ECLI:NL:GHARL:2026:1464

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
200.336.313
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:377 BWArt. 6:248 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding pachtovereenkomst en bepaling schadeloosstelling met benoeming deskundigen

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in hoger beroep geoordeeld dat de pachtovereenkomst tussen Staatsbosbeheer en de pachter ontbonden wordt per 1 december 2026. Het hof gaf partijen de gelegenheid om zich uit te laten over het tijdstip van ontbinding, het voorschot op schadeloosstelling en de benoeming van deskundigen.

Partijen konden geen overeenstemming bereiken over de ontbindingsdatum; Staatsbosbeheer wilde 1 december 2026, de pachter stelde 1 december 2027 voor. Het hof koos voor de datum van 1 december 2026 en legde een dwangsom van €500 per dag met een maximum van €50.000 op voor het geval de pachter niet tijdig ontruimt.

Het hof benoemde drie deskundigen om de schadeloosstelling te bepalen, waarbij Staatsbosbeheer het voorschot op de kosten van deze deskundigen moet betalen. De schadeloosstelling wordt berekend op basis van de tijd die de pachter bij niet-ontbinding nog op het gepachte had kunnen blijven, rekening houdend met mogelijke verlenging van de overeenkomst. Het hof verwierp het beroep van Staatsbosbeheer op artikel 6:248 BW Pro om de schadeloosstelling te verminderen vanwege het weigeren van vervangende grond door de pachter.

De deskundigen moeten hun rapport uiterlijk 16 juni 2026 indienen, waarna partijen zich kunnen uitlaten. De zaak wordt verwezen naar de rol van 14 juli 2026 voor verdere behandeling. Het arrest is gewezen in aanwezigheid van de griffier en openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.

Uitkomst: De pachtovereenkomst wordt ontbonden per 1 december 2026 met een dwangsom bij niet-tijdige ontruiming en benoeming van deskundigen voor schadeloosstelling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.336.313
zaaknummer rechtbank 10439760
arrest van de pachtkamer van 10 maart 2026
in de zaak van
Staatsbosbeheer
die is gevestigd in Amersfoort
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie, verweerster in (voorwaardelijke) reconventie
hierna: SBB
advocaat: mr. E.H.M. Harbers
tegen
[geïntimeerde] ,
die woont in [woonplaats] , gemeente [gemeente 1]
die bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie, eiser in (voorwaardelijke) reconventie
hierna: [pachter]
advocaat: mr. A. van Weverwijk

1.Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

Na het tussenarrest van 8 april 2025 (hierna: het tussenarrest) heeft Staatsbosbeheer een akte genomen, waarop [pachter] bij akte heeft gereageerd.

