ECLI:NL:GHARL:2026:1458

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
200.363.013
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 onder a en b BWArt. 1:265b lid 1 BWVerordening (EU) 2019/1111 (Brussel II ter), art. 7
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing minderjarige wegens ernstige zorgen over verzorging en veiligheid

De kinderrechter heeft op 3 oktober 2025 een minderjarige onder toezicht gesteld van een gecertificeerde instelling (GI) en een machtiging tot uithuisplaatsing verleend. De vader, die samen met de moeder het gezag heeft, is het hier niet mee eens en heeft hoger beroep ingesteld. De moeder woont in Syrië, de vader en de minderjarige zijn in 2023 naar Nederland gekomen.

Het hof heeft vastgesteld dat de Nederlandse rechter bevoegd is omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is. De vader betoogt dat de maatregelen te zwaar zijn en dat cultuur-sensitieve hulpverlening nodig is. De raad en GI handhaven hun zorgen over de opvoedingssituatie, met name over de basale verzorging, veiligheid en het schoolbezoek van de minderjarige.

Het hof oordeelt dat de zorgen ernstig en bedreigend zijn voor de ontwikkeling van de minderjarige en dat de vader onvoldoende meewerkt aan hulpverlening. De cultuurverschillen nemen niet weg dat de basale zorg en veiligheid gewaarborgd moeten zijn. De beschikking van de kinderrechter wordt daarom bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wegens ernstige zorgen over verzorging en veiligheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
zaaknummer gerechtshof 200.363.013
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 599498
beschikking van 10 maart 2026
over de uithuisplaatsing van [de minderjarige]
in de zaak van
[verzoeker](de vader)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. F.R.G. Drenth
en
de raad voor de kinderbescherming(de raad)
die is gevestigd in Utrecht
en
[belanghebbende](de moeder)
die woont in Syrië
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming Reclassering(de GI)
die is gevestigd in Amsterdam

1.Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft op 3 oktober 2025 [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 3 oktober 2026 en machtiging tot uithuisplaatsing verleend tot 3 april 2026.
Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] geboren [in] 2011 in Syrië.
2.2.
Zij hebben samen het gezag over [de minderjarige] .
2.3.
De vader en [de minderjarige] zijn in september 2023 naar Nederland gekomen. Zij hebben beiden de Syrische nationaliteit.
2.4.
De moeder woont in Syrië.
2.5.
[de minderjarige] is eind juni 2025 geplaatst in een gezinshuis. Sinds begin augustus 2025 woont [de minderjarige] op een groep van [naam] in [plaats] .

3.De procedure bij de kinderrechter

3.1.
De raad heeft de kinderrechter verzocht om [de minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van een jaar. Daarnaast heeft de raad verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van negen maanden.
3.2.
De kinderrechter heeft het verzoek van de raad (gedeeltelijk) toegewezen. De kinderrechter heeft [de minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 3 oktober 2025 tot 3 oktober 2026. Daarnaast heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpverlener verleend met ingang van 3 oktober 2025 tot 3 april 2026. Tot slot heeft de kinderrechter het meer of anders verzochte afgewezen.
3.3.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 3 oktober 2025.

