ECLI:NL:GHARL:2026:1281

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
200.362.620/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Mededingingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep afwijzing verbod concurrerende Arbogerelateerde activiteiten na ontvlechtingsovereenkomst

Sentium c.s. vorderde dat [appelanten] c.s., waaronder een voormalig medewerker en medeaandeelhouder van een dochtervennootschap, zich zouden onthouden van concurrerende activiteiten op het gebied van Arbogerelateerde dienstverlening. De kantonrechter had deze vorderingen toegewezen met een dwangsom tot 1 oktober 2026.

In hoger beroep oordeelt het hof dat onvoldoende onderbouwing bestaat voor een dergelijk verbod. De arbeidsovereenkomsten bevatten geen concurrentiebeding, en de niet-geformaliseerde aandeelhoudersovereenkomst bevatte slechts beperkte verboden die niet strekken tot een algemeen verbod op Arbogerelateerde activiteiten. Ook de ontvlechtingsovereenkomst bevatte geen separaat concurrentiebeding en voorzag niet in een verbod voor [appelante2] om binnen haar nieuwe onderneming dergelijke werkzaamheden te verrichten.

De vorderingen tegen de gedetacheerden [appellante3] en [appellante4] falen eveneens, omdat zij geen kennis hadden van de ontvlechtingsafspraken en geen concurrentiebeding hadden. Het hof wijst ook het incidenteel appel van Sentium c.s. af dat strekte tot verlenging van de termijn en verhoging van de dwangsommen.

Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter, wijst de vorderingen af, veroordeelt Sentium c.s. tot terugbetaling van reeds betaalde bedragen en tot betaling van de proceskosten van [appellanten] c.s. in beide instanties.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vorderingen van Sentium c.s. af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.362.620/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 11922667
arrest in kort geding van 3 maart 2026
in de zaak van

1.de vennootschap onder firma Your Next Arbo

die kantoor houdt in Urk

2. [appelante2] , vennoot van Your Next Arbo

die woont in [woonplaats1]

3. [appellante3] , vennoot van Your Next Arbo

die woont in [woonplaats2]

4. [appellante4] , vennoot van Your Next Arbo

die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. D.C.J. Bogerd
tezamen te noemen
[appellanten] c.s.
en

1.OZD ERD B.V.

2. Sentium B.V.
die beide zijn gevestigd in [vestigingsplaats]
advocaat: mr. M. Lodewijkx-Spithoff
tezamen te noemen
Sentium c.s.

1.Het verloop van de procedure in hoger beroep

Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit
  • de appeldagvaarding met grieven gericht tegen het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 25 november 2025,
  • de memorie van antwoord waarin ook door Sentium c.s. zogenoemd ‘incidenteel’ hoger beroep is ingesteld,
  • het antwoord op de grieven in die memorie
  • en het verslag van de op 30 januari 2026 gehouden mondelinge behandeling bij het hof (het proces-verbaal).
Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