2.De verdere beoordeling in hoger beroep

Inleiding
2.1.
Het hof heeft in zijn tussenarrest van 8 april 2025 geoordeeld dat de pachtovereenkomst tussen SBB en [pachter] zal worden ontbonden op grond van artikel 7:377 BW Pro en dat SBB aan [pachter] een schadeloosstelling moet betalen over de tijd, die hij bij niet-ontbinding ingevolge de pachtovereenkomst nog op het gepachte had kunnen blijven, waarbij rekening gehouden wordt met de mogelijkheid dat de pachtovereenkomst zou worden verlengd.
2.2.
Het hof heeft partijen gelegenheid geboden om een akte te nemen om zich uit te laten over (i) het tijdstip van ontbinding en ontruiming, (ii) welk voorschot op de schadeloosstelling SBB aan [pachter] moet betalen en (iii) de personen, hoedanigheden en adressen van de te benoemen deskundigen, de bevoorschotting van deze deskundigen en de verdere algemene voorwaarden waaronder de opdracht aan deskundigen zou moeten worden verstrekt. Het hof heeft geoordeeld dat SBB het voorschot van de deskundigen moet betalen.
(i) het tijdstip van ontbinding en dwangsom
2.3.
Het hof had in zijn tussenarrest partijen gevraagd zich uit te laten over de datum van ontbinding en ontruiming om te zien of partijen met een gezamenlijk plan konden komen om de schade die het gevolg is van ontbinding zoveel mogelijk te beperken. Het hof constateert dat het partijen niet gelukt is over een datum van ontbinding overeenstemming te bereiken. SBB wil ontbinding en ontruiming per 1 december 2026, omdat zij niet voor die tijd over de gepachte percelen hoeft te beschikken. [pachter] stelt een datum voor van 1 december 2027.
2.4.
Het hof zal de ontbinding en ontruiming van de pachtovereenkomst uitspreken per 1 december 2026. Daarmee is [pachter] nog een ruime termijn gegeven om zich op de ontruiming voor te bereiden. Dat een latere termijn op zijn plaats is heeft [pachter] onvoldoende gemotiveerd. Het hof zal de beslissing tot ontbinding en ontruiming voorlopig aanhouden tot duidelijk is geworden of het hof in het arrest waarin het de ontbinding uitspreekt ook de schadeloosstelling kan uitspreken, of dat het in dat arrest een voorschot moet bepalen dat Staatsbosbeheer moet betalen, zoals hieronder toegelicht.
2.5.
SBB heeft gevraagd om aan het bevel tot ontruiming een dwangsom te verbinden. [pachter] heeft betwist dat een dwangsom nodig is, omdat niets erop wijst dat [pachter] zich niet aan een voor hem ongunstig arrest zou houden. Ook vindt hij de gevorderde dwangsom te hoog.
2.6.
Het hof zal een gematigde dwangsom toewijzen omdat [pachter] weliswaar zegt dat een dwangsom niet nodig is maar ook niet onvoorwaardelijk heeft toegezegd de gepachte percelen tijdig te ontruimen. Het hof zal een dwangsom toewijzen van € 500 per dag met een maximum van € 50.000 als [pachter] niet tijdig het gepachte ontruimt.
(ii) het voorschot op de schadeloosstelling
2.7.
Het hof zal de beslissing welk voorschot SBB moet betalen aanhouden. SBB heeft betoogd dat een eindoordeel over de schadeloosstelling voor 1 december 2026 mogelijk moet zijn. Mocht die datum niet gehaald worden dan zal het hof alsnog een voorschot bepalen en betaling daarvan gelijktijdig met de ontbinding van de pachtovereenkomst uitspreken.
2.8.
Omdat partijen voldoende tijd moeten hebben om zich over het rapport van de deskundigen uit te laten en er voldoende tijd moet zijn om een arrest te wijzen, vraagt het hof de deskundigen om vóór 16 juni 2026 hun eindrapport aan het hof te sturen, of, als dat niet mogelijk is, uiterlijk deze datum een concept-rapport aan het hof te sturen op grond waarvan partijen zich zullen kunnen uitlaten over een door Staatsbosbeheer te betalen voorschot. Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen van 14 juli 2026. Op die datum kan SBB ofwel zich uitlaten over het eindrapport van de deskundigen ofwel zich uitlaten over het te bepalen voorschot en het concept-rapport van de deskundigen. Daarop mag [pachter] bij akte reageren. Het hof zal vervolgens de ontbinding en ontruiming uitspreken en ofwel de schadeloosstelling bepalen, ofwel een voorschot op de schadeloosstelling bepalen.
(iii) De schadeloosstelling en de vraagstelling aan de deskundigen
2.9.
Nu het hof de pachtovereenkomst zal ontbinden, zal het hof SBB veroordelen om [pachter] schadeloos te stellen over de tijd, die de pachter bij de niet-ontbinding ingevolge de pachtovereenkomst nog op het gepachte had kunnen blijven, met inachtneming van wat het hof in het tussenarrest heeft overwogen (zie met name rov. 3.22 en 3.23).
2.10.
Het hof zal dan ook als vragen aan de deskundigen stellen:
1. Welke schadeloosstelling komt [pachter] toe vanwege de ontbinding van de pachtovereenkomst per 1 december 2026 met betrekking tot de percelen kadastraal bekend gemeente [gemeente 2] , sectie [sectieletter] nrs. [sectienummer 1] gedeeltelijk, [sectienummer 2] , [sectienummer 3] en [sectienummer 4] gezamenlijk groot 51.12.20 ha waarbij uitgegaan moet worden van de mogelijkheid dat de pachtovereenkomst zou worden verlengd zoals door het hof geoordeeld in rov 3.22 en 3.23 van het tussenarrest van 8 april 2025.
2. Geeft het antwoord op bovenstaande vraag nog aanleiding tot het maken van opmerkingen die in verband met de beslissing van dit geschil van belang zouden kunnen zijn.
2.11.
SBB stelt voor om bij deze vraagstelling op te nemen dat bij de bepaling van het voorschot rekening moet worden gehouden met de beperkingen die voortvloeien uit de lopende pachtovereenkomst. [pachter] verzet zich daartegen. Het hof zal deze toevoeging niet opnemen in de vraagstelling, omdat in de vraag naar welke schadeloosstelling [pachter] toekomt is begrepen wat de juiste schadeloosstelling is voor het verlies van deze specifieke pachtovereenkomst. Voor zover dát bedoeld wordt voegt de voorgestelde toevoeging niets toe. Voor zover met deze toevoeging een verdere beperking van de schadeloosstelling beoogd wordt bestaat daarvoor geen grondslag.
2.12.
SBB wil ook bij de vraagstelling opnemen dat rekening moet worden gehouden met het aanbod voor vervangende pachtgrond dat SBB aan [pachter] heeft gedaan ter beperking van de schade die het gevolg is van de ontbinding. Ook daartegen verzet [pachter] zich. Het hof zal ook deze toevoeging niet opnemen. De deskundigen moeten de schadeloosstelling berekenen zodanig dat de pachter in dezelfde positie zou zijn gebracht als wanneer het gepachte zou zijn onteigend. Daarbij is het niet op voorhand zo dat de schadeloosstelling verminderd moet worden als de pachter een aanbod om vervangende grond te pachten weigert. [1] Voor zover SBB een beroep heeft gedaan op artikel 6:248 BW Pro gaat dat niet op, alleen al omdat nog niet duidelijk is welk aanbod SBB aan [pachter] wil gaan doen.
(iii) benoeming van deskundigen en bevoorschotting
2.13.
SBB heeft de volgende deskundigen voorgesteld:
[deskundige 1] (als voorzitter)
't Regthuys B.V.
[adres 1]
[postcode/plaats 1]
telefoon: [telefoonnummer 1]
e-mail: [e-mailadres 1]
[deskundige 2]
‘t Schoutenhuis
[postbusnummer]
[postcode/plaats 3]
telefoon: [telefoonnummer 2]
mail: [e-mailadres 2]
[deskundige 3]
[adres 2]
[postcode/plaats 2]
telefoon: [telefoonnummer 3]
e-mail: [e-mailadres 3]
[pachter] heeft, nadat tegen een eerdere door SBB voorgestelde deskundige bezwaar gemaakt is, tegen benoeming van deze deskundigen geen bezwaar gemaakt. De deskundigen hebben verklaard dat zij vrijstaan. Het hof zal dus de bovengenoemde deskundigen benoemen. Partijen stemmen in met de door de deskundigen te hanteren algemene voorwaarden (de algemene voorwaarden op de site van ‘t Regthuys voor de heer [deskundige 1] en de Regeling van Rentmeesters 2020 voor de heren [deskundige 2] en [deskundige 3] ) en de door de deskundigen genoemde tarieven respectievelijk € 340, € 205 en € 215 exclusief btw).
2.14.
Het hof heeft geoordeeld dat SBB het voorschot van de deskundigen moet betalen. SBB heeft erop gewezen dat het bij onteigening niet gebruikelijk is dat met bevoorschotting van de deskundigen gewerkt wordt. Als de deskundigen de betaling van een voorschot wensen is zij bereid een redelijk voorschot te betalen. Ook heeft SBB aangegeven tussentijdse declaraties van de deskundigen te willen voldoen. [pachter] heeft zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van het hof. De deskundigen hebben verklaard bereid te zijn zonder voorschot te willen werken. Het hof zal daarom geen voorschot bepalen, maar Staatsbosbeheer bij eindarrest veroordelen de kosten van de deskundigen te betalen.