4.De procedure bij het hof

4.1.
De vader is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Hij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ten aanzien van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing ongedaan maakt.
4.2.
De raad en de GI willen dat de beslissing in stand blijft. De moeder wil dat [de minderjarige] weer bij de vader komt te wonen.
De informatie die het hof heeft ontvangen
4.3.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het beroepschrift, ingekomen op 25 december 2025
  • een brief van de GI van 21 januari 2026 met een productie
  • een journaalbericht namens de vader van 3 februari 2026 met een productie.
4.4.
[de minderjarige] heeft op 26 januari 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. [de minderjarige] heeft verteld dat zij niet uithuisgeplaatst wil zijn, maar dat zij bij de vader wil wonen.
4.5.
De zitting bij het hof was op 5 februari 2026. Aanwezig waren:
  • de vader met zijn advocaat en een tolk
  • een vertegenwoordiger van de raad
  • een vertegenwoordiger van de GI
  • de moeder via beeldverbinding.
5. Het oordeel van het hof
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
De vader en [de minderjarige] hebben de Syrische nationaliteit. De zaak heeft daarom een internationaal karakter, zodat eerst de vraag moet worden beantwoord of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt. Op grond van artikel 7 van Pro de hier toepasselijke Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (Brussel II ter) zijn in zaken zoals deze, die de ouderlijke verantwoordelijkheid betreffen, bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.
5.2.
In de stukken is te lezen dat [de minderjarige] samen met de vader in september 2023 naar Nederland is gekomen. Het hof leidt hieruit af dat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] op het moment van het indienen van het verzoek in Nederland was. Daarom is de Nederlandse rechter bevoegd kennis te nemen van het verzoek. Omdat geen grieven zijn gericht tegen de toepassing van Nederlands recht door de kinderrechter, zal ook het hof daarvan uitgaan.
Wat staat in de wet over de ondertoezichtstelling?
5.3.
De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening.
Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging binnen een aanvaardbare termijn weer helemaal zelf op zich kunnen nemen [1] . Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling.
Wat staat in de wet over de machtiging tot uithuisplaatsing?
5.4.
De kinderrechter kan een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen [2] .
Wat vinden partijen?
5.5.
De vader vindt dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing te zwaar en daarmee niet gerechtvaardigd zijn. De vader vreest dat de uithuisplaatsing een negatieve impact heeft op [de minderjarige] . [de minderjarige] mist haar vader en wil naar hem terug. Ook de vader wil dat [de minderjarige] weer bij hem komt wonen en dat het tussen hen weer wordt zoals het was. De vader heeft weliswaar de mogelijkheden van gezinshereniging met de moeder met [de minderjarige] besproken, maar dat was nodig omdat [de minderjarige] daarnaar vroeg, omdat zij haar moeder mist. De vader erkent verder dat er verbeterpunten zijn in zijn opvoedingstijl, maar daar heeft hij hulp voor gevraagd. De vader heeft alleen geen hulp en adviezen gekregen. Er wordt volgens de vader bovendien onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheid dat de vader en [de minderjarige] uit Syrië zijn gevlucht en nog maar kort in Nederland zijn. Er moet daarom cultuur-sensitieve hulpverlening worden ingezet. De vader staat nu ingeschreven in de gemeente [gemeentenaam] . De gemeente kan de vader en [de minderjarige] helpen met een woning en hulpverlening realiseren. Een ondertoezichtstelling is daarom niet nodig.
5.6.
