ECLI:NL:GHARL:2026:1450

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
200.360.222
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:402a BWArt. 11 PwArt. 31 lid 1 Pw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kinderalimentatie: vaststelling draagkracht en behoefte op basis van jaarrekeningen man

De man en vrouw zijn ouders van een minderjarige die bij de vrouw woont. De rechtbank had de man veroordeeld tot een kinderalimentatie van €408 per maand vanaf 1 april 2025. De man ging in hoger beroep en betwistte de hoogte van zijn draagkracht en de behoefte van het kind.

Het hof oordeelt dat de behoefte van het kind moet worden gebaseerd op het jaar 2023, het jaar waarin partijen een bijdrage overeenkwamen, en niet op 2025 zoals de rechtbank deed. De man overlegt gedetailleerde jaarrekeningen en belastingaangiften waaruit blijkt dat zijn inkomen aanzienlijk lager is dan de schatting van de vrouw. Het hof volgt de man in deze inkomensvaststelling.

De draagkracht van de man wordt vastgesteld op €778 per maand, waaruit na aftrek van de kosten voor zijn twee andere minderjarige kinderen een bedrag van €438 resteert. Met een zorgkorting van 5% op de behoefte van €291 per maand, komt de vastgestelde kinderalimentatie neer op €276 per maand vanaf 1 april 2025, oplopend naar €289 per maand per 1 januari 2026 door indexering.

De bestreden beschikking wordt vernietigd voor het deel vanaf 1 april 2025 en het hof bekrachtigt de rest. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De kinderalimentatie wordt vanaf 1 april 2025 vastgesteld op €276 per maand en vanaf 1 januari 2026 op €289 per maand, lager dan de rechtbank had bepaald.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.360.222
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 591213)
beschikking van 10 maart 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: eerst mr. P.J.A. van Laar, nu mr. R.T.P. Tielemans,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. A.M. Beuwer.

1.De procedure in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 17 september 2025, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift met producties, ingekomen op 14 oktober 2025;
  • het verweerschrift met producties;
  • een journaalbericht van mr. Beuwer van 22 januari 2026 met producties;
  • een brief van mr. Tielemans van 23 januari 2026 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 3 februari 2025 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- de man, bijgestaan door advocaat mr. O. Aydogan (waarnemer voor mr. Tielemans);
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

3.De feiten

3.1
De man en de vrouw hebben een relatie met elkaar gehad en zijn de ouders van:
[de minderjarige] , geboren [in] 2023.
3.2
De man en de vrouw hebben niet samengewoond. [de minderjarige] woont bij de vrouw.
3.3
De man en de vrouw hebben afgesproken in 2023 dat de man een bedrag van € 150,- per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van [de minderjarige] .
3.4
De man heeft naast [de minderjarige] twee oudere minderjarige kinderen. De vrouw heeft naast [de minderjarige] één ouder minderjarig kind.
3.5
De vrouw ontvangt van de gemeente [plaatsnaam] een bijstandsuitkering. De gemeente [plaatsnaam] heeft de man op 5 februari 2025 een brief gestuurd waarin op grond van door de man aangeleverde gegevens aan de man wordt bericht dat volgens de gemeente een bedrag voor [de minderjarige] van € 150,- per maand in overeenstemming is met de draagkracht van de man. Indien de man dit bedrag aan de vrouw blijft betalen dan hoeft de man geen verhaalsbijdrage te voldoen, aldus de gemeente.

4.Het geschil

4.1
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank op verzoek van de vrouw bepaald dat de man als kinderalimentatie moet voldoen:
- over de maanden november en december 2024 een bedrag van € 159,30 per maand;
- over de maanden januari, februari en maart 2025 een bedrag van € 169,65 per maand;
- met ingang van 1 april 2025 een bedrag van € 408,- per maand.
De vrouw vroeg nakoming van de gemaakte afspraak met indexering over de periode van 1 november 2024 tot 1 april 2025 en een nieuwe vaststelling van de bijdrage per 1 april 2025.
4.2
De man is het niet eens met de beslissing van de rechtbank over de kinderalimentatie en komt daarom in hoger beroep.
De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en de vrouw alsnog in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel deze verzoeken af te wijzen
4.3
De vrouw voert verweer en vraagt het hof de man in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De overwegingen voor de beslissing

