Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1347

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
200.353.989/01 en 200.353.989/03
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 1:253a BWArt. 194 RvArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging zorgregeling en hoofdverblijfplaats na verhuizing moeder met kinderen

De zaak betreft een geschil tussen ouders over de verhuizing van de moeder met de kinderen, de zorgregeling en de hoofdverblijfplaats. De moeder verhuisde met toestemming van de rechtbank naar een andere woonplaats, waarbij de reisafstand tot de vader nauwelijks veranderde. De vader verzocht om vernietiging van deze toestemming en wijziging van de zorgregeling en hoofdverblijfplaats.

Het hof overweegt dat de verhuizing van de moeder niet zodanig is dat toestemming moet worden ontzegd, mede omdat de reisafstand zelfs is verkort. De vader kon niet aantonen dat de belangen van de kinderen door de verhuizing worden geschaad. De zorgregeling en hoofdverblijfplaats worden niet gewijzigd, mede op advies van de raad voor de kinderbescherming die een ondertoezichtstelling noodzakelijk acht.

Het verzoek van de vader tot een ouderschapsonderzoek wordt afgewezen omdat hij niet heeft voldaan aan de vereisten en het hof zich voldoende voorgelicht acht door het raadsrapport. De proceskosten worden gecompenseerd vanwege de familierechtelijke aard van de procedure. Het hof verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot voorlopige voorziening en wijst zijn overige verzoeken af.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en wijst het verzoek van de vader af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.353.989/01 en 200.353.989/03
(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 582035 en 582779)
beschikking van 5 maart 2026 in de hoofdzaak en in een voorlopige voorziening
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] , gemeente [gemeentenaam] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. S.A. Ray,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. S.A. van den Broek.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 31 januari 2025, uitgesproken onder de zaaknummers 582035 en 582779, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.
2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift tevens houdende verzoek tot schorsing met producties, ingekomen
op 30 april 2025;
- het verweerschrift;
- brief van mr. Ray van 18 september 2025 met productie 57;
- een journaalbericht van 19 september 2025 van mr. Van den Broek met producties 60 t/m 67;
- een journaalbericht van 19 september 2025 van mr. Ray met een brief van dezelfde datum inhoudende een reactie op het verweerschrift en een wijziging van zijn verzoek in de hoofdzaak, met producties 58 t/m 69;
- een journaalbericht van 23 december 2025 van mr. Ray met productie 70;
- een journaalbericht van 23 december 2025 van mr. Van den Broek met producties 68 en 69;
- een brief van 29 december 2025 van mr. Ray met een verzoek voorlopige voorziening en een gewijzigd verzoek in de hoofdzaak met producties 71 t/m 89;
- een journaalbericht van 29 december 2025 van mr. Van den Broek met productie 70;
- een e-mail van 2 januari 2025 van mr. Ray met productie 81;
- een verweerschrift van 6 januari 2026 van mr. Van den Broek tegen de voorlopige voorziening die de vader heeft verzocht en de wijziging van het verzoek van de vader, met producties 71 en 72;
- een brief van 6 januari 2026 van mr. Ray met productie 90;
- een e-mail van 6 januari 2026 van mr. Van den Broek.
2.2
Bij beschikking van 5 juni 2025 heeft dit hof de vader niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen en het verzoek van de vader om de werking van de bestreden beschikking te schorsen afgewezen. Verder heeft dit hof in die beschikking het verzoek van de moeder om de vader te veroordelen in de proceskosten afgewezen.
2.3
De zitting was op 8 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] geboren [in] 2021, en
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2021.
De ouders hebben samen het gezag over de kinderen. De kinderen wonen bij de moeder.
3.2
Bij arrest van 23 januari 2024 heeft dit hof als voorlopige zorgregeling vastgesteld dat de kinderen om het weekend van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur en elke woensdag van 10.00 uur tot 16.00 uur bij de vader verblijven.

