ECLI:NL:GHARL:2026:1190

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
21-004451-23
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 48 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van medeplegen snelkraken juwelierszaken

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 27 februari 2026 in hoger beroep het vonnis van de rechtbank Overijssel vernietigd en de verdachte vrijgesproken van het medeplegen en medeplichtig zijn aan twee snelkraken bij juweliers in Ermelo en Zwolle. De rechtbank had de verdachte eerder ook vrijgesproken, maar het hof vernietigde het vonnis om redenen van doelmatigheid en deed opnieuw recht.

Het bewijs bestond voornamelijk uit DNA-sporen van de verdachte op inbrekersgereedschap dat bij de snelkraken was aangetroffen. Het NFI-rapport toonde aan dat het DNA-profiel van de verdachte met hoge waarschijnlijkheid overeenkwam met het materiaal op de stootijzers, krik en hamer. De officier van justitie stelde dat de verdachte een onmisbare schakel was en dat zijn verklaring voor het DNA op het gereedschap niet aannemelijk was.

De verdediging voerde aan dat er geen wettig en overtuigend bewijs was voor medeplegen of medeplichtigheid, omdat het vereiste dubbele opzet ontbrak. Het hof oordeelde dat het DNA-materiaal verplaatsbaar is en niet vaststaat wanneer en hoe het op het gereedschap terecht is gekomen. Ook is niet vastgesteld dat de verdachte bij de inbraken aanwezig was of nauw en bewust heeft samengewerkt met de daders.

De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de verdachte niet schuldig werd bevonden. Het hof bepaalde dat beide partijen hun eigen kosten dragen.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van medeplegen en medeplichtigheid aan snelkraken.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004451-23
Uitspraakdatum: 27 februari 2026
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 26 september 2023 met parketnummer 08-040996-23 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle .

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 13 februari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. M.J. van den Hoonaard, en de benadeelde partij hebben aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank Overijssel heeft – kort gezegd - de verdachte vrijgesproken van alle aan hem ten laste gelegde feiten, te weten het medeplegen van dan wel het medeplichtig zijn aan twee snelkraken van juweliers in [plaats 1] en [plaats 2] . De vordering van de benadeelde partij is daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Het hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.

