Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1444

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
200.356.165
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:247 lid 4 BWArt. 1:253a lid 2 onder a BWECLI:NL:HR:2010:BL7407
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over zorgregeling en hoofdverblijfplaats minderjarige kind

De vader en moeder zijn gezamenlijk gezagdragers over hun minderjarige kind, geboren in 2022. De rechtbank had de hoofdverblijfplaats bij de moeder vastgesteld en een zorgregeling waarbij het kind meerdere dagen per week bij de vader verblijft. De vader ging in hoger beroep en verzocht om wijziging van de hoofdverblijfplaats naar hem en aanpassing van de zorgregeling.

Tijdens de mondelinge behandeling verklaarden beide ouders dat het goed gaat met het kind en dat de huidige zorgregeling goed wordt nageleefd. Het hof overwoog dat het niet in het belang van het kind is om de zorgregeling te wijzigen, mede omdat het kind incidenteel door de oma wordt opgevangen en binnenkort naar de basisschool gaat. De vader heeft een grote rol in de opvoeding, waardoor sprake is van gelijkwaardig ouderschap.

Het hof bevestigde ook dat de hoofdverblijfplaats bij de moeder blijft, mede op advies van de raad voor de kinderbescherming, die geen zwaarwegende redenen zag voor wijziging. De overige punten van de rechtbank, zoals de vakantieregeling en het halen en brengen, zijn in hoger beroep niet aan de orde geweest. Het hof benadrukte het belang van een hulpverleningstraject voor de ouders om de communicatie te verbeteren en compenseerde de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de vader af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank over de zorgregeling en hoofdverblijfplaats.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.165
(zaaknummer rechtbank Gelderland 444915)
beschikking van 10 maart 2026
inzake
[verzoeker] ,
wonende in [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. S. Rahimzadeh,
en
[verweerster] ,
wonende in [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. A.J.M. van Haaren.

1.De procedure bij de rechtbank

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 24 maart 2025, uitgesproken onder zaaknummer 444915 (hierna ook: de bestreden beschikking).

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 24 juni 2025;
- het verweerschrift met producties en
- een journaalbericht van 18 november 2025 met producties van de vader.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 10 februari 2026 plaatsgevonden. Hierbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door mr. Rahimzadeh;
- de moeder, bijgestaan door mr. N. van de Gevel als waarnemer van mr. Van Haaren en
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming.

3.De feiten

De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] (geboren [in] 2022). De ouders hebben samen het gezag over het [de minderjarige] . [de minderjarige] woont bij de moeder.

4.De omvang van het geschil

4.1
Tussen partijen zijn de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (de zorgregeling) in geschil.
4.2
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het hoofdverblijf van [de minderjarige] vastgesteld bij de moeder. Als zorgregeling is vastgesteld dat [de minderjarige] bij de vader verblijft:
  • in de ene week van zaterdag om 11:00 uur tot en met dinsdag om 18:00 uur, waarbij de vader [de minderjarige] op zaterdag ophaalt bij de moeder en de moeder [de minderjarige] op dinsdag ophaalt bij de vader;
  • in de andere week van zondag om 18:00 uur tot en met woensdag om 18:00 uur, waarbij de vader [de minderjarige] op zondag ophaalt bij de moeder en de moeder [de minderjarige] op woensdag ophaalt bij de vader;
  • waarbij het halen en brengen gelijkelijk wordt verdeeld tussen de ouders;
  • waarbij de vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte worden verdeeld.
4.3
De vader is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem zal zijn en een zorgregeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] bij hem verblijft:
  • in de ene week van zaterdag om 11:00 uur tot en met woensdag om 18:00 uur, waarbij de vader [de minderjarige] op zaterdag ophaalt bij de moeder en de moeder [de minderjarige] op woensdag ophaalt bij de vader;
  • in de andere week van zondag om 18:00 uur tot en met woensdag om 18:00 uur, waarbij hij [de minderjarige] op zondag ophaalt bij de moeder en de moeder [de minderjarige] op woensdag ophaalt bij hem;
  • waarbij het halen en brengen gelijkelijk wordt verdeeld tussen de ouders;
  • waarbij de vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte worden verdeeld;
  • dan wel een beslissing te nemen die het hof juist acht.
4.4
De moeder voert verweer. Zij vraagt het hof de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, dan wel zijn verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. De moeder vraagt het hof een beslissing te nemen over de proceskosten (kosten rechtens).

