ECLI:NL:GHARL:2026:1519

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
24/1555 en 24/1556
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.111 Wet IB 2001Art. 8:42 AwbArt. 4:17 AwbArt. 80a Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen uitspraak rechtbank over box 3-heffing en dwangsombeschikking

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2021 en stelde dat het werkelijk behaalde rendement in box 3 moest worden gehanteerd in plaats van het forfaitaire rendement. Tevens stelde hij dat de verrekening van buitenlandse bronheffing onjuist was en dat de Inspecteur een hogere dwangsom verschuldigd was wegens het niet tijdig beslissen op bezwaar.

De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, wees de dwangsombeschikking toe maar beperkte het bedrag, en verklaarde beroepen tegen het niet tijdig opleggen van aanslagen 2022 en 2023 niet-ontvankelijk. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraken.

Het hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het werkelijk rendement lager was dan het forfaitaire rendement en dat de verrekening van buitenlandse bronheffing conform belastingverdragen was toegepast. De dwangsombeschikking was terecht vastgesteld, en de beroepen tegen het niet tijdig opleggen van aanslagen waren niet-ontvankelijk omdat de termijnen nog niet waren verstreken of de ingebrekestelling prematuur was.

Het hof bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Tevens werd geen vergoeding van immateriële schade toegekend en werden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummers BK-ARN 24/1555 en 24/1556
uitspraakdatum: 10 maart 2026
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 24 juni 2024, nummers ARN 23/3415 en 23/6440, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Arnhem(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

