Uitspraak
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
2.De kern van de zaak
Tussen partijen bestaat geen gemeenschap van goederen, met uitzondering van de hierna vermelde gemeenschap van de goederen behorende tot de inboedel en behoudens de mogelijkheid dat goederen in gemeenschap worden verkregen krachtens een gezamenlijke aankoop, door schenking of krachtens erfrecht of door een andere gezamenlijke verkrijging.
569576) het volgende gevorderd (letterlijk weergegeven).
569576) het volgende gevorderd (letterlijk weergegeven).
569576) de volgende beslissingen genomen (letterlijk weergegeven).
200.359.387/01) het volgende (letterlijk weergegeven).
588175/200.354.435 en 591695/200.355.926) komen hierna nog ter sprake. Kort gezegd vorderde [geïntimeerde] in het kort geding 588175/200.354.435 opheffing van de gelegde beslagen. De voorzieningenrechter heeft die vorderingen grotendeels toegewezen voor wat betreft de op 24 april en 19 oktober gelegde beslagen. In het kort geding 591695/200.355.926 vorderde [geïntimeerde] teruggave door [appellante] van de goederen waarvan het beslag was opgeheven op verbeurte van een dwangsom. Die vorderingen zijn door de voorzieningenrechter ook toegewezen. In hoger beroep komt [appellante] op tegen de beide beslissingen van de voorzieningenrechter.
569576/200.359.387/01).
3.De toelichting op de beslissingen van het hof
de sieradenmoeten meerdere beslissingen worden genomen. Die komen hierna afzonderlijk aan de orde.
het conservatoir (revindicatoir) beslag van 16 oktober 2024
588175/200.354.435. Dat wordt hierna toegelicht.
591695/200.355.926bouwt op de eerste beslissing van de voorzieningenrechter voort, en ook hier protesteert [appellante] tegen de genomen beslissing. Die luidt dat zij een dwangsom is verschuldigd indien zij nalaat te voldoen aan de veroordeling in de hiervoor behandelde zaak, voor zover die strekt tot het terugbezorgen van de beslagen zaken (het hof leest: sieraden).
de eigendom van de sieraden
het bewijsaanbod van [appellante]
afgifte van de sieraden door [appellante] (de dwangsom)
vergoeding van de door [appellante] gemaakte beslagkosten
de verplichting van [appellante] om handelaren te informeren
de schadevordering van [geïntimeerde] op grond van op 16 oktober 2024 onrechtmatig gelegd beslag op de sieraden
de verdeling van de inboedel
in Nederland: afgifte aan [appellante] (de dwangsom)
in Nederland: het conservatoir beslag van 20 december 2023
net school zonder die af te ronden en zoveel spaargeld kon ze nog niet hebben. Mijn vader verdiende € 900 per maand en gaf gelijk uit wat ie binnenkreeg(…). Daar is geen financieel hulp van gekomen voor het inrichten of het afwerken van de twee woningen (…).[appellante] heeft weliswaar verklaard dat de relatie met haar broer verstoord is en dat hij een goede relatie heeft met [geïntimeerde] , maar dat op zichzelf maakt nog niet voldoende aannemelijk dat hij in strijd met de waarheid zou verklaren.
Mini Cooper
Mini Coopervalt uiteen in de volgende onderdelen.
De waardebepaling
afgifte van een reservesleutel
door [geïntimeerde] gemaakte kosten
bestandenop de harde schijf van de computers en in de inbox van [geïntimeerde] met informatie over de aan- en verkoop en de certificaten van de sieraden. Op 26 maart 2024 is daartoe verlof verleend. De eis in de hoofdzaak moest binnen 14 dagen na de beslaglegging worden ingesteld. Het beslag is op 24 april 2024 gelegd, dus de eis in de hoofdzaak moest uiterlijk op 8 mei 2024 worden ingesteld. Op dat moment was al wel een eis ingesteld ten aanzien van de afgifte van
ordner(s) met betrekking tot dergelijke certificaten (waartoe ook beslagverlof was verleend), maar voor afgifte van de bestanden heeft [appellante] pas op 7 juni 2024 een eis in hoofdzaak ingediend (een eisvermeerdering in de lopende procedure).
588175/200.354.435was dat te laat, zodat het bewijsbeslag ten aanzien van de digitale bestanden van rechtswege is komen te vervallen. Dat leidde tot de beslissing dat [appellante] de onder het bewijsbeslag vallende digitale bestanden aan [geïntimeerde] moest teruggeven.
591695/200.355.926bouwt voort op de eerste beslissing van de voorzieningenrechter, die in die beslissing een dwangsom heeft verbonden aan de verplichting tot teruggave. Ook hier is [appellante] het niet mee eens. Zij meent geen dwangsom verschuldigd te zijn als zij nalaat te voldoen aan de veroordeling in de hiervoor behandelde zaak voor zover die strekt tot het terugbezorgen van de beslagen bestanden.
dezebeslaglegging er niet aan in de weg staat de door [appellante] in bewaring gegeven zaken bij [geïntimeerde] terug te laten bezorgen. In het beslag van moeder en tante (die op grond van beweerdelijk verstrekte leningen eigen vorderingen op [geïntimeerde] pretenderen) is immers niet verzocht om inbewaringneming van die zaken. Belangrijker is echter, dat dit beslag helemaal niet is gelegd op de ordners waar deze beoordeling betrekking op heeft (het ziet slechts op de in een rekest van 30 april 2025 genoemde sieraden en kunstwerken) en dat niet in geschil is dat dit beslag inmiddels is opgeheven.
3.96 Wat partijen verder nog meer hebben aangevoerd dan hierboven is besproken, geeft geen aanleiding tot een andere beslissing.