ECLI:NL:GHARL:2026:1186

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
200.360.212
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:402a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep partneralimentatie na echtscheiding met geschil over behoefte en draagkracht

Partijen zijn gescheiden per beschikking van 16 april 2025. De rechtbank had de partneralimentatie vastgesteld op €1.879 bruto per maand vanaf 28 april 2025. De man ging in hoger beroep en verzocht om verlaging naar €620, terwijl de vrouw incidenteel hoger beroep instelde voor verhoging naar ruim €4.300.

Het hof heeft de procedure en standpunten van partijen beoordeeld, waarbij het netto besteedbaar inkomen van partijen in 2023 als uitgangspunt is genomen voor de berekening van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw. De kosten van de meerderjarige kinderen zijn vastgesteld op €1.009 per maand gezamenlijk, en de aanvullende behoefte van de vrouw is vastgesteld op €1.673 netto per maand.

De draagkracht van de man is berekend met inachtneming van werkelijke woonlasten vanaf 1 september 2025, wat resulteert in een draagkracht van €1.174 netto per maand tot die datum en €1.678 daarna. Het hof heeft een inkomensvergelijking gemaakt en de partneralimentatie vastgesteld op €1.221 bruto per maand vanaf 28 april 2025, €1.223 vanaf 1 september 2025 en €1.279 vanaf 1 januari 2026.

Verder is geoordeeld dat de vrouw het teveel betaalde alimentatiebedrag van circa €5.910 aan de man moet terugbetalen, gezien haar behoefte en het gebruik van de ontvangen bedragen. De beschikking van de rechtbank is vernietigd en vervangen door deze nieuwe vaststelling.

Uitkomst: Het hof stelt de partneralimentatie vast op €1.221 bruto per maand vanaf 28 april 2025, met aanpassingen per 1 september 2025 en 1 januari 2026, en veroordeelt de vrouw tot terugbetaling van te veel ontvangen alimentatie.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.360.212
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 561777)
beschikking van 26 februari 2026
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. M.C. Rosier te Amsterdam,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats2] , gemeente [gemeentenaam] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M. Peeters te Woerden.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 30 juni 2025, uitgesproken onder het hiervoor genoemde zaaknummer. Het hof zal deze beschikking verder ook noemen: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 30 september 2025;
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties;
- een journaalbericht van mr. Peeters van 15 januari 2026 met productie 10.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 20 januari 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

3.De feiten

3.1
Bij beschikking van 16 april 2025 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 28 april 2025 ingeschreven in de daartoe bestemde registers.
3.2
De man en de vrouw zijn de ouders van twee meerderjarige kinderen: [kind1] (geboren [in] 2002) en [kind2] (geboren op [in] 2005).

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) met ingang van 28 april 2025 bepaald op € 1.879,- per maand.
4.2
De man is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking voor wat betreft de partneralimentatie te vernietigen en opnieuw te beschikken en een partneralimentatie vast te stellen van € 620,- bruto per maand.
4.3
De vrouw vraagt het hof de verzoeken van de man af te wijzen. In het incidenteel hoger beroep verzoekt de vrouw de bestreden beschikking te vernietigen wat betreft de partneralimentatie en opnieuw te beschikken en:
- een partneralimentatie vast te stellen van € 3.895,- bruto per maand, welk bedrag na indexering per 1 januari 2025 € 4.148,18 bruto per maand bedraagt, en na indexering per
1 januari 2026 € 4.339,- bruto per maand bedraagt;
- te bepalen dat op de vrouw geen terugbetalingsverplichting rust voor zover de alimentatie op een lager bedrag wordt vastgesteld dan de rechtbank heeft bepaald.
