ECLI:NL:GHARL:2026:1453

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
200.359.367
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a lid 1 BWArt. 1:377a lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling omgangsregeling tussen vader en minderjarige in belang van het kind

In deze zaak staat de invulling van het recht op omgang tussen een vader en zijn minderjarige zoon centraal. De rechtbank Midden-Nederland wees op 27 juni 2025 een beschikking af waarin het verzoek van de vader tot een omgangsregeling werd afgewezen. De vader ging hiertegen in hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

De minderjarige verblijft in een gezinshuis en heeft sinds 2022 een voogd die het gezag voert. Zowel de vader als de minderjarige gaven aan behoefte te hebben aan meer contact. Uit het dossier en de mondelinge behandeling bleek dat de omgang momenteel éénmaal per acht weken onder begeleiding plaatsvindt, maar dat de minderjarige stressreacties vertoont rondom deze momenten. Het is onduidelijk waar deze reacties precies vandaan komen.

Het hof stelde vast dat het belang van de minderjarige centraal staat en dat de omgangsregeling moet aansluiten bij zijn draagkracht en welzijn. Daarom werd een regeling vastgesteld waarbij de vader en de minderjarige eens per zes weken anderhalf uur onder begeleiding fysiek contact hebben, met om de week een videobelcontact. De voogd krijgt de regie over de omgang en kan de frequentie aanpassen afhankelijk van de draagkracht van de minderjarige. De voogd moet ook actief onderzoeken en evalueren of de omgang passend is.

Het hof benadrukte dat de omgang in de toekomst kan worden uitgebreid of verminderd, afhankelijk van wat het beste is voor het kind. Tevens werd erkend dat de vader betrokken zal worden bij de behandeling van de minderjarige, wat positief wordt bevonden. De eerdere beschikking van de rechtbank werd vernietigd en de nieuwe omgangsregeling vastgesteld.

Uitkomst: Het hof vernietigt de eerdere beschikking en stelt een omgangsregeling vast met begeleide fysieke omgang eens per zes weken en videobellen om de week, met regie bij de voogd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.359.367
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 588448)
beschikking van 10 maart 2026
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeentenaam] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. F. Pool,
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de voogd.
Als belanghebbenden zijn ook aangemerkt:
De gezinshuisouders van [de minderjarige],
wonende op een bij het hof bekend adres,
verder te noemen: de gezinshuisouders.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 27 juni 2025, uitgesproken onder zaaknummer 588448, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 17 september 2025;
- het verweerschrift van de voogd met producties;
- een journaalbericht van mr. Pool van 19 januari 2026 met producties 9 tot en met 11.
2.2
De minderjarige [de minderjarige] heeft zijn mening over het verzoek in een briefje van 2 februari 2026 aan het hof kenbaar gemaakt.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 3 februari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de voogd;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).
De partner van de vader en de CABW-begeleider van de vader hebben de mondelinge behandeling met bijzondere toegang als toehoorder bijgewoond.

3.De feiten

3.1
[de minderjarige] is de zoon van de vader. [de minderjarige] is [in] 2017 geboren.
3.2
Bij beschikking van 29 juni 2022 van de rechtbank Limburg is het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en is de voogd belast met de voogdij over [de minderjarige] . Deze
beslissing is bij beschikking van 26 januari 2023 door het hof ’s-Hertogenbosch
bekrachtigd.
3.3
[de minderjarige] verblijft in een gezinshuis van [naam1] .

