ECLI:NL:GHARL:2026:1323

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
25/1409 tm 25/1412
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:15 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:37 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond wegens termijnoverschrijding door administratieve fout rechtbank

Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland, maar het hof verklaarde dit hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk wegens te late indiening. Belanghebbende tekende daarop verzet aan.

Uit het onderzoek bleek dat de rechtbank de uitspraak van 19 december 2024 niet per aangetekende brief aan de gemachtigde van belanghebbende had verzonden, waardoor de termijn voor hoger beroep niet op de juiste wijze was gestart. Belanghebbende kreeg pas op 17 april 2025 kennis van de uitspraak en stuurde direct een bericht aan de rechtbank waarin hij aangaf het niet eens te zijn met de uitspraak en hoger beroep wilde instellen.

Het hof oordeelde dat dit bericht als een hogerberoepschrift had moeten worden aangemerkt en doorgezonden naar het hof. Hierdoor was het hoger beroep tijdig ingesteld. Het verzet werd gegrond verklaard, de eerdere uitspraak van het hof kwam te vervallen en het onderzoek werd voortgezet. De inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en het hoger beroep wordt alsnog ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 25/1409 t/m 25/1412
uitspraakdatum:3 maart 2026
Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
op het verzet van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gedane uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer van dit Hof van 2 september 2025 op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 19 december 2024, nummers AWB 22/417, 22/419, 22/421 en 22/423, in het geding tussen belanghebbende
en
de inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Nijmegen(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft het hoger beroep bij uitspraak van 2 september 2025 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat belanghebbende het hogerberoepschrift onverschoonbaar te laat heeft ingediend.
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof verzet aangetekend.
1.3.
Het verzet is ter zitting van het Hof behandeld op 15 januari 2026. Ter zitting zijn gehoord belanghebbende en zijn gemachtigde J.J.T.A. Elbers. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Vaststaande feiten

2.1.
De uitspraak van de Rechtbank is gedagtekend 19 december 2024. Als gevolg van een administratieve fout aan de zijde van de Rechtbank, heeft de gemachtigde van belanghebbende eerst op 17 april 2025 van de uitspraak kennisgenomen.
2.2.
De gemachtigde van belanghebbende heeft op 17 april 2025 een bericht gestuurd naar de Rechtbank. In dit bericht heeft de gemachtigde onder meer het volgende geschreven:

Onlangs ontving ik van u 2 aangetekende brieven met de verwijzing naar de mogelijkheid van het digitale dossier. Deze berichten kwamen in 2 nieuwe zaken.
Hier ben ik op ingegaan en conform de procedure zijn deze 2 zaken deze week geopend en heb ik hierin ook gecommuniceerd. Dat loopt dus naar verwachting.
Gezien deze ervaringen heb ik nog een oud dossier ter hand genomen en ook aangevraagd en toegewezen gekregen. Dat zit nu ook in het digitale dossier.
Hierin zijn vandaag stukken ingebracht en hier heb ik kennis van genomen.
U kunt constateren dat ik dit dossier op 16 april 2025 heb ingebracht.
Tot mijn schrik constateer ik dat in de nu ingekomen stukken de uitspraak is opgenomen met de datum 19 december 2024.
Deze stukken hebben mij nimmer bereikt en wij zijn dan ook niet in staat geweest om tijdig kennis te nemen van de stukken en om op gepaste wijze te kunnen reageren.
Dit is geen gewenste situatie.
Op welke wijze kunnen we dit oplossen.
2.3.
Op 13 mei 2025 heeft de Rechtbank de gemachtigde van belanghebbende een reactie gestuurd naar aanleiding van het in 2.2. genoemde bericht van 17 april 2025. De Rechtbank heeft in dit bericht geschreven dat zij een administratieve fout heeft gemaakt en adviseert om alsnog hoger beroep in te stellen bij het Hof.
2.4.
Op 11 juni 2025 heeft de gemachtigde van belanghebbende een bericht gestuurd aan de Rechtbank waarin onder meer het volgende staat:
“Dank voor uw reactie.
Helaas ben ik momenteel nog tot 24 juni 2025 in het buitenland en kan derhalve niet op korte termijn het hoger beroepsschrift samenstellen.
Ik verzoek u om in dit kader uitstel te verlenen tot eind juli 2025.
Is het noodzakelijk dat ik hiervan op voorhand al melding maak bij het gerechtshof?”
2.5.
De Rechtbank heeft de gemachtigde van belanghebbende bij bericht van 16 juni 2025 nogmaals geadviseerd om hoger beroep in te stellen bij het Hof.
2.6.
Het Hof heeft op 30 juni 2025 om 14:03 uur op digitale wijze (Mijn Rechtspraak) een hogerberoepschrift van belanghebbende ontvangen.

