De vader en moeder zijn de ouders van een minderjarige geboren in 2018. De moeder heeft het gezag en het kind woont bij haar. De vader verzocht de rechtbank om gezamenlijk gezag, maar dit verzoek werd afgewezen. De vader ging in hoger beroep tegen deze beslissing.
Het hof verwijst naar de eerdere beschikkingen van de rechtbank en baseert zich op het juridisch kader van artikel 1:253c lid 1 en 2 BW. Uit onderzoek blijkt dat er sprake is geweest van geweld, dreigingen en een onveilige situatie tussen de ouders, wat het kind belast. De raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instelling adviseerden dat gezamenlijk gezag de ongezonde dynamiek zou versterken.
Hoewel er enige stabiliteit was, is de communicatie tussen de ouders recentelijk weer verslechterd. De ouders zijn niet in staat om gezamenlijk op een verantwoorde wijze het gezag uit te oefenen. Het hof concludeert dat het belang van het kind prevaleert en bekrachtigt de bestreden beschikking, waarbij het verzoek van de vader wordt afgewezen.