dit leidt tot een positief vervreemdingsresultaat uit aanmerkelijk belang in 2016. Dit zou naar de mening van partij B op basis van interne compensatie in 2016 in de heffing kunnen worden betrokken.
Voor de afwikkeling van de bezwaarprocedure tegen de aanslagen inkomstenbelasting 2016 van [belanghebbende en de broer van belanghebbende] hebben partijen afgesproken om het geschil over de hoogte van de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang bij de vaststelling van het resultaat uit aanmerkelijk belang in 2017 in aanmerking te nemen, zodat zowel de hoogte van de verkrijgingsprijs als de aanpassing van de overdrachtsprijs in 2017 in de heffing wordt betrokken. Uitgaande van deze afspraak is partij B van mening dat het resultaat uit aanmerkelijk belang over 2017 daardoor op nihil zou moeten worden vastgesteld.
(…)
4. Feiten
(…)
Partijen zijn op 6 mei 2021 het volgende overeengekomen:
- De definitieve aanslagen inkomstenbelasting 2016 worden ambtshalve verminderd (…).
- De beoordeling van beide geschilpunten zoals omschreven in paragraaf 2 vindt plaats bij de behandeling van het bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting 2017 en wordt, met instemming van partij A, al dan niet met toepassing van artikel 64 AWR, dientengevolge ook in dat jaar in de heffing betrokken.
- Partij A ziet expliciet af van het standpunt dat de aanpassing van de verkrijgingsprijs in 2016 tot een resultaat uit aanmerkelijk belang moet leiden;
- Indien de aanpassing van de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang tot een navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2017 bij beide belanghebbenden leidt, ziet partij A af van een beroep op het ontbreken van een nieuw feit.”