4.4
De man voert verweer en hij vraagt het hof de verzoeken van de vrouw af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Vermeerdering van het verzoek
5.1
In het verweer op het incidenteel hoger beroep van de vrouw gaat de man tevens in op het verweer van de vrouw in het principaal hoger beroep. Ook doet de man in dat stuk nieuwe verzoeken. Dat is in strijd met de zogeheten twee-conclusie-regel. Deze regel houdt in dat, behoudens uitzonderingen, de man als verzoeker al zijn stellingen en grieven moet aanvoeren in zijn beroepschrift en de vrouw al haar weren in haar verweerschrift. Op grond van lid 3 van dat artikel mag de man ook reageren op het incidenteel hoger beroep van de vrouw. Die laatste bevoegdheid gaat echter niet zover dat de man ook nog mag reageren op de verweren van de vrouw in haar verweerschrift in het principaal hoger beroep. Het hof zal daarom hetgeen door de man in zijn verweer op het incidenteel hoger beroep is opgenomen als reactie op het verweer van de vrouw in het principaal hoger beroep buiten beschouwing laten. Dat betekent dat het hof de stelling van de man over het verbleken van de behoefte en het daaraan verbonden verzoek tot nihilstelling van de partneralimentatie niet zal beoordelen.
5.2
Niettemin zal het hof wel het aanvullende verzoek van de man over de terugbetaling van de alimentatie in de procedure betrekken, omdat het hof ambtshalve dient te beoordelen of een terugbetaling van ontvangen alimentatie in redelijkheid van de vrouw kan worden verlangd.
Partneralimentatie
Ingangsdatum
5.3
Partijen zijn het erover eens dat 28 april 2025 als ingangsdatum moet worden gehanteerd.
Huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw
5.4
De rechtbank is voor het vaststellen van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw uitgegaan van de inkomsten van partijen in 2023, omdat dit het laatste jaar was dat partijen hebben samengewoond. De rechtbank heeft gerekend met een loon volgens de jaaropgave 2023 van de man van € 122.394,-. De rechtbank heeft dit gecorrigeerd met de bijtelling van de auto van de man van € 12.817,- per jaar en rekening gehouden met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Het netto besteedbaar inkomen van de man in 2023 heeft de rechtbank berekend op € 5.407,- per maand.
De rechtbank heeft voor de vrouw gerekend met een loon volgens de jaaropgave 2023 van € 69.365,-. De rechtbank heeft rekening gehouden met een bijtelling van € 6.640,60 per jaar, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Het netto besteedbaar inkomen van de vrouw in 2023 heeft de rechtbank berekend op € 3.634,- per maand.
Het gezamenlijke netto besteedbaar inkomen van partijen in 2023 was volgens de rechtbank € 9.041,- per maand. Dit heeft de rechtbank verminderd met de kosten van de kinderen. Volgens de rechtbank waren partijen het erover eens dat hiervoor uitgegaan kon worden van
€ 1.009 per maand. Het resterende netto besteedbaar inkomen van partijen in 2023 is dan
€ 8.032,-. Van dat inkomen heeft de vrouw volgens de hofnorm 60% nodig. Dat was in 2023
€ 4.819 netto per maand, geïndexeerd naar 2025 is dat € 5.450 netto per maand.
5.5
De man is het niet eens met de berekening van de rechtbank. Hij vindt dat voor de berekening van het netto besteedbaar inkomen van partijen uitgegaan moet worden van het inkomen van partijen in 2024, omdat dit het jaar was dat partijen feitelijk uiteengingen. Volgens de man bedraagt zijn netto besteedbaar inkomen in 2024 € 5.477,- per maand en het netto besteedbaar inkomen van de vrouw € 4.502,- per maand. Het gezamenlijke netto besteedbaar inkomen van partijen in 2024 bedraagt volgens de man € 9.979,- per maand. De man stelt dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een bedrag van € 1.009,- per maand als kosten van de kinderen. Volgens de man hebben partijen hier geen overeenstemming over bereikt en moet worden uitgegaan van een bedrag van € 1.700,- per maand als kosten van de kinderen. Het resterende gezinsinkomen van partijen is volgens de man € 8.279,- per maand. 60% hiervan is € 4.976,- per maand. De man stelt dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw € 4.976,- per maand bedraagt.