4.De omvang van het geschil

4.1
In geschil is de invulling van het recht op omgang van de vader met [de minderjarige] .
Bij de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang, het verzoek van de vader om
primaireen omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige] vast te stellen, zoals door hem verwoord (een opbouwregeling), dan wel
subsidiaireen omgangsregeling vast te stellen die de rechtbank juist vindt, dan wel
meer subsidiairde zaak aan te houden en een onderzoek door de raad te gelasten, afgewezen.
4.2
De vader is het niet eens met die beslissing en is met een grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en
primaireen omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige] vast te stellen waarbij de vader éénmaal in de maand, voor de duur van anderhalf uur, begeleide omgang heeft met [de minderjarige] en een wekelijks belmoment heeft met [de minderjarige] , dan wel
subsidiaireen omgangregeling te bepalen die het hof juist vindt.
4.3
De voogd voert verweer en vraagt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken in hoger beroep, dan wel die verzoeken af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouder(s) en andersom is dat ook het geval [1] . De rechter kan op verzoek van de ouders of van één van hen een omgangsregeling vaststellen [2] .
5.2
De vader en [de minderjarige] zien elkaar op dit moment éénmaal in de acht weken, gedurende anderhalf uur onder begeleiding. Zowel de vader als [de minderjarige] hebben laten weten dat zij behoefte hebben aan meer omgang. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen moet bij het beslissen over de omgang tussen de vader en [de minderjarige] worden gekeken naar wat de vader [de minderjarige] kan bieden en naar wat [de minderjarige] aankan als het gaat om omgang met zijn vader.
5.3
Uit de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken blijkt dat [de minderjarige] zowel voorafgaand aan, als na de omgang met de vader verhoogd stressgedrag laat zien. Zo wordt hij sneller boos, schreeuwt hij vaker en slaapt hij onrustiger. Deze klachten nemen enkele dagen na de omgang met de vader weer af.
Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat niet duidelijk is waar deze reactie van [de minderjarige] (kennelijk) op de omgang met de vader vandaan komt. In dat kader is aan de orde gesteld dat niet kan worden uitgesloten dat de spanningen bij [de minderjarige] voortkomen uit het feit dat hij zijn vader weinig ziet. Een iets uitgebreidere omgangsregeling zou in dat geval wellicht een positief effect op [de minderjarige] kunnen hebben, dit eens te meer omdat [de minderjarige] heeft laten weten dat hij zijn vader meer zou willen zien.
Gelet hierop vindt het hof het belangrijk dat bekeken gaat worden welke frequentie van omgang het meest in het belang van [de minderjarige] is. In dat kader vindt het hof ook belangrijk dat gebleken is dat de huidige omgangsregeling goed verloopt, dat [de minderjarige] daarvan geniet, dat het zoals de rechtbank al heeft overwogen beter gaat met de vader en ook dat [de minderjarige] voorzichtige positieve stappen laat zien. Zo krijgt [de minderjarige] langzaamaan vertrouwen in zijn opvoeders, durft hij de regie meer los te laten en heeft hij nieuwe medicatie waar hij baat bij heeft.
5.4
Gelet op het voorgaande zal het hof een omgangsregeling vaststellen die inhoudt dat de vader en [de minderjarige] eens per twee weken contact met elkaar hebben, in die zin dat zij éénmaal in de zes weken, voor de duur van anderhalf uur onder begeleiding, (fysiek) omgang hebben met elkaar hebben en tussen de omgangmomenten in, om de week, met elkaar zullen videobellen (dus: week 1 – fysiek omgang, 2 – geen contact, 3 – videobellen, 4 – geen contact, 5 – videobellen, 6 – geen contact), met dien verstande:
- dat als blijkt dat [de minderjarige] dit aankan, de omgang wordt uitgebreid, in die zin dat de vader en [de minderjarige] dan éénmaal in de vier weken, voor de duur van anderhalf uur onder begeleiding omgang met elkaar hebben en tussen de omgangsmomenten in éénmaal met elkaar zullen videobellen (dus: week 1 – fysiek omgang, 2 – geen contact, 3 – videobellen, 4 – geen contact),
- dat als blijkt dat [de minderjarige] dit niet aankan, de omgang wordt teruggebracht naar éénmaal in de acht weken, voor de duur van anderhalf uur onder begeleiding.
De voogd zal de regie hebben over de omgangsregeling. Ook de inschatting of [de minderjarige] de omgangsregeling aankan, is aan de voogd. Het is aan de voogd om actief te onderzoeken wat de mogelijkheden in de contactmomenten tussen [de minderjarige] en de vader zijn en om te evalueren of de omgang aansluit bij de draagkracht en het welzijn van [de minderjarige] . Het hof benadrukt dat de voogd ook kan kijken naar omstandigheden waaronder de omgang plaatsvindt, zoals de locatie waar de omgang plaatsvindt en de mogelijkheden tot het ondernemen van activiteiten tijdens de omgang.
5.5
Het hof benadrukt dat het voorgaande kan betekenen dat de omgang in de toekomst verder wordt uitgebreid, maar dat dit ook kan betekenen dat de omgang in het belang van [de minderjarige] weer moet worden verminderd. Het hof vindt het van belang dat de voogd [de minderjarige] hier goed in begeleidt en met hem bespreekt dat gekeken gaat worden naar wat voor de omgang met zijn vader het beste is, waarbij voor [de minderjarige] duidelijk wordt gemaakt dat een eventuele vermindering van het aantal contactmomenten niet aan hem ligt.
5.6
Zoals de raad tijdens de mondelinge behandeling heeft benadrukt is het van belang dat de vader zich realiseert dat als het uitbreiden van de omgang te ontregelend voor [de minderjarige] blijkt te zijn, de contacten worden teruggebracht. Of de omgang te ontregelend is, is zoals hiervoor al overwogen, aan het oordeel van de voogd.
5.7
Gelet op het voorgaande zal het hof na te melden omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] vaststellen, welke regeling het meest in het belang van [de minderjarige] wordt geacht.
5.8
In aanvulling op het voorgaande merkt het hof het volgende op. Uit de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken blijkt dat de problematiek van [de minderjarige] moeilijk te begrijpen is voor de vader, omdat [de minderjarige] tijdens de omgangsmomenten geen afwijkend of problematisch gedrag laat. De vader heeft laten weten dat hij graag wil worden meegenomen in het bespreken van de ontwikkelingen en/of problematiek van [de minderjarige] . De voogd heeft in dat kader benadrukt dat [de minderjarige] inmiddels is begonnen met de methode ‘Slapende Honden’ en dat de vader daarbij betrokken zal worden. Het hof vindt het positief dat de vader heeft laten weten dat hij bereid is daar aan mee te werken.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 27 juni 2025 en, opnieuw beschikkende:
stelt als omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] vast de vader en [de minderjarige] eens per twee weken contact met elkaar hebben, in die zin dat zij éénmaal in de zes weken, voor de duur van anderhalf uur onder begeleiding, (fysiek) omgang hebben met elkaar hebben en tussen de omgangmomenten in, om de week, met elkaar zullen videobellen, met dien verstande:
- dat als blijkt dat [de minderjarige] dit aankan, de omgang wordt uitgebreid, in die zin dat de vader en [de minderjarige] dan éénmaal in de vier weken, voor de duur van anderhalf uur onder begeleiding omgang met elkaar hebben en tussen de omgangsmomenten in éénmaal met elkaar zullen videobellen,
- dat als blijkt dat [de minderjarige] dit niet aankan, de omgang wordt teruggebracht naar éénmaal in de acht weken, voor de duur van anderhalf uur onder begeleiding,
waarbij de voogd de regie over de omgangsregeling heeft en het oordeel of [de minderjarige] de omgangsregeling al dan niet aankan aan de voogd is;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, R. Feunekes en S. Kuijpers, bijgestaan door mr. M.A. Mertens als griffier, en is op 10 maart 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

1.Artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)
2.Artikel 1:377a lid 2 BW