Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:1447

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
200.360.878
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:156 BWArt. 1:401 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Partneralimentatie beëindigd wegens onvoldoende inspanningsverplichting alimentatiegerechtigde

Partijen zijn in 2009 getrouwd en in 2021 gescheiden. De man was tijdens het huwelijk kostwinner en de vrouw werkte niet. De rechtbank had eerder partneralimentatie vastgesteld, maar de man verzocht deze te beëindigen wegens gewijzigde omstandigheden.

Het hof oordeelt dat de vrouw onvoldoende heeft voldaan aan haar inspanningsverplichting om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Zij heeft pas na bijna vier jaar haar inburgeringsdiploma behaald, heeft onvoldoende gesolliciteerd en verbleef het grootste deel van de afgelopen vijf jaar in Marokko zonder werk of pogingen tot huisvesting in Nederland.

Gelet op deze feiten is sprake van een ingrijpende wijziging van omstandigheden, waardoor de partneralimentatie per 30 oktober 2025 op nihil wordt gesteld. Tevens moet de vrouw de alimentatie die zij vanaf die datum ontving terugbetalen. De grieven van de man slagen, de bestreden beschikking wordt vernietigd en de alimentatieverplichting aangepast.

Uitkomst: De partneralimentatie wordt per 30 oktober 2025 op nihil gesteld en de vrouw moet de vanaf die datum betaalde alimentatie terugbetalen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.360.878
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 590551)
beschikking van 10 maart 2026
inzake
[verzoeker] ,
wonende in [woonplaats1] , gemeente [gemeentenaam1] ,
verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de man,
advocaat: mr. M. Kaouass,
en
[verweerster] ,
wonende in [woonplaats2] , gemeente [gemeentenaam2] ,
verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M.J.E.M. Wielinga-van Dillen.

1.De procedure bij de rechtbank

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 31 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.De procedure bij het hof

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 30 oktober 2025;
- het verweerschrift;
- een journaalbericht van mr. Kaouass van 12 januari 2026 met producties.
2.2
Op 19 januari 2026 heeft mr. Kaouass ter griffie van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, gedeponeerd:
- De originele administratieve verklaring van de Hoofd Regionaal Politiecommissaris van
[plaats] ;
- De originele apostille;
- De originele beëdigde vertaling van de Hoofd Regionaal Politiecommissaris van [plaats] ;
Van deze deponering is een akte opgemaakt.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 27 januari 2026 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3.De feiten

3.1
Partijen zijn [in] 2009 met elkaar getrouwd in [plaats] (Marokko). Het huwelijk van partijen is [in] 2021 ontbonden door echtscheiding.
De man heeft de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit. De vrouw heeft de
Marokkaanse nationaliteit.
3.2
Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 19 december 2019 heeft de rechtbank Midden-Nederland bepaald dat de man vanaf 8 november 2019 voor de duur van het geding € 1.500,- per maand moet betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.
3.3
Bij beschikking van 13 januari 2021 heeft de rechtbank Midden-Nederland de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand tot 13 oktober 2021 € 1.500,- per maand en vanaf 13 oktober 2021 € 752,- per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.

4.Het geschil

4.1
Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de man om de partneralimentatie per 14 november 2024 op nihil te stellen afgewezen.
4.2
De man is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan het hof voor te leggen. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en:
1) De vrouw te bevelen om alle bladzijdes van haar Marokkaans paspoort met ingang van
13 januari 2021 aan de man af te geven, door het in de procedure te brengen.
2) De behoefte van de vrouw vast te stellen op € 1.467, - bruto per maand;
3) De alimentatieverplichting van de man per 24 november 2024, althans met ingang
van 18 maart 2025, althans met ingang van 30 oktober 2025, te beëindigen, althans
op nihil vast te stellen.
4.3
De vrouw voert verweer en verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken of deze af te wijzen.