3.Geschil

3.1.
In geschil is de hoogte van het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang.
3.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende eerst op 4 september 2015 een aanmerkelijk belang in [bedrijf1] B.V. kreeg door de omzetting van een certificaat van een gewoon aandeel in een certificaat van een cumulatief preferent aandeel en dat die omzetting verband hield met de uitgifte en verkoop van certificaten aan de managers. Het Hof heeft geen reden om aan de juistheid daarvan te twijfelen.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
Belanghebbende stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat het bedrag van € 337.942 dat in 2017 als schadeloosstelling door hem aan [bedrijf5] B.V. is betaald, op grond van artikel 4.29 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB 2001) in mindering kan worden gebracht op de overdrachtsprijs, dan wel op grond van artikel 4.20 van de Wet IB 2001 in aanmerking moeten worden genomen als kosten die direct verband houden met de vervreemding van de (certificaten van) aandelen [bedrijf1] B.V. in 2016. De inhoud van de vaststellingsovereenkomst van 21 mei 2021 doet daaraan volgens hem niet af, omdat daarin alleen is afgesproken dat het geschil over de verkrijgingsprijs zou worden overgebracht naar 2017.
4.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De Inspecteur heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat contractueel is uitgesloten dat de schadeloosstelling de koopprijs verlaagt. Dat volgt uit artikel 6.4 van de koopovereenkomst, waarin is bepaald dat artikel 8 van die overeenkomst niet op de vrijwaring van toepassing is (zie 2.6). Dit betekent dat de omstandigheid dat belanghebbende een deel van de belastingschade voor zijn rekening heeft genomen, niet kan leiden tot verlaging van de overdrachtsprijs van zijn aanmerkelijk belang. Ook is geen sprake van kosten als bedoeld in artikel 4.20 van de Wet IB 2001. Belanghebbende heeft de bewijslast dat en in hoeverre sprake is van kosten die binnen de grenzen der redelijkheid zijn gemaakt in onmiddellijk verband met de vervreemding van de certificaten en heeft daarvoor onvoldoende aangedragen. In het midden kan blijven om welke reden belanghebbende een groter deel van de schadeloosstelling heeft betaald dan uit de koopovereenkomst volgt.
4.3.
Belanghebbende doet ook een beroep op het vertrouwensbeginsel. Belanghebbende wijst erop dat de Inspecteur na correspondentie daarover en toezending van informatie door belanghebbende bij de aanslagregeling het standpunt heeft ingenomen dat ter zake van de door belanghebbende betaalde schadeloosstelling sprake is van aanpassing van de overdrachtsprijs.
4.4.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat geen in rechte te honoreren vertrouwen is gewekt, omdat niet alle relevante feiten en omstandigheden bekend waren. Uit bijlage 1 bij het hogerberoepschrift volgt volgens de Inspecteur dat belanghebbende tijdens de aanslagregeling nog geen specifieke informatie had verstrekt over de verkooptransactie van de aandelen door belanghebbende aan de managers op 4 september 2015. Tijdens de aanslagregeling was volgens de Inspecteur namelijk nog niet bekend dat belanghebbende deze aandelen rechtstreeks aan de managers had verkocht. Bovendien was volgens de Inspecteur toen ook nog niet gesteld dat of gemotiveerd waarom belanghebbende de belastingschade tot deze omvang heeft vergoed.
4.5.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de Inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen. [1] De Inspecteur is aan de bewuste standpuntbepaling gebonden, tenzij de door belanghebbende voor de toezegging verschafte relevante gegevens onjuist of onvolledig zijn en de gedane toezegging niet zozeer in strijd is met een juiste wetstoepassing dat de belastingplichtige op nakoming daarvan niet kan rekenen. [2]
4.6.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt deels. De bewijslast dat aan de voorwaarden voor toepassing van het vertrouwensbeginsel is voldaan, rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft aan de op hem rustende bewijslast voldaan voor het bedrag dat de Inspecteur bij de aanslagregeling als verlies uit aanmerkelijk belang heeft aanvaard. De Inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag van het aangegeven bedrag aan verlies uit aanmerkelijk belang een bedrag van € 158.733 aanvaard. Dit heeft hij gedaan na uitvoerige correspondentie met de gemachtigde van belanghebbende, als weergegeven onder 2.9 tot en met 2.13. Uit zijn brief van 5 maart 2021 blijkt dat ter zake van dit bedrag sprake is van een bewuste standpuntbepaling. Niet gebleken is dat belanghebbende de Inspecteur onjuiste inlichtingen heeft verstrekt of relevante informatie heeft onthouden. Dat, zoals de Inspecteur stelt, belanghebbende hem eerst in de bezwaarfase informatie over de verkoop door belanghebbende van zijn aandelen aan de managers op 4 september 2015 heeft verstrekt, vindt geen steun in de stukken. De koopovereenkomst is als bijlage gevoegd bij de brief van belanghebbende van 10 december 2020. De Inspecteur was dus, zoals ook blijkt uit zijn brief van 25 januari 2021, reeds voor het opleggen van de aanslag met de inhoud daarvan bekend. Dat het de Inspecteur mogelijk niet of niet helemaal duidelijk is geworden waarom belanghebbende meer dan een evenredig gedeelte van de naheffingsaanslag loonheffingen die in verband daarmee aan [bedrijf4] B.V. is opgelegd, als schadeloosstelling heeft betaald, is niet van belang nu de Inspecteur het meerdere niet in aftrek heeft toegestaan. Ook is de toezegging niet zozeer in strijd met een juiste wetstoepassing dat belanghebbende niet op nakoming mocht rekenen. Uit het voorgaande volgt dat het de Inspecteur niet meer vrij stond om bij de uitspraak op bezwaar op de toezegging terug te komen.
4.7.
Voor het restant - het verlies boven het bij de aanslag geaccepteerde bedrag - is geen sprake van schending van het vertrouwensbeginsel. De stukken bevatten geen aanknopingspunten om aan te nemen dat ook in zoverre het vertrouwensbeginsel is geschonden. Belanghebbende heeft daartoe ook niets anders aangevoerd dan dat de bewuste standpuntbepaling een kwalificatie bevat en dat die zich daarom uitstrekt tot het gehele aangegeven verlies uit aanmerkelijk belang, ook het deel dat bij de aanslagregeling niet in aftrek is aanvaard. Aldus heeft hij onvoldoende aangevoerd om zijn beroep op een toezegging of bewuste standpuntbepaling door de Inspecteur voor het meerdere te onderbouwen.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.
De Rechtbank heeft de Inspecteur veroordeeld in de door belanghebbende gemaakte proceskosten voor de bezwaar- en beroepsfase. Tegen deze beslissing en de hoogte van de door de Rechtbank uitgesproken vergoeding zijn in hoger beroep geen grieven aangevoerd, zodat het Hof die beslissing in stand laat.
Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken. Daarbij houdt het Hof er rekening mee dat de werkzaamheden in deze zaak en de zaak met kenmerk 24/356 nagenoeg identiek zijn geweest.
Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868 voor de kosten in hoger beroep (2 punten (hogerberoepschrift en bijwonen zitting)  wegingsfactor 1  € 934). Omdat de werkzaamheden van de gemachtigde in de zaak 24/356 nagenoeg identiek waren, wordt dit bedrag over beide zaken verdeeld. De proceskostenvergoeding in deze zaak bedraagt derhalve totaal € 934.

6.Beslissing

Het Hof:
  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover het betreft de beslissing omtrent het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang;
  • bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige;
  • stelt het verlies uit aanmerkelijk belang vast op € 158.733;
  • vermindert de belastingrente dienovereenkomstig;
  • veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 934;
  • gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 138 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C.G. Okhuizen, voorzitter, mr. A.E. Keulemans en mr. M.M. Breij, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.
De beslissing is op 6 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(J.H. Riethorst) (E.C.G. Okhuizen)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Zie HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069
2.Zie HR 26 september 1979, ECLI:NL:HR:1979:AM4918