ECLI:NL:HR:2025:1728
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Cassatie over kenbaarheid van elektronische communicatie in bezwaarprocedure parkeerbelasting
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 21 november 2025 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure over de kenbaarheid van elektronische communicatie in het kader van bezwaar tegen naheffingsaanslagen parkeerbelasting. De belanghebbende, vertegenwoordigd door I.N.D.J. Rissema, had bezwaar gemaakt tegen naheffingsaanslagen die hem door de heffingsambtenaar waren opgelegd. Hij vulde een digitaal contactformulier in, waarin hij zijn e-mailadres opgaf. De heffingsambtenaar verklaarde de bezwaren ongegrond en stelde dat de uitspraken op bezwaar per e-mail naar de belanghebbende waren verzonden. De belanghebbende stelde echter dat hij de uitspraken niet had ontvangen en dat hij geen toestemming had gegeven voor elektronische communicatie.
De Rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de belanghebbende niet-ontvankelijk, omdat het tweede bezwaar tegen de naheffingsaanslagen niet mogelijk was. De belanghebbende ging in verzet tegen deze uitspraak, maar de Rechtbank verklaarde het verzet ongegrond. De Hoge Raad oordeelde dat de enkele vermelding van een e-mailadres op een contactformulier niet voldoende is om te concluderen dat de belanghebbende kenbaar heeft gemaakt dat hij langs elektronische weg bereikbaar is. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van de Rechtbank en verklaarde het verzet gegrond, waardoor de uitspraak op bezwaar niet op de voorgeschreven wijze was bekendgemaakt. De zaak wordt terugverwezen naar de Rechtbank voor verdere behandeling.