2021
1.1.
Aan belanghebbende is met dagtekening 25 oktober 2022 over het jaar 2021 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Bij beschikking is belastingrente berekend van € 22.
1.2.
Op 24 november 2022 heeft belanghebbende tegen deze aanslag bezwaar gemaakt. Bij brief van 20 februari 2023, ontvangen door de Inspecteur op 22 februari 2023, stelt belanghebbende de Inspecteur in gebreke.
1.3.
De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 10 maart 2023 het bezwaar ongegrond verklaard.
1.4.
Met dagtekening 24 maart 2023 heeft de Inspecteur belanghebbende op de hoogte gesteld dat hij recht heeft op een dwangsom van € 46, berekend over de dagen 9 en 10 maart 2023 (overschrijding van 2 dagen x € 23), wegens het niet binnen de wettelijke termijn beslissen op het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2021.
1.5.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld vanwege het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2021.
2022
1.6.
Met dagtekening 31 januari 2022 heeft de Inspecteur een voorlopige aanslag IB/PVV 2022 opgelegd. Deze voorlopige aanslag is gebaseerd op een inschatting van de situatie van belanghebbende voor het jaar 2022. Het betreft een aanslag naar een te betalen bedrag van € 2.807.
1.7.
Met dagtekening 15 september 2023 heeft de Inspecteur een nadere voorlopige aanslag IB/PVV 2022 opgelegd.
1.8.
Met dagtekening 23 september 2023, ontvangen door de Rechtbank op 26 september 2023, heeft belanghebbende beroep ingesteld vanwege het niet tijdig opleggen van de aanslag IB/PVV 2022.
2023
1.9.
Met dagtekening 31 januari 2023 heeft de Inspecteur een voorlopige aanslag IB/PVV 2023 opgelegd.
1.10.
Op 23 februari 2023 ontvangt de Inspecteur een ‘Aanvraag of wijziging voorlopige aanslag’ voor het jaar 2023.
1.11.
Met dagtekening 23 september 2023, ontvangen door de Rechtbank op 26 september 2023, heeft belanghebbende beroep ingesteld wegens het niet tijdig opleggen van de nadere voorlopige aanslag IB/PVV 2023.
1.12.
De Inspecteur heeft met dagtekening 10 november 2023 de nadere voorlopige aanslag IB/PVV 2023 opgelegd naar aanleiding van het verzoek van 23 februari 2023, maar daarbij is hij deels afgeweken van het verzoek.
2021, 2022, 2023
1.13.
De Rechtbank heeft het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de aanslag IB/PVV 2021 ongegrond verklaard, het beroep tegen de dwangsombeschikking wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar ten aanzien van de aanslag IB/PVV 2021 ongegrond verklaard, de beroepen voor het overige niet-ontvankelijk verklaard, de zaak tegen de nadere voorlopige aanslag IB/PVV 2023 naar de Inspecteur verwezen ter behandeling van het bezwaar en het verzoek om een immateriëleschadevergoeding afgewezen.
1.14.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.15.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2026. Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan het Hof, niet verschenen. Belanghebbende is door de griffier bij aangetekende brief, gedateerd en verzonden op 14 januari 2026 op het adres [woonadres] , onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Nu uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 15 januari 2026 aan belanghebbende op dat adres is bezorgd, is het Hof van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op de juiste wijze en tijdig op het juiste adres is aangeboden. Daarbij zijn verschenen en gehoord [naam1] en mr. [naam2] namens de Inspecteur. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] , is ongehuwd en heeft de Nederlandse nationaliteit.
2.2.
Belanghebbende heeft in 2021 de navolgende inkomsten genoten:
Inhoudingsplichtige Loonheffing Loon
Sociale verzekeringsbank € 0 € 16.410
[pensioenfonds1] € 850 € 4.455
[pensioenfonds2] € 616 € 3.233
[pensioenfonds3]
€ 663 € 3.492
Totaal € 2.129 € 27.950
2.3.
Belanghebbende heeft in 2022 de navolgende inkomsten genoten
Inhoudingsplichtige Loonheffing Loon
Sociale verzekeringsbank € 0 € 16.763
[pensioenfonds1] € 869 € 4.562
[pensioenfonds2] € 618 € 3.254
[pensioenfonds3]
€ 686 € 3.612
Totaal € 2.173 € 28.191
2.4.
Belanghebbende heeft in 2023 de navolgende inkomsten genoten:
Inhoudingsplichtige Loonheffing Loon
Sociale verzekeringsbank € 0 € 18.177
[pensioenfonds1] € 966 € 5.108
[pensioenfonds2] € 664 € 3.508
[pensioenfonds3]
€ 722 € 3.835
Totaal € 2.352 € 30.628
2.5.
Belanghebbende is in de onderhavige jaren 2021, 2022 en 2023 in Nederland woonachtig op het adres [woonadres] . Deze woning kwalificeert als eigen woning in de zin van artikel 3.111, lid 1, van de Wet IB 2001.
2.6.
De waarde van de onroerende zaak op basis van de Wet waardering onroerende zaken (de WOZ-waarde) bedraagt op de waardepeildata:
Waardepeildatum WOZ-waarde
01-01-2020 € 226.000
01-01-2021 € 236.000
01-01-2022 € 266.000
2.7.
Op de woning rust een hypothecaire lening ten bedrage van € 80.000 (aflossingsvrij). De lening bij de [naambank] kwalificeert als een eigenwoningschuld. De door de bank in rekening gebrachte rente bedraagt:
Jaar Rente
2021 € 1.689
2022 € 1.689
2023 € 1.689
2.8.
Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2021 voor het laatst negatieve inkomsten uit eigen woning vermeld.
Aanslag IB/PVV 2021
2.9.
Met dagtekening 30 januari 2021 heeft de Inspecteur een voorlopige aanslag IB/PVV 2021 opgelegd. Deze voorlopige aanslag is gebaseerd op een inschatting van de situatie van belanghebbende in 2021. Het betreft een voorlopige aanslag naar een te betalen bedrag van € 4.911.
2.10.
Met dagtekening 28 februari 2022 is aan belanghebbende een uitnodiging tot het doen van aangifte IB/PVV 2021 uitgereikt.
2.11.
Belanghebbende heeft op 1 mei 2022 aangifte IB/PVV 2021 gedaan. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 42.075 en kan als volgt gespecificeerd worden:
Loon uit vroegere dienstbetrekking € 27.590
Saldo inkomsten uit eigen woning € -559
Belastbaar inkomen uit werk en woning € 27.031
Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen € 15.044 +
Verzamelinkomen € 42.075
2.12.
In de aangifte heeft belanghebbende de volgende bezittingen opgenomen:
Bank- en spaartegoeden
Waarde
[rekening1]
8.28
[rekening2]
8
[rekening3]
10
[rekening4]
110.688
Aandelen, obligaties e.d.
[belegging1]
54.33
[belegging2]
50.258
[belegging3]
146.71
[belegging4]
49.35
Totaal
419.634
2.13.
De Inspecteur heeft met dagtekening 25 oktober 2022 een aanslag IB/PVV 2021 opgelegd naar, onder meer, een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 369.634. Hij heeft gelijktijdig een belastingrentebeschikking genomen naar een te vergoeden bedrag van € 22. Het forfaitaire rendement heeft hij vastgesteld op € 15.044. Op de aanslag staat onder meer vermeld dat in deze aanslag voor het box 3-inkomen rekening is gehouden met de uitspraak van de Hoge Raad van 24 december 2021.
Het vastgestelde verzamelinkomen bedraagt, overeenkomstig de ingediende aangifte, € 42.075 en kan als volgt gespecificeerd worden:
Loon uit vroegere dienstbetrekking € 27.590
Saldo inkomsten uit eigen woning € -559
Belastbaar inkomen uit werk en woning € 27.031
Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen € 15.044 +
Verzamelinkomen € 42.075
Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen kan als volgt nader gespecificeerd
worden:
Bank- en spaartegoeden in Nederland € 118.986
Aandelen, obligaties e.d. € 300.648 +
Rendementsgrondslag € 419.634
Heffingsvrij vermogen € 50.000 -/-
Grondslag sparen en beleggen € 369.634
Berekening volgens het Besluit rechtsherstel box 3 (hierna: Beleidsbesluit)
Bank- en spaartegoeden (€ 118.986 x 0,01%) € 11
Beleggingen (€ 300.648 x 5,69%) € 17.106+
Belastbaar rendement € 17.117
Rendementspercentage: 4,07% (€ 17.117/419.634 x 100%)
Voordeel uit sparen en beleggen (€ 369.634 x 4,07%) € 15.044
De verrekende buitenlandse bronheffing over het jaar 2021 is vastgesteld op € 370. De nog te verrekenen buitenlandse bronheffing uit voorgaande jaren en de nog te verrekenen buitenlandse bronheffing box 3 zijn vastgesteld op nihil.
Het bedrag van de aanslag is vastgesteld op € 3.383. Na verrekening met de eerder opgelegde voorlopige aanslag, resulteert de definitieve aanslag IB/PVV 2021 in een te ontvangen of te verrekenen bedrag van € 1.528.
2.14.
Belanghebbende heeft op 24 november 2022 bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2021. Belanghebbende stelt dat het werkelijk behaalde rendement als voordeel uit sparen en beleggen dient te worden vastgesteld. Daarnaast stelt belanghebbende dat de te verrekenen buitenlandse bronheffing box 3 hoger vastgesteld dient te worden.
2.15.
De Inspecteur heeft bij brief met dagtekening 22 december 2022 de beslistermijn met zes weken verlengd tot en met 28 februari 2023.
2.16.
Belanghebbende heeft de Inspecteur bij brief van 20 februari 2023, ontvangen op 22 februari 2023, in gebreke gesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.
2.17.
Bij brief van 3 maart 2023 heeft de Inspecteur belanghebbende een vooraankondiging uitspraak op bezwaar gestuurd.
2.18.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 maart 2023 het bezwaar ongegrond verklaard.
2.19.
De Inspecteur heeft met dagtekening 24 maart 2023 een dwangsombeschikking genomen en de verschuldigde dwangsom vastgesteld op € 46 (2 dagen overschrijding x € 23).
2.20.
Belanghebbende heeft op 2 mei 2023 bezwaar gemaakt tegen de dwangsombeschikking. Belanghebbende stelt dat sprake is van een overschrijding van 7 dagen en dat daarom de dwangsom € 161 moet zijn.
2.21.
Met dagtekening 11 maart 2023, ontvangen door de Rechtbank op 14 maart 2023, heeft belanghebbende beroep ingesteld vanwege het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2021.
2.22.
De Rechtbank heeft bij uitspraak van 24 juni 2024 met zaaknummer ARN 23/3415 het beroep deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.
Aanslag IB/PVV 2022
2.23.
De Inspecteur heeft met dagtekening 31 januari 2022 een voorlopige aanslag IB/PVV 2022 opgelegd. Deze voorlopige aanslag is gebaseerd op een inschatting van de situatie van belanghebbende over het jaar 2022. Het betreft een aanslag naar een te betalen bedrag van € 2.807.
2.24.