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen partijen zijn in geschil de vraag of de moeder met de kinderen mag verhuizen naar [woonplaats2] en de kinderen daar in mag schrijven, bij welke ouder de kinderen hun hoofdverblijfplaats moeten hebben en diverse verzoeken in verband daarmee, en de zorgregeling.
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank:
(in zaaknummer 582035)
- aan de moeder vervangende toestemming verleend om met de kinderen te verhuizen naar [plaats1] of [woonplaats2] mits de netto reisafstand van haar nieuwe woning tot de woning van de vader maximaal vijf minuten langer is dan deze nu is en bepaald dat ieder de eigen proceskosten moet betalen;
(in zaaknummer 582779)
- aan de moeder vervangende toestemming verleend om de kinderen in te schrijven op een basisschool naar keuze in [plaats1] of [woonplaats2] ;
- een zorgregeling vastgesteld waarbij [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij de vader zijn:
om het weekend van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur en elke woensdag van 10.00 uur tot 16.00 uur, eenmaal in het voorjaar, twee keer in de zomer en eenmaal in het najaar in de week voorafgaand aan het reguliere weekend dat zij bij de vader verblijven, van woensdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur, waarbij de ouders in onderling overleg afstemmen in welke weken dit plaatsvindt;
- de raad verzocht welke zorg- en vakantieregeling vanaf november 2025 als de kinderen vier jaar worden in het belang van de kinderen is door middel van een raadsonderzoek waarbij een aantal contactmomenten tussen de vader, eventueel de moeder en de kinderen wordt geobserveerd;
- de verzoeken van de ouders alleen met het gezag te worden belast afgewezen;
- de verzoeken van de vader de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem vast te
stellen, en tot het geven van vervangende toestemming voor inschrijving van de
kinderen in [woonplaats1] en de andere verzoeken van de vader in verband met de bepaling van de hoofdverblijfplaats bij hem, afgewezen;
- de verdere behandeling van het verzoek ten aanzien van de zorgregeling en de vakantie- en feestdagen aangehouden in afwachting van de uitkomst van het raadsonderzoek;
- bepaald dat de beslissingen kunnen worden uitgevoerd ook als er hoger beroep wordt ingesteld (uitvoerbaar bij voorraad verklaard), en
- de verzoeken over de proceskostenveroordeling aangehouden.
4.2
De vader is met acht grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van
31 januari 2025. Het is de bedoeling van de vader om het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen (met uitzondering van de beslissing van de rechtbank over de identiteitsbewijzen van de kinderen). De vader verzoekt (na wijziging):
- De bestreden beschikking in zaaknummer 582035 (verhuizing) te vernietigen en opnieuw beschikkende:
I: het verzoek van de moeder voor vervangende toestemming om te verhuizen af te wijzen;
II. de moeder te veroordelen in de proceskosten;
- De bestreden beschikking in zaaknummer 582779 te vernietigen met uitzondering van de beslissingen onder rechtsoverweging 4.8 (aanhouding alimentatie) en 4.11 (aanhouding proceskosten) en opnieuw beschikkende:
II: het hoofdverblijf van de kinderen bij de vader vast te stellen;
dan wel: een ouderschapsonderzoek te bevelen bij het NIFP of JSCD waarin de
onderstaande onderzoeksvragen worden beantwoord en het verzoek met betrekking
tot de vaststelling van het hoofdverblijf bij de vader aan te houden tot deze zijn beantwoord:
ii.Is er (naar het oordeel van het NIFP/KSCD) sprake van een situatie waarbij het
handelen van de vader een zodanig risico vormt voor de kinderen dat zijn handelen (
an
sichen in de interactie met de moeder) voldoende reden is om de mogelijkheden te
(blijven) beperken die hij heeft om te beslissen over het leven van de kinderen en hen