5.6
De vrouw is het ook niet eens met de berekening van de rechtbank. Volgens de vrouw moet voor de berekening van de huwelijksgerelateerde behoefte gerekend worden met het netto besteedbaar inkomen van de man in 2022. Volgens de vrouw was 2022 het laatste volledige jaar dat er sprake was van een normale gezamenlijke huishouding, omdat partijen in 2023 uit elkaar zijn gegaan. Volgens de vrouw is het inkomen van de man in 2023 en 2024 bovendien niet representatief omdat hier geen emolumenten, bonussen of jaarlijkse indexeringen in zijn opgenomen. Dit was volgens de vrouw wel gebruikelijk. De vrouw rekent met een netto besteedbaar inkomen van de man in 2022 van € 6.007,-. Volgens de vrouw kan wel gerekend worden met haar netto besteedbaar inkomen in 2023, omdat dat nauwelijks verschilt van het inkomen in 2022. Het netto besteedbaar inkomen van partijen gezamenlijk is dan volgens de vrouw € 9.641,- per maand.
De vrouw stelt dat er wel overeenstemming was over de hoogte van de kosten van de kinderen. Volgens haar gaat de man bovendien ten onrechte uit van de bedragen genoemd in de Nibud-tabellen. Volgens de vrouw geldt bij de vaststelling van de behoefte van de kinderen de WSF-norm.
Oordeel van het hof
5.7
Net als de rechtbank, en op dezelfde gronden, is het hof van oordeel dat voor de berekening van de huwelijksgerelateerde behoefte uitgegaan moet worden van het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen in 2023. Onbetwist is gesteld dat 2023 het laatste volledige jaar is geweest dat partijen hebben samengewoond. Het hof gaat voorbij aan de stelling van de vrouw dat het inkomen van de man in 2023 niet representatief is geweest. Naar het oordeel van het hof heeft de man de stelling van de vrouw, dat hij recht zou hebben gehad op bonussen en/of een jaarlijkse indexering, voldoende gemotiveerd betwist. De man heeft toegelicht dat hij in 2020 in dienst is getreden en hij de eerstvolgende twee jaar bij goed functioneren een trap zou stijgen in salaris. Na 2023 hebben er volgens de man geen verhogingen meer plaatsgevonden omdat de man aan het einde van de trap behorend bij zijn functie is ingeschaald. De man betwist bovendien dat hij eerder een bonus zou hebben ontvangen; deze extra bijdrage betrof volgens de man een correctie op de bijtelling van zijn auto. De man heeft hiervan diverse bewijsstukken overgelegd.
Het hof stelt net als de rechtbank het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen vast op € 9.041,- per maand.
5.8
Van het netto besteedbaar gezinsinkomen betaalden partijen ook de kosten van hun kinderen. Het netto besteedbaar gezinsinkomen moet voor het bepalen van de behoefte van de vrouw verminderd worden met de kosten van de kinderen. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank blijkt dat partijen tijdens de zitting, anders dan de man nu stelt, overeenstemming hebben bereikt over deze kosten in 2023. Volgens partijen moet er gerekend worden met een bedrag van € 1.009,- aan kosten van de kinderen. De man heeft bovendien zijn stelling, dat sprake is van een hoger bedrag aan kosten kinderen, niet nader uitgewerkt met concrete berekeningen en cijfers. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof kon hij hier ook geen duidelijkheid over geven. Het hof zal daarom rekenen met de door partijen afgesproken kosten kinderen van € 1.009,- per maand. Het resterende netto besteedbaar gezinsinkomen bedraagt dan € 8.032,- (9.041- 1.009 = 8.032). Van dat inkomen heeft de vrouw volgens de hofnorm 60% nodig. Dat was in 2023 € 4.819 netto per maand. Geïndexeerd naar 2025 is dat € 5.450,- netto per maand. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt in 2025 dus € 5.450,- netto per maand, precies zoals de rechtbank heeft berekend.