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling gevraagd de bestreden beschikking in stand te laten (te bekrachtigen). Tijdens het raadsonderzoek zijn door de raad behoorlijke zorgen gezien in de thuissituatie bij de vader die na de uithuisplaatsing ook nog steeds worden gezien. Deze zorgen zien volgens de raad vooral op de interactie tussen [de minderjarige] en de vader. Zodra [de minderjarige] haar vader ziet, dan verandert zij weer in een klein meisje. De raad begrijpt dat de vader belangrijk is voor [de minderjarige] , zeker omdat zij niemand anders heeft in Nederland, maar de raad vindt het niet in het belang van [de minderjarige] als de vader een te grote rol in haar leven heeft die ertoe leidt dat [de minderjarige] onvoldoende tot ontwikkeling komt. [de minderjarige] is een puber en probeert op haar manier te integreren in de Nederlandse cultuur. Het is in Nederland cultureel anders dan in Syrië, maar als de vader [de minderjarige] niet toestaat om contact met jongens te hebben, dan maakt hij het onmogelijk voor [de minderjarige] om zich in Nederland adequaat te ontwikkelen. [de minderjarige] moet naar school kunnen gaan en relaties aan kunnen gaan. De raad wil daarbij sensitief zijn voor andere culturen, maar dat neemt niet weg dat de situatie in Nederland anders is dan in Syrië. De raad concludeert dat [de minderjarige] nu niet terug naar de vader kan. Voordat hiervan sprake kan zijn, zal de vader positieve stappen moeten zetten in de samenwerking en communicatie met de GI en hulpverlening, aldus nog steeds de raad.
5.7.
De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat [de minderjarige] terug moet naar de vader. Volgens de moeder kan niemand een vader- of moederrol overnemen. Mogelijk wordt bij [naam] goed voor [de minderjarige] gezorgd en hebben de medewerkers daar goede intenties met [de minderjarige] , maar daarmee kunnen ze niet de vaderrol overnemen.
Hoe oordeelt het hof?
5.8.
Het hof is van oordeel dat de kinderrechter [de minderjarige] op goede gronden onder toezicht heeft gesteld van de GI en ook terecht een machtiging tot uithuisplaatsing heeft verleend. Het hof is het eens met de overwegingen van de kinderrechter.
5.9.
Het hof overweegt aanvullend dat het de vader niet is gelukt om de door de kinderrechter genoemde zorgen, die zijn geconstateerd door de raad, [naam] en het COA, weg te nemen. Sterker nog: tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader verklaard dat er - buiten de omstandigheid dat [de minderjarige] niet bij hem woont - geen zorgen over haar zijn en dat hij geen hulpverlening nodig heeft. Het hof volgt de vader hierin niet. De zorgen over de opvoedsituatie zien zowel op de basale zorg, als op de veiligheid van [de minderjarige] . De kinderrechter noemt dat de kamer waar [de minderjarige] bij de vader verbleef ernstig was vervuild, dat [de minderjarige] niet werd geholpen bij haar lichamelijke verzorging, er niet veel structuur was en dat [de minderjarige] tot laat in de nacht op haar telefoon zat. Daarnaast ging [de minderjarige] weinig naar school en kreeg zij door de vader taken toebedeeld die niet passend zijn bij haar leeftijd. Dit zijn ernstige zorgen die bedreigend zijn voor de ontwikkeling van [de minderjarige] en die moeten worden weggenomen voordat gekeken kan worden of [de minderjarige] weer bij de vader kan gaan wonen. Gelet op het beperkte probleeminzicht heeft de vader hier hulp bij nodig. Niet is gebleken dat het de vader lukt op vrijwillige basis aan hulpverlening mee te werken.
5.10.
De vader voert aan dat er cultuur-sensitieve hulpverlening moet worden ingezet en dat hij door zijn achtergrond met achterdocht wordt benaderd. Het hof benadrukt nogmaals dat de zorgen over [de minderjarige] zien op haar basale verzorging en veiligheid. Deze zorgen zijn groot en ernstig en moeten worden weggenomen, ongeacht in welke cultuur [de minderjarige] opgroeit en wordt opgevoed. Het hof is het niet dan ook niet eens met de vader dat er door de raad, de GI en de hulpverlening onvoldoende aandacht is geweest voor de omstandigheid dat sprake is van een andere, namelijk de Syrische, cultuur. Dit neemt niet weg dat er een evenwicht dient te zijn waarbij [de minderjarige] zich enerzijds ontwikkelt binnen de Nederlandse cultuur en er anderzijds oog en respect is voor de cultuur en achtergrond van [de minderjarige] .
5.11
[de minderjarige] heeft met een raadsheer en een griffier van het hof gesproken en verteld dat zij bij de vader wil wonen. Deze beslissing is anders. Het hof gaat er vanuit dat de jeugdbeschermer deze beslissing met [de minderjarige] zal bespreken.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 3 oktober 2025.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, M.L. van der Bel en H. Phaff, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.

Voetnoten

1.artikel 1:255 lid 1 onder Pro a en b BW
2.artikel 1:265b lid 1 BW.