op te voeden en verzorgen?
ii. Is er (naar het oordeel van het NIFP/KSCD) sprake van een situatie waarbij het handelen van de moeder een zodanig risico vormt voor de kinderen dat haar handelen (
an sichen in de interactie met de vader) voldoende reden is om de mogelijkheden te
(gaan) beperken die zij heeft om te beslissen over het leven van de kinderen en hen op te voeden en verzorgen?
iii. Is het (naar het oordeel van het NIFP/KSCD) noodzakelijk voor de bescherming van de kinderen om in te grijpen op het gezamenlijke besluit van de ouders om de kinderen in [woonplaats1] naar school te laten gaan?
III. Een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen vanaf maandag na school tot vrijdag naar school bij de vader verblijven en van vrijdag na school tot maandagochtend naar school bij de moeder en waarbij de vader drie keuzeweekenden per jaar heeft (niet tijdens vakanties) waarbij de kinderen bij hem verblijven;
dan wel: waarbij de kinderen vanaf maandag na school tot vrijdag naar school bij de moeder verblijven en van vrijdag na school tot maandagochtend naar school bij de vader en waarbij de moeder drie keuzeweekenden per jaar heeft (niet tijdens vakanties) waarbij de kinderen bij haar verblijven;
IV. Een vakantie- en feestdagenregeling vast te stellen volgens productie 69;
dan wel: een vakantie- en feestdagenregeling vast te stellen volgens productie 69 en waarbij de rollen van de vader en de moeder zijn omgewisseld;
V. De vader vervangende toestemming te verlenen om de kinderen te (her)inschrijven
op een basisschool in [woonplaats1] ;
VI. de moeder in de kosten van deze procedure te veroordelen.
4.3
De moeder voert verweer en zij verzoekt het hof de verzoeken van de vader integraal af te wijzen, de bestreden beschikking te bekrachtigen en de proceskosten tussen partijen te compenseren. De moeder verzet zich tegen de gedane wijzigingen van het verzoek. Ook maakt zij bezwaar tegen de verzochte voorlopige voorziening.
4.4
Over de omvang van het geschil in hoger beroep overweegt het hof het volgende. Het hof stelt vast dat de vader in de brief van 19 september 2025 ingaat op het verweerschrift van de moeder. Dat is een (verkapte) tweede schriftelijke ronde, hetgeen in strijd is met de tweeconclusieleer, zodat deze nadere stellingen buiten beschouwing zullen worden gelaten. Hetzelfde geldt voor de brief van 6 januari 2025 van de vader met daarin een reactie op de brief van de moeder van 23 december 2025 en op de reactie van de moeder in productie 68. Ook deze nadere stellingen zullen dus buiten beschouwing worden gelaten.
4.5
De vader heeft verder bij de brieven van mr. Ray van 19 september 2025 en
29 december 2025 zijn petitum gewijzigd. Na schorsing van de zitting heeft het hof beslist dat de vader kan worden ontvangen in zijn gewijzigde verzoeken. Naar het oordeel van het hof is de wijziging van de oorspronkelijke verzoeken van de vader niet in strijd met de eisen van een goede procesorde. De wijziging ligt in lijn met de oorspronkelijke verzoeken en daarnaast laat de vader enkele van zijn oorspronkelijke verzoeken vallen (zodat hij op die punten zijn verzoek vermindert). De moeder heeft daarnaast voldoende gelegenheid gehad om op de wijzigingen te reageren.
Het hof heeft na de schorsing verder medegedeeld dat ook geen acht wordt geslagen op de rest van de brief van mr. Ray van 29 december 2025. Daarin worden volgens mr. Ray in de inleiding van die brief achtereenvolgens behandeld: recente feiten en omstandigheden, de reactie van de vader op het raadsonderzoek en de reactie van de vader op het stuk van de moeder van 19 september 2025. Het hof stelt vast dat ook deze inhoud een (verkapte) tweede schriftelijke ronde inhoudt, hetgeen in strijd is met de tweeconclusieleer, zodat deze nadere stellingen buiten beschouwing zullen worden gelaten.