3.De beslissing

Het hof:
Benoeming deskundigen
3.1.
benoemt tot deskundigen:
[deskundige 1] (als voorzitter)
't Regthuys B.V.
[adres 1]
[postcode/plaats 1]
telefoon: [telefoonnummer 1]
e-mail: [e-mailadres 1]
[deskundige 2]
‘t Schoutenhuis
[postbusnummer]
[postcode/plaats 3]
telefoon: [telefoonnummer 2]
mail: [e-mailadres 2]
[deskundige 3]
[adres 2]
[postcode/plaats 2]
telefoon: [telefoonnummer 3]
e-mail: [e-mailadres 3]
om een onderzoek in te stellen en schriftelijk bericht uit te brengen over de vragen in rov. 2.10.
Aanwijzing voor de deskundigen
3.2.
De deskundigen moeten schriftelijk antwoorden op de hiervoor onder rov. 2.10 geformuleerde vragen. Het hof verstaat dat één of meerdere deskundigen in ieder geval ter plaatse in aanwezigheid van de partijen die daarbij willen zijn het gepachte zal opnemen. Een zitting onder leiding van een raadsheer-commissaris ter plaatse van het gepachte is niet noodzakelijk.
3.3.
Bij de uitvoering van het onderzoek moeten de deskundigen voor zover mogelijk en relevant de
Leidraad deskundige in civiele zakenvolgen die is gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
3.4.
Als de deskundigen vragen hebben, kunnen zij die stellen aan mr. M.S.A. van Dam, die voor dat doel hierbij wordt aangewezen als raadsheer-commissaris.
3.5.
De deskundigen moet het deskundigenbericht vóór 16 juni 2026 sturen naar het hof (postbus 9030, 6800 EM, Arnhem). Indien op die datum geen eindrapport aan het hof gestuurd kan worden, worden de deskundigen verzocht vóór 16 juni 2026 een concept-rapport naar het hof te sturen.
Aanwijzingen voor partijen
3.6.
SBB moet aan de deskundigen een kopie van het dossier sturen. De griffier stuurt de deskundigen een kopie van dit arrest.
3.7.
Partijen moeten de deskundigen de inlichtingen geven waarom deze vraagt.
3.8.
Het hof verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 14 juli 2026 opdat SBB een akte kan nemen met de inhoud zoals in rov. 2.8 is bepaald. Op dinsdag 11 augustus 2026 mag [pachter] daarop reageren.
3.9.
Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.S.A. van Dam, Th.C.M. Willemse, S.C.P. Giesen, en de deskundige leden mr. ing. E. Oostra en B.Th.W. Lamers en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.

Voetnoten

1.Vgl. HR 27 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8277.