Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak gaat het om een hoger beroep betreffende het gezag over de minderjarige [de minderjarige1] na de echtscheiding van de ouders. De vader, die in hoger beroep is gekomen, heeft een strafrechtelijke veroordeling voor het bezit van kinderporno en is verminderd toerekeningsvatbaar verklaard. De rechtbank Midden-Nederland had op 23 januari 2025 bepaald dat de moeder alleen het gezag over [de minderjarige1] zou krijgen. De vader verzoekt het hof deze beschikking te vernietigen en het verzoek van de moeder tot eenhoofdig gezag af te wijzen. De moeder verzet zich hiertegen en vraagt het hof de beschikking te bekrachtigen.
De mondelinge behandeling vond plaats op 9 december 2025, waarbij de moeder en haar advocaat aanwezig waren, evenals de advocaat van de vader en een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming. Het hof oordeelt dat de vader, door zijn strafrechtelijke veroordeling en het ontzeggen van het recht op omgang met [de minderjarige1], niet in staat is om het gezag uit te oefenen. De moeder heeft inmiddels meerdere beslissingen over [de minderjarige1] genomen zonder dat dit tot problemen heeft geleid, wat in het belang van het kind is. Het hof bevestigt de eerdere beslissing van de rechtbank en bekrachtigt de beschikking, waarbij de proceskosten worden gecompenseerd.