5.De motivering van de beslissing

Verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening (200.353.989/03)
5.1
In zijn brief van 29 december 2025 verzoekt de vader het hof om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat:
de moeder wordt veroordeeld tot medewerking aan de bestaande zorgregeling die op
31 januari 2025 is vastgesteld door de rechtbank en waarbij de kinderen bij de vader zijn:
- om het weekend van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur en elke woensdag van
10
uur tot 16.00 uur;
- in de voorjaarsvakantie van woensdag 18 februari 2026 (10.00 uur) tot zondag
22 februari 2026 (18.00 uur);
op verbeurte van een direct opeisbare en niet voor matiging vatbare dwangsom van
€ 250,-, althans een dwangsom die het hof juist acht, per overtreding per dag.
5.2
In artikel 223 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat dat iedere partij tijdens een lopende procedure kan vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van de procedure.
5.3
Het hof zal de vader niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening, omdat het verzoek niet voldoet aan de daarvoor gestelde eisen. Een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kan worden gedaan bij verzoek- of verweerschrift in de hoofdzaak of bij een afzonderlijk incidenteel verzoekschrift. In artikel 2.6.3 van het
Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshovenis onder meer opgenomen dat een dergelijk verzoek duidelijk kenbaar dient te worden gedaan, hetzij bij afzonderlijk verzoekschrift, hetzij door vermelding in de kop van het beroepschrift of verweerschrift in hoger beroep, dan wel door daarop in een begeleidende brief uitdrukkelijk te wijzen. Door het verzoek alleen in een brief te vermelden heeft de vader aan geen van de gestelde eisen voldaan. Het hof betrekt daarbij dat de vader, ook al heeft het hof brieven verstuurd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het stuk is aangemerkt als een verzoek om een voorlopige voorziening, er inmiddels mee bekend had kunnen en moeten zijn dat zijn verzoek niet aan de eisen voldoet. Een eerder verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is namelijk in de uitspraak van 5 juni 2025 om dezelfde reden niet-ontvankelijk verklaard.
In de hoofdzaak (200.353.989/01)
5.4
De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd. De rechter kan een zorgregeling vaststellen en beslissen bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
verhuizing
5.5
De ouder bij wie de minderjarige zijn hoofdverblijfplaats heeft, dient in beginsel de gelegenheid te krijgen om met de minderjarige elders een gezinsleven en een toekomst op te bouwen, indien de omstandigheden van het geval na een belangenafweging een dergelijke beslissing ook rechtvaardigen. Hierna zal worden beoordeeld of de keuze van de moeder om te verhuizen in het kader van de verdere belangenafweging te rechtvaardigen valt.
5.6
De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarbij aan de moeder vervangende toestemming is gegeven om te verhuizen. In zijn petitum koppelt de vader geen gevolg aan deze door hem verzochte vernietiging. Het hof begrijpt het verzoek van de vader aldus dat hij wil dat de moeder verhuist naar [woonplaats1] , de woonomgeving van de vader. De vader woont sinds mei 2025 in [woonplaats1] in de woning die partijen vóór hun relatiebreuk in april 2023 kochten. Die woning moest op het moment dat deze gekocht werd nog worden gebouwd en partijen zouden daar samen met de kinderen gaan wonen. Na de relatiebreuk is de vader echter teruggekeerd naar zijn woning in [plaats2] en bleef de moeder in de voormalige gezamenlijke woning in [plaats1] . Op het moment van haar inleidend verzoek woonde de moeder daar nog steeds en vroeg zij toestemming om met de kinderen te verhuizen naar een andere (grotere) woning in de omgeving van [plaats1] . Inmiddels is de moeder, met toestemming van de rechtbank, met de kinderen verhuisd naar [woonplaats2] . Naar het oordeel van het hof is de verhuizing van de moeder van [plaats1] naar [woonplaats2] niet van dien aard dat haar de toestemming voor die verhuizing alsnog moet worden ontzegd. Het hof sluit aan bij de overwegingen van de rechtbank op dit punt en voegt daaraan nog het volgende toe. Niet in geschil is dat de reisafstand tussen de woning van de vader in [woonplaats1] en de woning van de moeder door haar verhuizing naar [woonplaats2] nauwelijks is gewijzigd. De reisafstand is zelfs vijf minuten korter geworden, heeft de moeder op de zitting bij het hof gezegd en de vader heeft dit niet tegengesproken. De vader heeft ook voor het overige niets gesteld over hoe de belangen van de kinderen zouden worden geschaad door de verhuizing van de moeder met de kinderen van [plaats1] naar [woonplaats2] . Voor zover de vader met zijn verzoek heeft bedoeld te zeggen dat hij altijd de hoofdverzorger van de kinderen was en dat het altijd de intentie van partijen is geweest om samen in [woonplaats1] te gaan wonen waarbij de vader hoofdzakelijk voor de kinderen zou zorgen, en dat die situatie alsnog moet worden gerealiseerd, overweegt het hof dat deze intentie dateert uit de periode vóór de relatiebreuk. Inmiddels is de situatie gewijzigd en is de oorspronkelijk intentie van partijen door de feiten achterhaald. De moeder kan daar dan ook niet aan worden gehouden. De moeder betwist overigens dat de vader de hoofdverzorger was. Het hof zal het verzoek van de vader afwijzen.