2.De kern van de zaak

De kern van het geschil
2.1
In deze zaak vorderen Sentium c.s. dat [appellanten] c.s. wordt opgedragen zich te onthouden van concurrerende activiteiten op het gebied van Arbogerelateerde dienstverlening.
2.2
Het hof zal beslissen dat deze vorderingen niet kunnen worden toegewezen en licht dat hierna toe. Eerst zal echter de feitelijke achtergrond en de bestreden beslissing worden geschetst.
De feiten en de bestreden beslissing
2.3
Sentium is actief in de Arbogerelateerde dienstverlening in [woonplaats1] en [locatie1] en handelt onder de naam Ontzorgdesk.
2.4
De heer [naam1] en mevrouw [naam2] zijn (middellijk) eigenaar/bestuurder van Sentium. Zij waren dat ook bij de oprichting van OZD ERD, een dochteronderneming van Sentium die is opgericht voor de uitvoering van de Ziektewet voor relaties die kiezen voor eigen-risicodragerschap [1] . Ook binnen deze vennootschap werden Arbogerelateerde diensten verleend.
2.5
[appelante2] is van 1 januari 2023 tot 1 maart 2024 als casemanager in dienst geweest bij Sentium. Daarna is zij als operationeel directeur bij OZD ERD in dienst getreden. Zij werd toen ook (indirect) voor een derde eigenaar van die vennootschap. OZD ERD is daarna mede werkzaam geweest onder de handelsnaam OZD Advies, omdat [appelante2] zich is gaan richten op het adviseren over arbeidsrecht, sociaal recht en HR-vraagstukken.
2.6
Op 27 mei 2024 heeft [naam2] een concept arbeidsovereenkomst en functieprofiel aan [appelante2] gestuurd. Dat concept is nooit getekend.
2.7
Op 22 augustus 2024 is ter nadere vastlegging van de aandelenoverdracht aan [appelante2] en haar Holding een notarieel concept aandeelhoudersovereenkomst OZD ERD opgesteld. Die overeenkomst is niet verleden.
2.8
OZD ERD en [appelante2] hebben op 3 maart 2025 een ‘ontvlechtingsdocument’ ondertekend waarin het volgende is opgenomen.
Voorstel ontvlechtingOZD ERD/Advies
Na verschillende gesprekken zijn de bestuurders van OZO ERD/Advies tot de conclusie gekomen dat we geen toekomst zien in de huidige structuur van het bedrijf. Bestuurder [appelante2] heeft twee voorstellen ingebracht en in overleg tot een samenwerking over te gaan. Onderstaand een voorstel van bestuurders [naam1] ( [naam1] ) en [naam2] ( [naam2] ) v.w.b. de toekomst van OZO ERD/Advies. OZD ERD/Advies blijft niet in zijn huidige vorm bestaan.
[appelante2] treedt per 1 maart af als bestuurder van OZD ERD/Advies en biedt haar aandelen aan de zittende aandeelhouders aan.
De arbeidsovereenkomst met [appelante2] eindigt op l maart 2025 (01-03-2025). Bestuurders [naam1] en [naam2] zijn er niet van overtuigd dat het haalbaar is om de hoeveelheid van diensten in te blijven kunnen zetten welke nu geboden worden.
Bestuurders [naam1] en [naam2] willen met OZDERD alleen verder gaan met de volgende aan arbodienstverlening gerelateerde dienstverlening:
• ZWERD
• 2e spoor
• Re-integratie activiteiten
• Casemanagement WvP, ZW en WIA
• loopbaan coaching
- Bestuurder [appelante2] is bezig met het opzetten van een nieuw bedrijf, hierna genoemd bedrijf X Met bedrijf X wil ze o.a. een deel van de dienstverlening voorzetten welke ontwikkeld is bij OZD ERD/Advies waar zowel qua tijd als geld een flinke investering tegenover staat van bestuurders [naam1] en [naam2] .
- Bestuurders [naam1] en [naam2] zien vanwege een gebrek aan focus en inzet geen heil in een verdere intensieve samenwerking met bedrijf X zoals voorgesteld door bestuurder [appelante2] .
- Bestuurders [naam1] en [naam2] willen dan ook voorstellen om de dienstverlening te splitsen en de diensten gerelateerd aan arbodienstverlening (zoals hierboven genoemd) onder te blijven brengen bij OZD ERD en de overige dienstverlening onder te brengen bij bedrijf X Vanaf 1 maart scheiden de wegen van de bestuurders definitief en kan mevrouw [appelante2] zich richten op bedrijf X en daarbij de volgende dienstverlening:
• HR Advies (HR check, beoordelen en belonen)
• CAO Advies
• Interim HR • Werving en selectie
• Advies arbeidsrecht (bijbehorende juridische abonnementen
• Regres
•Assessments (..)"
Concurrentie
Bestuurders [naam1] en [naam2] stellen geen separaat concurrentiebeding op. Bovenstaande onderverdeling zal de basisverdeling zijn van opdrachten welke binnenkomen. Bestuurder [naam2] gaat (prijs)afspraken maken met [appelante2] /bedrijf X over opdrachten welke vanuit de providerboog door bedrijf X uitgevoerd kunnen worden voor OZD ERD of Sentium B.V.
2.9
[appellante4] was van 1 januari 2021 tot l maart 2025 in dienst van Sentium, laatstelijk in de functie van casemanager. Zij is tijdelijk gedetacheerd geweest bij OZD ERD (Advies), is wegens een zwangerschap uitgevallen en heeft de arbeidsovereenkomst gedurende die zwangerschap tegen l maart 2025 opgezegd. [appellante3] is via haar eenmanszaak als HR-adviseur werkzaam geweest voor OZD ERD (Advies), onder meer ter vervanging van [appellante4] .
2.1
Op l juni 2025 is Your Next Arbo opgericht, met [appelante2] , [appellante3] en [appellante4] als vennoten. Deze vennootschap biedt Arbogerelateerde dienstverlening aan.
2.11
Op grond van de hiervoor vastgestelde feiten heeft de Kantonrechter [appelante2] kort gezegd veroordeeld om tot 1 oktober 2026 alle Arbogerelateerde activiteiten en alle uitlatingen over dergelijke dienstverlening te staken. Aan die veroordeling is een dwangsom verbonden.
2.12
Your Next, [appellante4] en [appellante3] zijn ertoe veroordeeld zich te onthouden van het onrechtmatige handelen jegens Sentium c.s. door op oneigenlijke wijze misbruik te maken van de overtredingen van [appelante2] : tot 1 oktober 2026 moesten ook zij alle Arbo-gerelateerde activiteiten en uitlatingen daarover staken – een en ander eveneens op straffe van verbeurte van een dwangsom.
2.13
Het hoger beroep van [appellanten] c.s. strekt ertoe dat deze vorderingen alsnog geheel worden afgewezen, met veroordeling van Sentium c.s. in de kosten van beide procedures, en onder de verplichting tot terugbetaling van wat op grond van het bestreden vonnis door [appellanten] c.s. is betaald. Sentium c.s. wensen, zo begrijpt het hof, dat de veroordeling zich over een langere periode uitstrekt dan de kantonrechter heeft toegewezen, en dat de dwangsommen worden verhoogd.