5.De overwegingen voor de beslissing

5.1
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man zijn verzoek om de vrouw te bevelen alle bladzijdes van haar Marokkaans paspoort in de procedure te brengen ingetrokken. Dit verzoek hoeft daarom niet meer besproken te worden door het hof.
5.2
In de eerste plaats is aan de orde of zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
5.3
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking overwogen dat geen sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw nog steeds, zoals al eerder geoordeeld, in staat moet zijn om het wettelijk minimumloon op basis van een volledige werkweek te verdienen. In de echtscheidingsbeschikking van
13 januari 2021 had de rechtbank overwogen dat de vrouw de tijd moest krijgen om haar Nederlandse lessen weer op te pakken en een baan te vinden. De vrouw heeft toen gezegd dat zij daarvoor twee jaar nodig had, maar de rechtbank vond daarvoor een periode van negen maanden voldoende.
5.4
Het hof overweegt als volgt. Op de vrouw rust een inspanningsverplichting om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Ook naar maatschappelijke normen mag van de vrouw verwacht worden dat zij verantwoordelijkheid neemt om – naarmate de jaren na de echtscheiding verstrijken – probeert in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Dat is in overeenstemming met het wettelijke uitgangspunt in artikel 1:156, eerste lid BW: in beginsel kan alleen de (ex)echtgenoot die niet voldoende inkomsten heeft, ‘noch zich in redelijkheid kan verwerven’, aanspraak maken op partneralimentatie.
5.5
Partijen zijn twaalf jaar getrouwd geweest. De man was tijdens het huwelijk kostwinner en de vrouw heeft tijdens het huwelijk niet gewerkt. De situatie van partijen is dan ook gewijzigd doordat, als gevolg van het tijdsverloop, sprake is van een toenemende inspanningsverplichting aan de kant van de vrouw om in haar levensonderhoud te voorzien. Temeer nu in de echtscheidingsbeschikking van 13 januari 2021 de rechtbank reeds had overwogen dat de vrouw zich moest inzetten om een baan te vinden. De man is dus ontvankelijk in zijn verzoek en het hof dient daarom vervolgens te beoordelen of de behoeftigheid van de vrouw een relevante wijziging van omstandigheden oplevert op grond waarvan de partneralimentatie moet worden gewijzigd.
5.6
Het hof is verder van oordeel dat de man voldoende onderbouwd heeft gesteld dat de vrouw niet aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan en dat er sprake is van een ingrijpende wijziging van omstandigheden die ertoe leidt dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer gehouden is een bijdrage te betalen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Het hof laat daarbij meewegen dat er niet alleen gekeken moet worden naar de situatie van de vrouw nu, maar ook naar hetgeen zij gedaan heeft om in eigen levensonderhoud te voorzien vanaf de periode van uiteengaan van partijen begin 2021.
5.7
Het hof is van oordeel dat de vrouw sinds het uiteengaan van partijen voldoende mogelijkheden heeft of heeft gehad om betaald werk te vinden waarmee zij een zodanig inkomen kan genereren dat zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De vrouw stelt dat zij wekelijks solliciteert naar werk in Nederland. Deze stelling acht het hof bij gemotiveerde betwisting door de man onvoldoende onderbouwd. Uit de door de vrouw overgelegde mailtjes blijkt dat zij enkele keren online heeft gesolliciteerd. Daaruit blijkt niet dat de vrouw de afgelopen jaren voldoende inspanning heeft geleverd om werk te vinden om in haar levensonderhoud te voorzien. De vrouw heeft ook pas na oktober 2024, bijna vier jaar na de echtscheiding, haar inburgeringsdiploma behaald. Dit terwijl zij tijdens de echtscheidingsprocedure heeft verklaard dat zij binnen twee jaren de Nederlandse taal zou beheersen en werk zou vinden. De vrouw heeft ook geen medische stukken overlegd waaruit zou blijken dat zij een zodanige problematiek of aandoening heeft dat zij daardoor niet zou kunnen werken.
5.8
Daar komt bij dat uit de door de man gedeponeerde stukken blijkt dat de vrouw in de afgelopen vijf jaren feitelijk meer dan vier jaren in Marokko heeft verbleven. De vrouw heeft verklaard dat zij in Marokko ook geen werk heeft. De vrouw heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij een woning zoekt in Nederland of dat zij een uitkering of toeslagen in Nederland heeft aangevraagd. Desgevraagd heeft de vrouw verklaard dat de enige kosten die zij in Nederland heeft de kosten van een ziektekostenverzekering zijn. Uit niets blijkt dat de vrouw zich heeft ingespannen om werk en huisvesting te vinden in Nederland en haar leven hier vorm te geven. Gelet op alle omstandigheden is het hof van oordeel dat de vrouw niet aan de op haar rustende inspanningsverplichting heeft voldaan. Dit levert een zodanig ingrijpende wijziging van omstandigheden op naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid dat de partneralimentatie op nihil moet worden gesteld.
Ingangsdatum
5.9
De man verzoekt om de partneralimentatie op nihil te stellen met ingang van
24 november 2024 of met ingang van 18 maart 2025 (datum verzoek eerste aanleg) danwel met ingang van 30 oktober 2025 (datum beroepschrift). Het uitgangspunt is echter dat de rechter terughoudend moet omgaan met ingangsdatum in het verleden, vanwege de terugbetalingsverplichting die daardoor ontstaat. De vrouw heeft in eerste aanleg verweer gevoerd tegen de ingangsdatum en gesteld dat zij de ontvangen bijdrage niet kan terugbetalen.
5.1
Het hof zal als de partneralimentatie met ingang van 30 oktober 2025 op nihil stellen. Het hof is van oordeel dat de vrouw vanaf die datum rekening heeft kunnen en moeten houden met een eventuele terugbetalingsverplichting.
5.11
Het hof zal bepalen dat de vrouw de partneralimentatie die de man heeft betaald in de periode van 30 oktober 2025 tot aan heden aan hem moet terugbetalen.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen slagen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 31 juli 2025, en in zoverre opnieuw beschikkende:
wijzigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 13 januari 2021 en stelt de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van
30 oktober 2025 op nihil;
bepaalt dat de vrouw de partneralimentatie die de man heeft betaald in de periode van
30 oktober 2025 tot aan heden aan hem moet terugbetalen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, R. Feunekes en E. Leentjes, bijgestaan door mr. I.T.M.W. Smulders-Jacobs als griffier, en is op 10 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.