zorgregeling, hoofdverblijfplaats, ouderschapsonderzoek, vervangende toestemming
5.7
Het hof zal het verzoek van de vader om de zorgregeling en de vakantie- en feestdagenregeling te wijzigen, afwijzen. Het hof neemt daarbij in aanmerking het advies van de raad in zijn rapport van 20 november 2025 (verder: het raadsrapport). Volgens de raad is tussen de ouders sprake van hevige en complexe echtscheidingsproblematiek, waarbij de verhalen van de ouders over de periode tijdens de relatie en over de situatie nu, sterk uiteenlopen. Een ondertoezichtstelling van de kinderen is noodzakelijk, aldus de raad. In het belang van de kinderen adviseert de raad nog geen definitieve zorgregeling vast te stellen totdat er meer zicht is op de veiligheid van de kinderen in de beide thuissituaties door derde partijen. Ook op de zitting heeft de raad geadviseerd om nu geen definitieve regeling vast te stellen. Het hof onderschrijft dit advies en neemt dit over. Daarbij komt dat de door de rechtbank bepaalde zorgregeling op [in] 2025, de dag waarop de kinderen vier jaar werden, is verlopen. Gebleken is dat partijen (afgezien van de periode tijdens de kerstvakantie) de zorgregeling uitvoeren zoals geadviseerd in het raadsrapport. De verdere behandeling van het verzoek over de zorgregeling en de vakantie- en feestdagenregeling is op 23 januari 2026 bij de rechtbank voortgezet. Het hof ziet in het door de vader gestelde en gelet op het advies van de raad, geen aanleiding om voor de tussenliggende periode een andere zorgregeling vast stellen.
5.8
Omdat eerst meer zicht moet komen op de kinderen in de beide thuissituaties en de zorgregeling niet wordt gewijzigd, bestaat naar het oordeel van het hof op dit moment geen aanleiding om de hoofdverblijfplaats van de kinderen te wijzigen en deze bij de vader vast te stellen. Het hof sluit zich daarbij aan bij het advies in het raadsrapport. Volgens het raadsrapport wordt op dit moment uitvoering gegeven aan de vastgestelde zorgregeling en is een wijziging van de hoofdverblijfplaats op dit moment niet in het belang van de kinderen. Een wijziging van de hoofdverblijfplaats verandert bovendien niets aan de huidige dynamiek tussen de ouders, aldus de raad op de zitting.
5.9
De vader verzoekt, als zijn verzoek om de hoofdverblijfplaats bij hem te bepalen wordt afgewezen, om een ouderschapsonderzoek te gelasten. Het hof zal dat verzoek afwijzen. Daarbij overweegt het hof het volgende. Het eerste lid van dat artikel bepaalt dat de rechter pas beslist nadat een ouder, indien deze daarom verzoekt, in de gelegenheid is gesteld om een rapport van een niet door de rechter benoemde deskundige over te leggen. Dat heeft de vader niet verzocht. Hij heeft niet gevraagd om een rapport van een, bij naam genoemde, deskundige over te mogen leggen. Het verzoek zou nog kunnen zijn gebaseerd op het algemene artikel 194 Rv Pro dat gaat over het raadplegen van deskundigen in het kader van voorlichting en bewijs. Maar in dat kader overweegt het hof dat het zich voldoende voorgelicht acht om een beslissing te kunnen nemen zodat het hof geen aanleiding ziet voor een onderzoek. Op grond van artikel 810 Rv Pro kan de rechter, als hij dat nodig vindt, het advies van de raad in winnen. Dat is in deze zaak gebeurd: de raad heeft op verzoek van de rechtbank onderzoek gedaan, een rapport uitgebracht en het hof ter zitting mondeling geadviseerd. Het hof neemt bovendien in aanmerking dat door de raad aan de kinderrechter een verzoek tot ondertoezichtstelling zal worden gedaan. Indien dat verzoek wordt toegewezen zullen de door de vader opgeworpen onderzoeksvragen ook in het kader van een ondertoezichtstelling aan de orde komen.
5.1
Omdat de hoofdverblijfplaats van de kinderen niet wordt gewijzigd en de verzoeken van de vader over de zorgregeling ook worden afgewezen, bestaat geen aanleiding om de vader vervangende toestemming te geven voor (her)inschrijving van de kinderen op de basisschool in [woonplaats1] .
proceskosten
5.11
Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren. Dat betekent dat iedere ouder de eigen kosten draagt. Het hof vindt dat ook in de zaak (582035) over de verhuizing van de moeder met de kinderen naar [woonplaats2] de proceskosten moeten worden gecompenseerd vanwege de aard van de zaak.
5.12
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

6.De beslissing

Het hof:
in zaaknummer 200.353.989/03
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek;
in zaaknummer 200.353.989/01
beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van
31 januari 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, R. Feunekes en D.J.M. van de Voort en is op 5 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.