Behoeftigheid
5.9
Van behoeftigheid is sprake als de vrouw niet voldoende inkomsten heeft, en deze ook in redelijkheid niet kan verwerven, om volledig in haar eigen behoefte te kunnen voorzien. Het hof zal, net als de rechtbank, uitgaan van een inkomen van de vrouw van een loon volgens de jaaropgave van € 69.607. Partijen hebben hier op de zitting bij de rechtbank overeenstemming over bereikt. Nu de vrouw tijdens de mondelinge behandeling bij het hof
haar grief, die ziet op een correctie van dit inkomen met de bijtelling van haar auto, heeft ingetrokken zijn partijen het hier nog steeds over eens. Het hof houdt geen rekening met de omstandigheid dat de dienstbetrekking van de vrouw op 1 december 2025 is beëindigd en dat zij sindsdien een WW-uitkering ontvangt. De vrouw heeft haar verzoek namelijk niet vermeerderd of gewijzigd, omdat zij verwacht snel een nieuwe baan te vinden en de bandbreedte van haar behoeftigheid volgens haar beperkt wordt door de hoogte van de draagkracht van de man.
De vrouw heeft zo een netto besteedbaar inkomen van € 4.041,- per maand. De aanvullende behoefte van de vrouw bedraagt dan (behoefte minus haar netto besteedbaar inkomen) € 1.409,- netto per maand.
5.1
De vrouw heeft kosten voor de meerderjarige kinderen van partijen. Over de hoogte hiervan en de manier waarop deze moeten worden meegenomen in de berekening van de aanvullende behoefte van de vrouw verschillen partijen van mening. Volgens de man moet geen rekening worden gehouden met de kosten van de kinderen, volgens de vrouw wel en dan voor een bedrag van € 624,-.
5.11
In overeenstemming met de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie en net als de rechtbank, zal het hof rekening houden met een bedrag aan kosten kinderen. Aangezien de kosten van de kinderen nog niet zijn bepaald omdat de procedure bij de rechtbank hierover nog loopt, zal het hof aansluiten bij het minimum aan kosten dat door partijen is genoemd, namelijk een bedrag van € 624,-. Dit bedrag wordt over de ouders verdeeld naar rato van hun netto besteedbaar inkomen. De vrouw moet daarom (4.041 / 9.565 * 624 =) € 264,- dragen. Dit bedrag verhoogt haar aanvullende behoefte naar € 1.673 netto per maand. Dit is gelijk aan € 3.302 bruto per maand.
De draagkracht van de man
5.12
Partijen zijn het niet eens over de hoogte van de draagkracht van de man. De man vindt dat zijn draagkracht lager is dan wat de rechtbank heeft berekend en de vrouw vindt dat die draagkracht hoger is. Volgens de vrouw moet de draagkracht van de man berekend worden op basis van het fiscaal loon van de man in 2022, omdat het inkomen van de man in latere jaren niet representatief zou zijn. Bovendien, zo stelt de vrouw, heeft de rechtbank ten onrechte gerekend met het forfaitaire woonbudget. Volgens de vrouw zijn de werkelijke woonlasten van de man aanzienlijk lager.
5.13
Naar het oordeel van het hof slaagt de grief van de vrouw, dat voor de berekening van de draagkracht van de man zijn fiscaal loon in 2022 als uitgangspunt moet gelden, niet. Het hof verwijst hierbij naar de motivering zoals opgenomen in overweging 5.7.
De grief van de vrouw die ziet op het forfaitaire woonbudget slaagt naar het oordeel van het hof wel. Door de vrouw is onweersproken gesteld dat de werkelijke woonlasten van de man
€ 817,- bruto per maand bedragen. Dit is duurzaam een aanzienlijk lager bedrag dan het door de rechtbank berekende forfaitaire woonbudget van € 1.658,-. De man heeft geen dubbele woonlasten meer sinds de echtelijke woning is verkocht in augustus 2025 en er is sprake van een tekort om in de behoefte van de vrouw te voorzien zodat naar het oordeel van het hof vanaf 1 september 2025 gerekend moet worden met de werkelijke woonlasten van de man. Tot 1 september 2025 zal het hof net als de rechtbank rekenen met het zogenoemde woonbudget van 30% (waartegen geen bezwaar is gemaakt door de man).