3.Gronden van het verzet

3.1.
Belanghebbende heeft in het verzetschrift en ter zitting van het Hof aangevoerd dat hij door een administratieve fout van de Rechtbank pas op 17 april 2025 kennis heeft kunnen nemen van de uitspraak van de Rechtbank. Belanghebbende heeft vervolgens de Rechtbank direct bericht dat hij de uitspraak niet eerder heeft ontvangen en ook niet in staat is geweest om tijdig op gepaste wijze te kunnen reageren. Volgens belanghebbende is de termijnoverschrijding verschoonbaar, omdat hij tijdig actie heeft ondernomen door contact op te nemen met de Rechtbank.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het verzet.

4.Beoordeling van het verzet

4.1.
De termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift bedraagt zes weken (artikel 6:7 in Pro samenhang met artikel 6:24 van Pro de Awb). Die termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop de uitspraak van de Rechtbank op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt (artikel 6:8 in Pro samenhang met artikel 6:24 van Pro de Awb). Bekendmaking van een uitspraak van de Rechtbank vindt plaats door verzending van een afschrift van die uitspraak (artikel 8:79, lid 1, van de Awb). De verzending van een afschrift van de uitspraak moet geschieden bij aangetekende brief (artikel 8:37, lid 1, van de Awb). Dit is alleen anders indien een belanghebbende digitaal procedeert.
4.2.
Belanghebbende heeft in deze zaken gedurende de procedure bij de Rechtbank geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om digitaal te procederen. Nu de Rechtbank haar uitspraak van 19 december 2024 niet bij aangetekende brief aan de gemachtigde van belanghebbende heeft verzonden, staat vast dat de Rechtbank de uitspraak niet op de voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt. Indien een uitspraak niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, vangt de termijn voor het indienen van het hoger beroep pas aan op de dag waarop (de gemachtigde van) de belanghebbende een afschrift van die uitspraak onder ogen heeft gekregen. [1]
4.3.
Belanghebbende heeft eerst op 17 april 2025 de uitspraak van de Rechtbank van
19 december 2024 onder ogen gekregen. De termijn voor het instellen van hoger beroep is derhalve aangevangen op 17 april 2025 en eindigde, zes weken later, op 29 mei 2025. Belanghebbende heeft binnen deze termijn, op 17 april 2025, een bericht naar de Rechtbank gestuurd (zie 2.2.). Naar het oordeel van het Hof valt uit dit bericht af te leiden dat belanghebbende het niet eens was met de uitspraak van de Rechtbank en daartegen hoger beroep wenste in te stellen. De Rechtbank had dit bericht daarom moeten aanmerken als een – nog nader te motiveren – hogerberoepschrift en had dit bericht zo spoedig mogelijk moeten doorzenden naar het Hof (artikel 6:15 in Pro samenhang met artikel 6:24 van Pro de Awb). [2] Als datum van indiening van dit hogerberoepschrift heeft vervolgens te gelden de datum van indiening bij de Rechtbank van 17 april 2025 (artikel 6:15, lid 3, in samenhang met artikel 6:24 van Pro de Awb). Dit betekent dat belanghebbende binnen de termijn en daarmee tijdig hoger beroep heeft ingesteld.
4.4.
Op grond van het voorgaande is het verzet gegrond. Dit betekent dat de uitspraak van het Hof van 2 september 2025 komt te vervallen en dat het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

5.Proceskosten

Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling van het verzet heeft moeten maken en stelt die kosten overeenkomstig het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht vast op een totaalbedrag van € 485,50, bestaande uit de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand van € 467 (1 punt (verzetschrift 0,5 punt en bijwonen zitting 0,5 punt) x wegingsfactor 0,5 x € 934) en de reiskosten van belanghebbende, begroot op €18,50 (retour [woonplaats] – Arnhem per openbaar vervoer tweede klasse).

6.Beslissing

Het Hof:
- verklaart het verzet tegen de uitspraak van dit Hof van 2 september 2025 gegrond,
- verstaat dat die uitspraak vervalt en dat het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond, en
- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 485,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. van der Heide, voorzitter, mr. J.W. Keuning en mr. F. van Horzen, in tegenwoordigheid van mr. P.W.L. van den Bersselaar als griffier.
De beslissing is op 3 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(P.W.L. van den Bersselaar) (R.R. van der Heide)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Vgl. Hoge Raad 21 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1728, r.o. 3.4.3.
2.Vgl. Hoge Raad 18 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9626, r.o. 3.3.2.