5.1
De man voert in zijn eerste grief aan dat de rechtbank niet alle stukken behorend bij de procedure in eerste aanleg heeft vermeld in de bestreden beschikking, maar verbindt daaraan geen gevolgen. De vrouw bevestigt dit en stelt dat vermoedelijk sprake is van een omissie.
Het hoger beroep dient er ook toe om wat bij de rechtbank is vergeten of is misgegaan, te herstellen. Het hof heeft het volledige procesdossier van de procedure in eerste aanleg van de man (dus inclusief de niet in de bestreden beschikking vermelde stukken) ontvangen en daarvan kennis genomen. Daarom heeft de man geen belang meer bij deze grief.
5.2
In zijn tweede grief stelt de man dat de vrouw geen financieel belang heeft bij deze procedure, omdat de vrouw een uitkering van de gemeente ontvangt en de kinderalimentatie in mindering wordt gebracht op deze uitkering. Dit blijkt uit de brief van de gemeente van 5 februari 2025. De vrouw voert hiertegen verweer.
Wie niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege (artikel 11 Pw Pro). Bijstand is aanvullend: er bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een toereikende en passende voorliggende voorziening. Een uitkering ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen die tot het gezin van de vrouw behoren is zo’n voorziening (artikel 31 lid 1 Pw Pro). Het hof overweegt dan ook dat korting op de uitkering van de vrouw geen rol speelt bij de vaststelling van kinderalimentatie. Het zijn primair de ouders die financieel verantwoordelijk zijn voor hun kinderen, niet de samenleving. De uitkering van de vrouw ontslaat de man niet van zijn verplichting om naar draagkracht bij te dragen in de kosten van [de minderjarige] .
Wat ligt ter beoordeling nog voor?
5.3
De man geeft in voormelde brief van 23 januari 2026 aan dat hij niet langer betwist dat de tussen partijen overeengekomen bijdrage van € 150,- per maand moet worden geïndexeerd per 1 januari 2024 en 2025. Dit betekent dat de man zijn stellingen in hoger beroep tegen de beslissing over de kinderalimentatie over de periode november/december 2024 en over de periode januari/februari/maart 2025 (derde grief) niet langer handhaaft.
Ter beoordeling ligt dan uitsluitend voor het hoger beroep van de man tegen de beslissing over de kinderalimentatie met ingang van 1 april 2025, dus het bedrag van € 408,-, dat de rechtbank heeft vastgesteld.
Systematiek
5.4
Het hof neemt de systematiek van berekening van de kinderalimentatie op basis van de richtlijnen van het rapport van de Expertgroep Alimentatie als uitgangspunt.
Behoefte [de minderjarige]
5.5
De ouders hebben nooit met elkaar samengewoond. In die gevallen wordt de behoefte van het kind overeenkomstig de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie bepaald door het gemiddelde te nemen van de behoefte berekend op basis van het inkomen van de ene ouder en de behoefte op basis van het inkomen van de andere ouder.
Beoordeeld wordt de welstand die het kind bij iedere ouder afzonderlijk zou hebben ervaren als het alleen bij die ouder zou zijn opgegroeid. Daarbij moet dan ook rekening worden gehouden met de aanspraak op het kindgebonden budget en andere fiscale aanspraken waar de ouder recht op zou hebben gehad in de situatie dat het kind bij hem zou opgroeien.
5.6
De man stelt in hoger beroep dat de rechtbank de behoefte van [de minderjarige] niet had moeten baseren op 2025. De behoefte moet volgens de man worden gebaseerd op 2023, nu partijen in dat jaar al een bijdrage met elkaar zijn overeengekomen. Het hof is van oordeel dat het hoger beroep van de man op dit punt slaagt.
5.7
Verder is het hof van oordeel dat dan de door de man opgestelde behoefteberekening moet worden gehanteerd. Het hof legt hierna uit waarom.
5.8
De man en de vrouw zijn het niet eens over de hoogte van het inkomen van de man. De man is artiest. De vrouw heeft een berekening gemaakt van het aantal optredens dat de man heeft gehad over een periode van een jaar en op basis daarvan zijn inkomen geschat op € 80.000 bruto per jaar.
