ECLI:NL:HR:2010:BL7407
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- A. Hammerstein
- W.A.M. van Schendel
- F.B. Bakels
- W.D.H. Asser
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over hoofdverblijfplaats en omgangsregeling bij beëindiging ongehuwd ouderschap
In deze zaak gaat het om de hoofdverblijfplaats en omgangsregeling van een minderjarige zoon na het beëindigen van de samenleving van zijn ongehuwde ouders. De ouders hadden gezamenlijk gezag en de moeder woonde met het kind in een andere plaats na de scheiding. De rechtbank en het hof hadden de hoofdverblijfplaats bij de moeder vastgesteld en een omgangsregeling voor de vader bepaald.
De vader stelde cassatie in tegen de beslissing van het hof, onder meer met het argument dat de nieuwe Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding (in werking getreden 1 maart 2009) niet of onvoldoende was toegepast. De Hoge Raad oordeelde dat de nieuwe processuele vereisten niet van toepassing zijn op verzoeken die vóór de inwerkingtreding zijn ingediend. Ook is de rechter niet verplicht uit te gaan van een gelijke verdeling van hoofdverblijfplaats en zorg- en opvoedingstaken.
Het hof had het belang van het kind voorop gesteld, waarbij de vertrouwde woon- en schoolsituatie in de huidige verblijfplaats zwaar woog. De klachten van de vader over onvoldoende motivering en schending van gelijkwaardigheid van ouders werden verworpen. De omgangsregeling werd als passend beoordeeld gelet op de leeftijd van het kind, afstand tussen woonplaatsen en gebrekkige communicatie tussen ouders.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de beslissingen van lagere instanties, waarbij het belang van het kind centraal staat en niet een rigide gelijke verdeling van zorg en verblijf.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de hoofdverblijfplaats bij de moeder blijft en de omgangsregeling gehandhaafd wordt.