5.De motivering van de beslissing

Wat staat in de wet?
5.1
Een kind heeft recht op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders. [1] De rechter kan op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing nemen over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling. [2]
5.2
De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter moet bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht nemen.
Zorgregeling
5.3
De vader wil de zorg voor [de minderjarige] op alle woensdagen hebben. Hij vindt het onwenselijk dat de moeder, als zij op woensdag moet werken, de oma (moederszijde) op [de minderjarige] laat passen. De vader werkt op die dag niet en is dus beschikbaar om voor [de minderjarige] te zorgen. De vader vindt dat de primaire zorgtaak bij de ouders moet liggen.
5.4
Het hof overweegt als volgt. Zowel de vader als de moeder hebben op de mondelinge behandeling aan het hof verteld dat het goed gaat met [de minderjarige] . Zij is vrolijk, zij houdt van spelen en leert graag nieuwe dingen, zoals Engels. De zorgregeling, zoals die door de rechtbank is vastgesteld, wordt door de ouders nagekomen. De ouders maken soms bij bijzondere dagen, zoals verjaardagen en Kerstmis, andere afspraken met elkaar. De zorgregeling zoals die door de rechtbank is vastgesteld, loopt dus al geruime tijd goed. Het hof vindt het niet in het belang van [de minderjarige] om daarin iets te wijzigen. Dat [de minderjarige] op de woensdagen (eens in de twee weken) tijdens de werkuren van de moeder door de oma wordt opgevangen, maakt het oordeel van het hof niet anders. Niet alleen omdat de opvang door de oma in tijd beperkt is – zoals door de moeder is gesteld en door de vader niet is weersproken – maar vooral ook omdat het niet ongebruikelijk is dat kinderen door derden worden opgevangen als de ouders werken. Ook het vooruitzicht dat [de minderjarige] dit jaar nog naar de basisschool zal gaan, weegt het hof mee in zijn oordeel dat het niet in het belang is om de zorgregeling te wijzigen. Bij de start van de basisschooltijd zal er namelijk voor [de minderjarige] (en voor de ouders) al genoeg veranderen.
Met de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling heeft de vader een grote rol in het leven en de opvoeding van [de minderjarige] , zodat – naar het oordeel van het hof – sprake is van gelijkwaardig ouderschap. Een exacte verdeling bij helfte waarbij [de minderjarige] precies even veel tijd bij de vader als de moeder is, is hiervoor niet nodig. [3] Het hof zal de beslissing van de rechtbank over de zorgregeling daarom in stand laten (bekrachtigen).
Hoofdverblijf
5.5
De vader wil dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem wordt bepaald. [de minderjarige] verbleef, vóór de beslissing van de rechtbank over de zorgregeling, vaker bij de vader dan bij de moeder, aldus de vader. Daarbij wordt [de minderjarige] op de dagen dat zij bij de moeder is op woensdag opgevangen door de oma (moederszijde) en gaat [de minderjarige] op vrijdag naar de peuterspeelzaal. Feitelijk is [de minderjarige] dus vaker bij de vader dan bij de moeder.
5.6
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder moet zijn. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank over, maakt deze na eigen onderzoek tot de zijne en voegt hieraan het volgende toe. De raad heeft het hof op de mondelinge behandeling geadviseerd om de hoofdverblijfplaats bij de moeder te laten, omdat de vader geen zwaarwegende redenen aanvoert waarom het hoofdverblijf zou moeten wijzigen. Het hof volgt de raad hierin. Zoals hiervoor is overwogen, gaat het goed met [de minderjarige] . Dat [de minderjarige] een dagdeel door de oma (moederszijde) wordt opgevangen en naar de peuterspeelzaal gaat, zijn voor het hof geen redenen om anders te bepalen dan de rechtbank heeft gedaan. Het hof zal de bestreden beschikking ook voor dat deel in stand laten (bekrachtigen).
5.7
In de beslissing (het dictum) zal het hof opnemen dat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen. Dat betekent dat het hof alleen de reguliere zorgregeling en de hoofdverblijfplaats heeft beoordeeld. De andere punten waarover de rechtbank heeft beslist (de vakantieregeling, het halen en brengen) zijn in dit hoger beroep niet aan de orde gekomen.
Hulpverleningstraject
5.8
De rechtbank heeft de ouders in de bestreden beschikking aanbevolen om zich aan te melden bij [naam] voor een hulpverleningstraject om de communicatie tussen de ouders te verbeteren. De moeder heeft aan het hof uitgelegd dat het haar niet gelukt is om zich – via de gemeente – hiervoor aan te melden. De moeder wil het hulpverleningstraject nog graag starten, net als de vader. Gezien de leeftijd van [de minderjarige] zullen de ouders de komende jaren nog veel beslissingen over [de minderjarige] samen moeten nemen. Net als de raad vindt het hof het daarom belangrijk dat de ouders op korte termijn alsnog het hulpverleningstraject bij [naam] kunnen volgen.
Proceskosten
5.9
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt, omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure het tijdens die relatie geboren kind betreft.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 24 maart 2025 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, K.A.M. van Os-ten Have en A.L.H. Ernes, bijgestaan door de griffier, en is op 10 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Artikel 1:247 lid 4 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)
2.Artikel 1:253a lid 2 onder a en b BW
3.Hoge Raad 21 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7407