3.De toelichting op de beslissing van het hof

Sentium c.s. hebben een spoedeisend belang bij hun vorderingen
3.1
Het spoedeisende belang dat Sentium c.s. bij hun vorderingen hebben, ligt in de aard daarvan besloten. De kantonrechter heeft die conclusie op goede gronden ook getrokken.
Voor toewijzing van de vorderingen van Sentium c.s. ontbreekt het aan voldoende onderbouwing
3.2
Dit kortgeding bevat slechts een voorlopig oordeel. Dat betekent dat het hof de vraag moet beoordelen of op voorhand kan worden aangenomen dat de bodemrechter later, in een definitieve beslissing, de gevorderde verboden en dwangsommen zou toewijzen. Die conclusie zou dan moeten worden gebaseerd op datgene wat nu over de gemaakte afspraken is aangevoerd en onderbouwd. Bij die beoordeling staat allereerst de vraag centraal of het [appelante2] tegenover Sentium c.s. was verboden om Arbogerelateerde diensten te verrichten en daarover uitlatingen te doen. Die vraag moet worden beantwoord op grond van de betekenis die partijen onder de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de ontvlechtingsovereenkomst en andere verklaringen en gedragingen mochten toekennen, en wat zij ten aanzien daarvan redelijkerwijs mochten verwachten. Voor bewijsvoering daarover biedt het kortgeding geen ruimte.
3.3
Zoals de kantonrechter al heeft vastgesteld, kan bij de beantwoording van deze vraag niet worden teruggegrepen op de met [appelante2] gesloten arbeidsovereenkomsten. Vaststaat namelijk dat dergelijke verboden in de onderlinge arbeidsverhoudingen niet zijn overeengekomen.
3.4
Dezelfde conclusie moet worden getrokken ten aanzien van de verplichtingen die [appelante2] als aandeelhouder van OZD ERD/Arbeid op zich heeft genomen. Op 22 augustus 2024 is een laatste versie van een notarieel concept aandeelhoudersovereenkomst OZD ERD opgesteld. Die overeenkomst is echter niet geformaliseerd (notarieel ‘verleden’) en bevatte bovendien - kort gezegd - alleen het verbod om twee jaar na beëindiging van de samenwerking bij OZD ERD/Arbeid (i) (te proberen) personen ertoe te bewegen hun contacten en/of contracten met OZD ERD/arbeid te verbreken en (ii) informatie van dit bedrijf voor derden toegankelijk te maken, dan wel informatie met betrekking tot afnemers of leveranciers of personen of instanties die met de vennootschap zaken doen. Een algemeen verbod om Arbogerelateerde activiteiten te verrichten of daarover uitlatingen te doen, valt hierin niet te lezen – laat staan dat een dergelijk verbod zich zou uitstrekken tot het bedrijfsdebiet van Sentium (waar [appelante2] nooit aandeelhouder van is geweest).
3.5
In de ontvlechtingsovereenkomst ten slotte, is uitdrukkelijk overwogen dat geen ‘separaat concurrentiebeding’ zou worden opgesteld. Impliciet is een dergelijk beding in die overeenkomst ook niet te lezen. Zoals partijen ter zitting van beide kanten hebben bevestigd, ging het er bij die ontvlechting namelijk vooral om dat de in OZD ERD/Advies ondergebrachte, nader omschreven Arbogerelateerde dienstverlening ten behoeve van eigenrisicodragers (een negental klanten) na de ontvlechting door [naam1] en [naam2] zou worden verzorgd. [appelante2] zou zich met haar nog op te richten vennootschap X (lees: Your Next) richten op HR-advies, CAO-advies, interim HR, werving en selectie, advies arbeidsrecht, regres en assessments. De bedoeling was dat deze partijen na de ontvlechting bij het uitvoeren van die taken zouden samenwerken. Terecht heeft [appelante2] er op dat moment blijk van gegeven dat zij in het kader van deze samenwerking uit het vaarwater van Sentium moest blijven. Al vrij snel bleek echter dat die samenwerking niet van de grond zou komen. Dat het [appelante2] vervolgens, drie maanden na de ontvlechting (gedurende enige periode) niet was toegestaan binnen haar eigen nieuwe onderneming zelf ook Arbogerelateerde werkzaamheden te verrichten (al dan niet binnen een afgebakend gebied), volgt niet zonder meer uit die afspraken. Verder is het ook niet onderbouwd. En ook hier geldt: laat staan dat een dergelijk verbod zich tot het bedrijfsdebiet van Sentium zou uitstrekken. De ‘ontvlechting OZD ERD/Advies’ zoals die in de overeenkomst is geformuleerd, had daarop immers geen betrekking.