Het hof gaat uit van een periodesalaris van € 8.970,- per maand (zoals blijkt uit de salarisspecificatie over 2025 van de man), exclusief 8% vakantietoeslag. Het hof vermindert dit met een pensioenpremie van € 457,57 per maand, de WIA-hiaatverzekering van € 10,84 per maand, de WIA-hiaatverzekering 35- van € 5,31 per maand, de ANW-verzekering van € 82,94 per maand en de WIA excedent van € 35,71 per maand. Het hof houdt rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Het netto besteedbaar inkomen van de man bedraagt € 5.524,- per maand.
28 april 2025 tot 1 september 2025
5.14
Rekening houdend met het forfaitaire woonbudget en het forfaitaire bedrag voor redelijke kosten van levensonderhoud resteert een draagkracht van € 1.534,- per maand.
De man draagt ook bij in de kosten van de kinderen. Zoals hiervoor bij 5.11 is overwogen houdt het hof rekening met een bedrag van € 624,- per maand aan kosten kinderen. Dit bedrag moet naar rato van het netto besteedbaar inkomen van partijen verdeeld worden. Dit betekent dat de man nu (5.524 / 9.565 * 624=) € 360,- moet bijdragen.
Er blijft dan (1.534 – 360=) € 1.174,- netto per maand over voor partneralimentatie. Dit komt neer op een bedrag van € 1.877,- bruto per maand.
Vanaf 1 september 2025
5.15
Rekening houdend met de werkelijke woonlasten van de man en het forfaitaire bedrag voor redelijke kosten van levensonderhoud resteert een draagkracht van € 2.038,- per maand.
Rekening houdend met de kosten van de kinderen, blijft er (2.038 – 360=) € 1.678,- netto per maand over voor partneralimentatie. Dit komt neer op een bedrag van € 2.683,- bruto per maand.
Inkomensvergelijking
5.16
De man heeft verzocht om een inkomensvergelijking. In het algemeen geldt dat de partner die alimentatie ontvangt niet in een betere financiële positie mag komen door de partneralimentatie dan de onderhoudsplichtige. De rechter kan op verzoek van partijen hun – na betaling van de partneralimentatie resterende – inkomens met elkaar vergelijken door te berekenen bij welk bedrag aan partneralimentatie het besteedbaar inkomen van partijen gelijk is.
Het hof passeert de stelling van de vrouw dat voor de inkomensvergelijking gerekend moet worden met het inkomen dat zij op dit moment ontvangt (een WW-uitkering). Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de vrouw toegelicht dat zij verschillende sollicitatieprocedures heeft lopen en dat zij verwacht binnen afzienbare tijd weer eigen inkomsten te genereren. Het hof rekent met de kosten van de kinderen zoals berekend onder 5.11 en 5.14. Uit de berekening blijkt dat de vrouw, in de periode van 28 april 2025 tot
1 september 2025, bij een partneralimentatie van € 1.221 bruto per maand niet meer vrij te besteden overhoudt dan de man. Vanaf 1 september 2025 houdt de vrouw bij een partneralimentatie van € 1.223 bruto per maand niet meer vrij te besteden over dan de man.
Conclusie partneralimentatie
5.17
Het hof zal hierna dan ook bepalen dat de man met ingang van 28 april 2025 aan de vrouw een bedrag van € 1.221 bruto per maand zal voldoen in de kosten van haar levensonderhoud en met ingang van 1 september 2025 aan de vrouw een bedrag van € 1.223 bruto per maand zal voldoen in de kosten van haar levensonderhoud.