Beslissing hof

Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van telkens het onder feit 1 en 2 primair tenlastegelegde feit, te weten het medeplegen van de beide snelkraken.
Hiertoe heeft zij uitgebreid onderbouwd dat er in of nabij de winkelpanden belastend bewijs is gevonden waarvoor de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven en verder aangevoerd dat de verdachte een onmisbare schakel is geweest bij de gepleegde snelkraken. De verdachtes verklaring voor zijn DNA op de bij de snelkraken gebruikte gereedschappen - namelijk dat hij deze mogelijk per toeval heeft aangeraakt tijdens het sleutelen aan scooters bij derden - acht zij onaannemelijk.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van alle tenlastegelegde varianten, omdat er geen sprake is van wettig en overtuigend bewijs voor medeplegen en ook niet voor medeplichtigheid nu het vereiste dubbele (voorwaardelijke) opzet bij de verdachte ontbreekt.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het
medeplegenvan de snelkraken bij juweliers in [plaats 1] en [plaats 2] en dat evenmin wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan
medeplichtigheidaan die snelkraken.
Het hof overweegt hierover het volgende.
Het hof verenigt zich met (een deel van) de overwegingen van de rechtbank en neemt deze overwegingen hieronder cursief over. Waar in de hierna cursief weergegeven tekst ‘de rechtbank’ staat vermeld moet ‘het hof’ worden gelezen. Aanvullingen van het hof worden niet-cursief weergegeven.
De resultaten van het uitgebreide opsporingsonderzoek die de advocaat-generaal ter onderbouwing van haar standpunt heeft opgesomd, zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende om een bewezenverklaring van zowel het onder 1 en 2 primair als subsidiair tenlastegelegde te kunnen dragen. In het dossier zijn enkel de DNA sporen op de bij de kraken aangetroffen gereedschappen direct aan de verdachte te linken.
Op 1 september 2022 tussen 04:58 uur en 05:00 uur heeft er een inbraak in juwelierszaak [naam juwelierszaak 1] aan de [adres 2] in [plaats 1] plaatsgevonden. Bij sporenonderzoek in de juwelierszaak zijn twee stootijzers en een domme kracht (krik) aangetroffen en veiliggesteld. Van deze voorwerpen zijn bemonsteringen genomen. Uit het NFI-rapport van 22 december 2022 blijkt dat uit de bemonstering van één van de stootijzers (AAPY7631NL#01) een enkelvoudig DNA-profiel is verkregen. Het DNA-profiel van de verdachte komt overeen met dit profiel. Het DNA-profiel uit de bemonstering is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer - kort gezegd - verdachte de donor is dan wanneer dit niet zo is. De rechtbank concludeert hieruit dat verdachte de donor is van het celmateriaal op dit stootijzer dat bij de inbraak in [plaats 1] is gebruikt.
Op 26 oktober 2022 tussen 04:17 uur en 04:21 uur heeft er een inbraak plaatsgevonden in juwelierszaak [naam juwelierszaak 2] aan de [adres 3] in [plaats 2] . Bij sporenonderzoek in de juwelierszaak zijn twee stootijzers, een domme kracht (krik) en een hamer aangetroffen en veiliggesteld. Uit het NFL-rapport van 6 februari 2023 blijkt dat uit de bemonstering van de domme kracht (krik) (AAOH0799NL#01) een enkelvoudig DNA-profiel is verkregen. Het DNA-profiel van verdachte komt overeen met dit profiel. Het DNA-profiel uit de bemonstering is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer - kort gezegd – verdachte de donor is dan wanneer dit niet zo is. De rechtbank concludeert hieruit dat verdachte de donor is van liet celmateriaal op de domme kracht (krik) die bij de inbraak in [plaats 2] is gebruikt.
Uit het NFI-rapport van 6 februari 2023 blijkt verder dat uit de bemonstering van het handvat van de hamer (AAOH0802NL#01) een DNA-mengprofiel van minimaal twee donoren is verkregen. Het DNA-profiel van verdachte komt overeen met dit DNA mengprofiel. Het DNA-profiel is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer - kort gezegd - verdachte één van de donoren is dan wanneer dit niet zo is. De rechtbank concludeert hieruit dat verdachte de donor is van een deel van het celmateriaal op de hamer die bij de inbraak in [plaats 2] is gebruikt.
Medeplegen?
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of bovenstaande voldoende is voor een bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde inbraken. Het feit dat DNA-materiaal van verdachte op het bij de inbraken gebruikte inbrekersgereedschap is aangetroffen, kan een aanwijzing zijn voor betrokkenheid van verdachte bij deze inbraken, maar is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Er is sprake van ' verplaatsbaar' DNA. Op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld wanneer en hoe dit DNA van verdachte op het gereedschap terecht is gekomen. (…) Hierbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat de personen die de inbraken hebben gepleegd blijkens de camerabeelden handschoenen droegen.