3.6
De tegen Your Next Arbo, [appellante4] en [appellante3] ingestelde vorderingen zijn geheel gebaseerd op schending van het hiervoor besproken, niet aannemelijk gemaakte verbod. Daar moeten ook die vorderingen op stranden. Het hof voegt aan deze conclusie toe dat met de gedetacheerde [appellante4] en [appellante3] evenmin een concurrentiebeding was overeengekomen en dat niet aannemelijk is gemaakt dat zij überhaupt op de hoogte waren van de inhoud van de met [appelante2] gemaakte ontvlechtingsafspraken. Zonder dat laatste gaat ook het verwijt niet op dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan onrechtmatige concurrentie door welbewust te profiteren van de gestelde schending van die afspraken.
Overige discussiepunten, bewijs
3.7
[appellanten] c.s. hebben nog het verweer gevoerd dat de vorderingen in strijd zijn met artikel 6 van Pro de Mededingingswet. Dat verweer hoeft niet meer inhoudelijk te worden besproken, omdat de vordering op de hiervoor genoemde redenen al strandt. Ook de overige punten waarover is gediscussieerd, hoeven niet meer te worden besproken. Zoals gezegd, ziet het hof in dit kortgeding voor bewijsvoering geen ruimte.
Het hoger beroep van Sentium c.s. kan dus ook niet slagen
3.8
Voor zover het incidenteel appel ertoe strekt dat onderdelen van de beslissing van de kantonrechter moeten worden vernietigd, gaat het om verlenging van de opgelegde termijn en verhoging van de opgelegde dwangsommen. Die klachten hoeven evenmin inhoudelijk te worden besproken, omdat de vorderingen van Sentium c.s. niet kunnen worden toegewezen.
De conclusie
3.9
Het hoger beroep van [appellanten] c.s. slaagt, dat van Sentium c.s. niet. Omdat Sentium c.s. in het ongelijk zullen worden gesteld, zal het hof hen veroordelen tot betaling van de proceskosten in hoger beroep (het principale appel van [appellanten] c.s. en het eigen, incidentele appel van Sentium c.s. zelf), en de proceskosten bij de kantonrechter. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.

4.De beslissing

Het hof:
4.1
vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 25 november 2025 en wijst de vorderingen af;
4.2
veroordeelt Sentium c.s. tot terugbetaling aan [appellanten] c.s. van alles wat [appellanten] c.s. op grond van het vernietigde vonnis aan Sentium c.s. hebben betaald, te weten € 1.642,98;
4.3
veroordeelt Sentium c.s. tot betaling van de volgende proceskosten van [appellanten] c.s. tot aan de uitspraak van de kantonrechter:
nihil procedurele kosten
€ 814,00 aan salaris van de advocaat van [appellanten] c.s. (2 procespunten x het toepasselijke tarief)
en tot betaling van de volgende proceskosten van [appellanten] c.s. in hoger beroep (met inbegrip van het incidenteel appel):
€ 827,00 aan griffiekosten
€ 144,47 aan exploitkosten
€ 3.879,00 aan salaris van de advocaat van [appellanten] c.s. (3 procespunten x het toepasselijke tarief II)
4.4
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
4.5
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
4.6
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door M.W. Zandbergen, J.H. Kuiper en A. Elgersma, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
3 maart 2026.

Voetnoten

1.OZD ERD staat voor Ontzorgdesk Eigen-risicodragers.