De man heeft in hoger beroep niet alleen de jaarrekeningen 2023 en 2024 en de aangiftes inkomstenbelasting over beide jaren overgelegd, maar ook de voorlopige belastingaanslagen over beide jaren en de definitieve aanslag 2023. Daaruit blijkt dat de belastingdienst niet van de aangiftes van de man is afgeweken. In 2023 bedroeg het resultaat – winst uit onderneming - van de man € 39.641,- en had hij een verzamelinkomen van € 29.962,- en in 2024 bedroeg het resultaat € 45.912,- en het verzamelinkomen € 36.631.
Verder heeft de man voldoende nader toegelicht waarom de schatting van de vrouw niet klopt. Hij heeft minder optredens dan zijn berichten op social media doen voorkomen. Van de gage die hij ontvangt – en waarmee de vrouw rekent - moet vaak een deel worden gebruikt om de geluidsman/technici van te betalen en ook het boekingsbureau heeft recht op een deel van de opbrengst. Ook komt het regelmatig voor dat klanten niet bereid zijn om de door hem genoemde gage voor een optreden te betalen en dan spreekt hij een (vaak veel) lager bedrag af. De man heeft bij brief van 23 januari 2026 een aanzienlijk aantal nadere bewijsstukken en berekeningen ter onderbouwing van deze stellingen overgelegd.
De man heeft bevestigd dat zijn voormalige boekhouder aanvankelijk een onjuist beginvermogen in de stukken heeft verwerkt, zoals de rechtbank in navolging van de vrouw constateert, maar dat is nadien gecorrigeerd. Dit vermogen is bovendien niet van invloed op de hoogte van het resultaat van de onderneming in enig jaar. Hij heeft zich inmiddels tot een andere boekhouder gewend en door die boekhouder gemaakte bescheiden overgelegd.
De man heeft een door zijn nieuwe boekhouder opgestelde balans 2025 in het geding gebracht waaruit voor dat jaar een resultaat van € 39.970,60 blijkt. De inkomensgegevens 2023, 2024 en 2025 van de man laten dus een bestendig beeld zien.
Het hof is daarom, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de behoefte van de man moeten worden gebaseerd op de door de man overgelegde inkomensgegevens en niet op de door de vrouw opgemaakte schatting van zijn inkomen. Het verschil is ook aanzienlijk. De vrouw heeft, tegenover de nadere onderbouwing van de man, onvoldoende aanknopingspunten gegeven om te kunnen veronderstellen dat de inkomensgegevens van de man die de belastingdienst in aanmerking heeft genomen niet kloppen en de vrouw heeft ook niet aangeboden nader bewijs op dit punt te leveren. De vierde grief van de man slaagt eveneens.
5.9
Nu de vrouw de behoefteberekening van de man op overige punten inhoudelijk niet heeft betwist, volgt het hof deze behoefteberekening. Daaruit volgt dat de behoefte van [de minderjarige] in 2023 per maand € 258,- en geïndexeerd naar 2025 – het gaat om de bijdrage per 1 april 2025 – € 291,- per maand bedraagt.
Draagkracht
5.1
De ouders dienen samen, naar rato van hun draagkracht (en bij onvoldoende draagkracht tot de grens daarvan) te voorzien in de behoefte van de kinderen.
5.11
Partijen zijn het er over eens dat de vrouw geen draagkracht heeft, omdat zij een bijstandsuitkering ontvangt.
5.12
Hiervoor onder 5.8 is al overwogen waarom het hof van oordeel is dat de vierde grief van de man over de hoogte van zijn inkomen slaagt. Het hof is op grond van de resultaten in 2023 en 2024 van oordeel dat de man gevolgd kan worden in zijn voorstel om zijn draagkracht in 2025 te baseren op de balans 2025 en te rekenen met een resultaat van € 39.970,-. Uit de door de man overgelegde berekening – die vrouw inhoudelijk niet heeft betwist – blijkt dat zijn draagkracht op grond van dit resultaat € 778,- per maand is.
5.13
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de waarnemer van mr. Tielemans namens de man gesteld dat in de door mr. Tielemaans overgelegde berekening van zijn draagkracht waarschijnlijk per ongeluk rekening is gehouden met kindgebonden budget. De man heeft ter zitting verklaard dat hij geen recht op kindgebonden budget heeft.
De man heeft desgevraagd het een en ander over zijn huidige woonsituatie en financiële situatie met betrekking tot zijn twee oudere minderjarige kinderen toegelicht. De kinderen verblijven volgens de man afwisselend steeds een paar dagen dan wel een week bij hem en bij hun moeder. Hij geeft geld aan beide kinderen voor kleding en telefoonabonnementen en er worden Tikkies gestuurd. Gemiddeld krijgen deze twee kinderen € 160,- tot € 170,- per maand aldus de man.
