Uitspraak
1.Het verloop van de procedure bij het hof
2.De kern van de zaak
€ 14.580,- en voor het overige afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de toegewezen vordering alsnog wordt afgewezen.
3.De toelichting op de beslissing van het hof
Relevante feiten
Op 9 juni 2023 zijn de aandelen in GoedInvest geleverd aan [naam1] en diens vennootschap 2AC Beheer.
‘
[handelsnaam] zal met Ressi (de verhuurder) voor eigen rekening en risico afspraken maken over de huur van bedrijfsruimte aan de [adres] te ( [postcode] ) [vestigingsplaats] met terugwerkende kracht vanaf 14 februari 2023. (…) Ressi tekent deze Overeenkomst mee onder andere ten blijke van haar akkoord met de hiervoor omschreven afspraken met Verkoper [hof: de curator].’
‘
Namens Goedinvest B.V. (…) delen wij u het volgende mede.Sinds 14 februari 2023 is een huurovereenkomst tot stand gekomen waarbij de huur maandelijks is voldaan. Door het ontbreken van een schriftelijke (rechtsgeldig) ondertekende huurovereenkomst bedraagt de wettelijke minimale opzegtermijn één maand.Gelet op de hiervoor genoemde feiten zeggen we de huurovereenkomst per direct op waarbij, rekening houdend met een maand opzegtermijn, de huurovereenkomst eindigt na 29 februari 2024.Vanaf 1 maart 2024 staat het gehuurde weer tot uw beschikking.’
De formele vereisten voor een cessie zijn in acht genomen
Ten aanzien van Chrysoliet staat niet ter discussie dat ten tijde van de cessie [naam2 B.V.] B.V. (hierna: [naam2 B.V.] ) haar bestuurder was en dat [naam2] toen de alleen/zelfstandig bevoegde bestuurder van [naam2 B.V.] was.
3.20 Dat tussen partijen een mondelinge huurovereenkomst heeft bestaan, heeft GoedInvest niet bestreden. Zij heeft ook geen argumenten aangevoerd tegen de juistheid van de vaststelling door de kantonrechter dat tussen Ressi en GoedInvest met ingang van
14 februari 2023 sprake was van een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd. Dat ligt ook niet voor de hand omdat zij steeds heeft betoogd dat sprake was van een overeenkomst voor onbepaalde tijd en zijzelf deze overeenkomst ook heeft opgezegd in haar brief van 31 januari 2024 (zie 3.8). Ook heeft zij het oordeel van de kantonrechter niet bestreden dat deze overeenkomst op 31 maart 2024 (en niet op 29 februari 2024) door opzegging is geëindigd. Ten slotte heeft zij niet bestreden dat, indien ervan moet worden uitgegaan dat tussen haar en Ressi een mondelinge huurovereenkomst heeft bestaan die op 31 maart 2024 is geëindigd, nog sprake is van een huurschuld van € 14.580,-, het door de kantonrechter toegewezen bedrag.
€ 14.580,- falen. Dit bedrag is toewijsbaar op basis van de subsidiaire grondslag van de vordering van Chrysoliet, een mondelinge huurovereenkomst voor onbepaalde tijd. Bij die uitkomst kan in het midden blijven of de vordering ook op basis van de primaire grondslag
- een schriftelijk aangegane huurovereenkomst voor de duur van vijf jaren - toewijsbaar is. [3]