Omdat het hof de alimentatie pas in 2026 vaststelt, zal het bedrag aan partneralimentatie gelet op artikel 1:402a Burgerlijk Wetboek voor het eerst in 2027 worden geïndexeerd. Aldus loopt de vrouw de indexering van de in 2026 berekende partneralimentatie mis. Om de partneralimentatie te laten voldoen aan de wettelijke maatstaven zal het hof daarom de bedragen per 2026 indexeren. Dit betekent dat de door de man te betalen partneralimentatie met ingang van 1 januari 2026 € 1.279 per maand bedraagt.
Terugbetaling
5.18
Zoals hiervoor overwogen hanteert het hof als ingangsdatum van de partneralimentatie 28 april 2025.
De man heeft de partneralimentatie zoals de rechtbank die heeft vastgesteld tot nu toe geheel betaald, vanaf juni 2025 (verweerschrift in incidenteel hoger beroep randnummer 9.2). Omdat de door het hof vastgestelde alimentatieverplichting tot 1 september 2025 (€ 1.221) en vanaf 1 september 2025 (€ 1.223) lager is dan de verplichting die de rechtbank heeft opgelegd (€ 1.879 zonder indexering) moet het hof beoordelen of en in hoeverre van de vrouw in redelijkheid kan worden gevraagd dat zij het te veel ontvangene (te begroten op
3 x € 658 + 6 x € 656 =) € 5.910 aan de man terugbetaalt. Daarbij is onder meer relevant in hoeverre de ontvangen alimentatie is verbruikt, of de vrouw de alimentatie nodig had (behoefte), of de vrouw over de financiële middelen beschikt om terug te betalen en het belang van de man bij terugbetaling van de alimentatie. De aanvullende behoefte van de vrouw was hoger dan de draagkracht van de man zodat de ontvangen alimentatie verbruikt zal zijn. Dat de vrouw beschikt over een bedrag uit de opbrengst van de verkoop van de echtelijke woning, ook nadat de vrouw een eigen woning heeft gekocht, heeft de vrouw onvoldoende weerlegd. Zij stelt dat zij de resterende opbrengst heeft aangewend voor de verbouwing van haar woning en voor de aflossing van de advocaatkosten. Ook heeft zij een auto aangeschaft omdat zij na het einde van haar dienstverband de leaseauto moest inleveren. Zij heeft niet inzichtelijk gemaakt om welke bedragen het gaat. Dat de man geld heeft geleend om aan de alimentatieverplichting te kunnen voldoen heeft de vrouw niet voldoende weersproken, zodat het hof daarvan uitgaat. Op grond van al deze omstandigheden kan van de vrouw in redelijkheid worden gevraagd dat zij terugbetaalt wat zij te veel heeft ontvangen.

6.Aanhechten draagkrachtberekeningen

Het hof heeft een berekening van de draagkracht van de man en een inkomensvergelijking gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 30 juni 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 28 april 2025 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 1.221,- bruto per maand zal betalen, en met ingang van
1 september 2025 € 1.223,- bruto per maand en met ingang van 1 januari 2026 € 1.279,- bruto per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, J.H. Lieber en R. Krijger, bijgestaan door mr. K.E. Vaartjes-de Wit als griffier, en is op 26 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Draagkracht [verzoeker] tot 1 september 2025
Partij
[verzoeker]
Zaak
[verzoeker] / [verweerster]
Berekening
[verzoeker] / [verweerster]
Tarieven
2025-1
Datum uitdraai
23-02-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
41
Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking
107.64
44
Vakantietoeslag
8.611
Bruto inkomsten
116.251
Premies (51-59)
Pensioenpremie
51
Ingehouden pensioenpremie
-
5.484
53
Aanvullende pensioenpremie / premie reparatie WAO/WIA-gat
-
1.613
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
109.154
59
Inkomsten
109.154
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
109.154
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
109.154
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
13.769
- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817
14.383
- Schijf 3, 49,5% over € 76.818 of meer
16.006
95
Inkomensheffing box 1
44.158
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
109.154
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
44.158
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
1.297
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
42.861
Inkomen na aftrek inkomensheffing
66.293
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
jaar
Arbeidskorting
1.297
jaar
120
Besteedbaar inkomen
66.293
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
66.293
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
5.524
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar)