De vrouw betwist dit. Zij leidt uit de stellingen van de man af dat hij ongeveer € 167,- per maand voor zijn twee oudere minderjarige kinderen uitgeeft. Volgens de vrouw woont op dit moment de meerderjarige zoon van de man met zijn kind in de woning van de man en woont de man nu bij de moeder van de twee oudere kinderen.
Het hof kan uit hetgeen partijen hebben verteld niet afleiden wat de feitelijke situatie is. Stukken daaromtrent ontbreken. Indien de man bij de moeder van de twee oudere kinderen woont of indien sprake is van een co-ouderschap dan is het niet ondenkbaar dat de man aanspraak heeft op kindgebonden budget. Nu mr. Tielemans in de berekening voor de man wel rekening heeft gehouden met het kindgebonden budget, is de blote stelling van de man ter zitting dat dit hij hier geen recht op heeft onvoldoende om van deze berekening af te wijken.
De draagkracht van de man bedraagt daarom naar het oordeel van het hof € 778,- per maand.
Samenloop onderhoudsverplichting met de andere minderjarige kinderen van de man
5.14
Gelet op de stellingen van de man over de situatie met zijn twee oudere minderjarige kinderen gaat het hof ervan uit dat de man circa € 170,- per kind per maand aan de twee oudere minderjarige kinderen besteedt, dus in totaal € 340,-. Dit maakt dat er voldoende draagkracht bij de man resteert (€ 778,- minus € 340,- is € 438,-) om in de volledige behoefte van [de minderjarige] van € 291,- per maand te kunnen voorzien.
Zorgkorting
5.15
De rechtbank heeft het zorgkortingspercentage op 5% gesteld. Dit percentage is gebaseerd op een regeling waarbij de man [de minderjarige] één uur per week ziet. De man heeft toegelicht dat de regeling binnenkort zal worden uitgebreid naar twee uur. Maar ook in die situatie is een percentage van 5% nog steeds passend. Het hof gaat dus ook uit van 5%.
De zorgkorting bedraagt dan (0,05 x 291 =) € 14,55.
Na aftrek van de zorgkorting dient de man dan afgerond € 276,- per maand aan de vrouw voor [de minderjarige] te betalen. Het hof zal aldus beslissen.
Indexering
5.16
Nu het hof pas in 2026 de kinderalimentatie met ingang van 1 april 2025 vaststelt, wordt deze bijdrage op grond van artikel 1:402a BW pas per 1 januari 2027 voor het eerst wettelijk geïndexeerd. Aldus loopt de vrouw de indexering van de kinderalimentatie per 1 januari 2026 mis. Om de kinderalimentatie aan de wettelijke maatstaven te laten voldoen zal het hof het bedrag ook per 1 januari 2026 indexeren en vanaf die datum vaststellen op (afgerond) € 289,- per maand.
Conclusie
5.17
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat de man met ingang van 1 april 2025 in plaats van de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie van € 408,- per maand een bedrag van € 276,- per maand en op grond van de wettelijke indexering met ingang van 1 januari 2026 een bedrag van € 289,- per maand moet betalen.
Hoewel de kinderalimentatie dus lager wordt vastgesteld, zal dit in onderhavig geval niet leiden tot een terugbetalingsverplichting voor de vrouw. Gebleken is namelijk dat de man de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie sinds de bestreden beschikking niet of nauwelijks aan de vrouw heeft betaald. Van terugbetaling is daarom geen sprake,
Het hof zal de bestreden beschikking daarom vernietigen ten aanzien van de kinderalimentatie over de periode vanaf 1 april 2025 en beslissen als volgt.
5.18
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, nu partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure de bijdrage voor hun zoon betreft.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep/in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 17 september 2025, voor zover het de beslissing over de kinderalimentatie voor [de minderjarige] over de periode vanaf 1 april 2025 betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 april 2025 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] een bedrag van € 276,- per maand en met ingang van 1 januari 2026 een bedrag van € 289,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 17 september 2025 voor het overige;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, J.H. Lieber en K.A.M. van Os-ten Have, bijgestaan door de griffier, en is op 10 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.