Het op verschillende plekken en bij verschillende inbraken op diverse gereedschappen aangetroffen DNA-materiaal van de verdachte is weliswaar een sterke aanwijzing voor zijn betrokkenheid bij deze feiten maar kan bij deze stand van zaken niet zonder meer als daderspoor worden aangemerkt. Er is immers niet vast komen te staan wanneer, onder welke omstandigheden, en door welk handelen verdachtes’ DNA op de gereedschappen terecht is gekomen en dat dit alleen mogelijk is geweest doordat de verdachte als één van de uitvoerders van de snelkraken daarbij deze gereedschappen heeft gebruikt. Het is ondanks het uitgebreide onderzoek van de politie verder onbekend gebleven wie de uitvoerders van de inbraken zijn geweest en hoe de verdachte zich tot hen en de gepleegde feiten verhoudt. De door de advocaat-generaal aangevoerde omstandigheden kunnen -ook niet in samenhang beschouwd- als (steun)bewijs van voldoende gewicht worden aangemerkt. Het gebrek aan enig ander bewijs van voldoende waarde om belastende conclusies te verbinden aan het van de verdachte aangetroffen DNA maakt dat het hof de mogelijke betrokkenheid van de verdachte als medepleger van de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde inbraken niet kan vaststellen.
Nu op grond van de dossierstukken niet is gebleken dat verdachte één van de personen is die tijdens de inbraken in de panden aanwezig is geweest en daarbij uitvoeringshandelingen heeft verricht, en evenmin is gebleken dat verdachte op een andere wijze bij de ten laste gelegde inbraken betrokken is geweest en met de daders nauw en bewust heeft samengewerkt, is het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde niet bewezen en zal verdachte daarvan worden vrijgesproken.
Medeplichtig?
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte met zijn handelingen
medeplichtig is geweest aan de inbraken.
De rechtbank stelt voorop dat voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op zijn handelingen als medeplichtige als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 1° of 2° van het Wetboek van Strafrecht, maar ook dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf (het gronddelict). Zoals hiervoor is overwogen is het DNA van verdachte op het inbrekersgereedschap aangetroffen, maar is niet gebleken dat hij bij de inbraken aanwezig is geweest.Het hof acht de algemene verklaring die de verdachte eerst ter zitting van de rechtbank heeft gegeven voor het aantreffen van zijn DNA-materiaal niet aannemelijk geworden omdat enige steun voor die verklaring ontbreekt. De verdachte heeft immers geweigerd om concrete informatie te verstrekken over de plaatsen waar hij zou hebben gesleuteld aan brommers van anderen bij gelegenheid waarvan dan mogelijk -naar zijn zeggen- zijn DNA op gereedschappen terecht zou kunnen zijn gekomen. De verdachte heeft evenmin namen willen geven van die andere personen en ook niet willen zeggen wie de personen zijn geweest, die hem zouden hebben verzocht om op internet te zoeken naar goederen soortgelijk aan de bij de snelkraken gebruikte goederen. Dat die andere personen betrokken zijn geweest bij het (mede)plegen van de aan de verdachte tenlastegelegde snelkraken en dat de verdachte dit op enigerlei wijze heeft ondersteund, is uit het onderzoek echter onvoldoende gebleken. De door de advocaat-generaal verder aangevoerde omstandigheden - zoals de zoekslagen op Marktplaats naar specifieke gereedschappen en de beschikking van de verdachte ten tijde van deze feiten over een Volkswagen Golf - maken dit niet anders. Bij gebrek aan enig ander (steun)bewijs maakt dat het hof de mogelijke (voorwaardelijke) opzet op de verdachtes betrokkenheid niet kan vaststellen. Dit betekent dat het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde evenmin is bewezen en dat de verdachte daarvan ook zal worden vrijgesproken.

Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] (juwelier [naam juwelierszaak 2] ) heeft met betrekking
op het onder 2 ten laste gelegde een vordering tot schadevergoeding van € 50.013,00 ingediend. De rechtbank heeft deze vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft diens vordering gehandhaafd, waardoor de vordering in hoger beroep in zijn geheel aan de orde is.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd om de vordering geheel toe te wijzen., met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de bepleitte vrijspraak.
Oordeel van het hof
De verdachte wordt niet schuldig verklaard aan het onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde handelen waardoor de schade zou zijn ontstaan. Daarom is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij Juwelier [naam juwelierszaak 2]

Verklaart de benadeelde partij Juwelier [naam juwelierszaak 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door mr. A.J. Smit, mr. G. Mintjes en mr. F.E.J. Goffin, in aanwezigheid van de griffier mr. M.J. de Groot - van de Ruitenbeek en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 27 februari 2026.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 27 februari 2026.
Tegenwoordig:
mr. G. Mintjes, voorzitter,
mr. V.T.R.W. van Thiel, advocaat-generaal,
mr. L. Jansen, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.