66.293
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand)
5.524
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
120b
Netto besteedbaar inkomen tbv partneralimentatie
5.524
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122b
Kosten van levensonderhoud
1.31
123b
Woonbudget
1.657
135b
Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie
2.967
136b
Draagkrachtruimte
2.557
Draagkracht tbv partneralimentatie
136b
Draagkrachtruimte
2.557
137b
Draagkrachtpercentage
%
60
Draagkracht tbv partneralimentatie
1.534
140
Beschikbaar
1.534
Partneralimentatie (141-144)
141
Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting)
-
360
Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie
-
Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting)
-
360
142
Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen
Berekende ruimte voor partneralimentatie
1.174
143
Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel
1.174
144
Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie)
1.877
Specificaties voor post: 144
Het beschikbare nettobedrag voor partneralimentatie van € 14.088 per jaar wordt gebruteerd in Box 1 bij een belastbaar inkomen van:
109.154
jaar
In de schijf van 37,48% valt € 14.088, € 14.088 x ( 100 / (100 - 37,48)) =
22.534
jaar
In de schijf van 37,48% valt € 0, € 0 x ( 100 / (100 - 37,48)) =
jaar
In de schijf van 35,82% valt € 0, € 0 x ( 100 / (100 - 35,82)) =
jaar
Het resultaat van de brutering is per jaar
22.534
jaar
Of per maand
1.877
maand
Draagkracht [verzoeker] vanaf 1 september 2025
Partij
[verzoeker]
Zaak
[verzoeker] / [verweerster]
Berekening
[verzoeker] / [verweerster]
Tarieven
2025-1
Datum uitdraai
23-02-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
41
Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking
107.64
44
Vakantietoeslag
8.611
Bruto inkomsten
116.251
Premies (51-59)
Pensioenpremie
51
Ingehouden pensioenpremie
-
5.484
53
Aanvullende pensioenpremie / premie reparatie WAO/WIA-gat
-
1.613
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
109.154
59
Inkomsten
109.154
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
109.154
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
109.154
- Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501)
13.769
- Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817
14.383
- Schijf 3, 49,5% over € 76.818 of meer
16.006
95
Inkomensheffing box 1
44.158
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
109.154
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
44.158
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
1.297
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
42.861
Inkomen na aftrek inkomensheffing
66.293
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
jaar
Arbeidskorting
1.297
jaar
120
Besteedbaar inkomen
66.293
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
66.293
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
5.524
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar)
66.293
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand)
5.524
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
120b
Netto besteedbaar inkomen tbv partneralimentatie
5.524
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122b
Kosten van levensonderhoud
1.31
123b
Werkelijke woonlasten
817
135b
Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie
2.127
136b
Draagkrachtruimte
3.397
Draagkracht tbv partneralimentatie
136b
Draagkrachtruimte
3.397
137b
Draagkrachtpercentage
%
60
Draagkracht tbv partneralimentatie
2.038
140
Beschikbaar
2.038
Partneralimentatie (141-144)
141
Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting)
-
360
Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie
-
Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting)
-
360
142
Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen
Berekende ruimte voor partneralimentatie
1.678
143
Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel
1.678
144
Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie)
2.683
Specificaties voor post: 144
Het beschikbare nettobedrag voor partneralimentatie van € 20.148 per jaar wordt gebruteerd in Box 1 bij een belastbaar inkomen van:
109.195
jaar
In de schijf van 37,48% valt € 20.148, € 20.148 x ( 100 / (100 - 37,48)) =
32.226
jaar
In de schijf van 37,48% valt € 0, € 0 x ( 100 / (100 - 37,48)) =
jaar
In de schijf van 35,82% valt € 0, € 0 x ( 100 / (100 - 35,82)) =
jaar
Het resultaat van de brutering is per jaar
32.226
jaar
Of per maand
2.685
maand