De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 28 februari 2023 uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV 2022. De Inspecteur geeft aan dat deze aangifte op 25 april 2023 is binnengekomen.
2.25.
Op 9 mei 2023 heeft belanghebbende, op papier, de aangifte IB/PVV 2022 ingediend. Het aangegeven verzamelinkomen (geheel bestaande uit belastbaar inkomen uit sparen en beleggen) bedraagt € 15.785.
2.26.
Bij brief van 30 april 2023 heeft belanghebbende nogmaals, op papier, de aangifte IB/PVV 2022 toegestuurd. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt ongewijzigd € 15.785 (geheel bestaande uit belastbaar inkomen uit sparen en beleggen).
2.27.
De Inspecteur heeft met dagtekening 15 september 2023 een tweede voorlopige aanslag IB/PVV 2022 opgelegd. Bij het overnemen van de gegevens van belanghebbende heeft de Inspecteur geconstateerd dat belanghebbende het loon uit vroegere dienstbetrekking en de ingehouden loonheffing niet heeft aangegeven. Daarnaast heeft hij opgemerkt dat belanghebbende onder ‘overige vorderingen’ een negatief bedrag als bezitting in box 3 heeft aangegeven. De Inspecteur heeft de gegevens aangepast, waarbij de negatief aangegeven overige vorderingen worden genegeerd en als (positieve) overige vorderingen worden beschouwd.
De Inspecteur heeft bij deze tweede voorlopige aanslag het verzamelinkomen vastgesteld op € 44.321. Dit verzamelinkomen kan als volgt gespecificeerd worden:
Belastbaar inkomen uit werk en woning € 28.191
Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen € 16.130 +
Verzamelinkomen € 44.321
2.28.
Belanghebbende heeft op 26 september 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig opleggen van de aanslag IB/PVV 2022.
2.29.
Op het moment van de zitting bij de Rechtbank heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2022 nog niet definitief vastgesteld, omdat in de aangifte beleggingen en andere bezittingen in box 3 zijn aangegeven. [1]
2.30.
De Rechtbank heeft bij uitspraak van 24 juni 2024 met zaaknummer ARN 23/6440 het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
2.31.
In de fase van hoger beroep is een definitieve aanslag IB/PVV 2022 opgelegd.
Voorlopige aanslag IB/PVV 2023
2.32.
De Inspecteur heeft met dagtekening 31 januari 2023 een voorlopige aanslag IB/PVV 2023 opgelegd.
2.33.
Belanghebbende heeft op 23 februari 2023 een verzoek tot wijziging van de voorlopige aanslag IB/PVV 2023 ingediend. Het aangegeven verzamelinkomen (geheel bestaande uit belastbaar inkomen uit sparen en beleggen) bedraagt € 9.387.
2.34.
Bij brief van 30 april 2023 heeft belanghebbende onder andere, middels het formulier ‘Aanvraag of wijziging voorlopige aanslag’, zijn verzoek om zijn voorlopige aanslag IB/PVV 2023 aan te passen herhaald.
2.35.
Belanghebbende heeft bij brief van 30 mei 2023 bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een nadere voorlopige aanslag IB/PVV 2023.
2.36.
Belanghebbende heeft bij brief met dagtekening 23 september 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig opleggen van een nadere voorlopige aanslag IB/PVV 2023.
2.37.
De Inspecteur heeft met dagtekening 10 november 2023 de nadere voorlopige aanslag IB/PVV 2023 opgelegd naar aanleiding van het verzoek van 23 februari 2023, maar daarbij is hij deels afgeweken van het verzoek. Het vastgestelde verzamelinkomen bedraagt € 38.020 en kan als volgt gespecificeerd worden:
Belastbaar inkomen uit werk en woning € 26.642
Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen € 11.378 +
Verzamelinkomen € 38.020
2.38.
De Rechtbank heeft het beroep op 30 mei 2024 op zitting behandeld. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 24 juni 2024 met zaaknummer ARN 23/6440 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, en verwezen naar de Inspecteur ter behandeling van het bezwaar.

2.Geschil

In geschil is of de uitspraak van de Rechtbank juist is.

3.Beoordeling van het geschil

Bevoegdheid Inspecteur
4.1.
Voor zover belanghebbende stelt dat de gemachtigde van de Inspecteur niet bevoegd is om namens de Inspecteur te procederen, slaagt deze grief niet. Het Hof heeft gelet op de overgelegde verklaring (bijlage 47 bij het verweerschrift in hoger beroep) geen reden te twijfelen aan de bevoegdheid van de gemachtigde om de Belastingdienst te vertegenwoordigen en aan zijn bevoegdheid alle proceshandelingen te verrichten in deze procedures.
De op de zaak betrekking hebbende stukken
4.2.
Artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) strekt ertoe dat de gegevens die van belang zijn voor de beoordeling van het in (hoger) beroep bestreden besluit van de heffingsambtenaar aan de rechter – en aan de wederpartij – beschikbaar worden gesteld. De in die bepaling neergelegde verplichting heeft ten doel te waarborgen dat een geschil over een door de heffingsambtenaar genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan de heffingsambtenaar ter beschikking staan, zodat de belanghebbende zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden. [2] Voor zover belanghebbende met verwijzing naar de door hem opgestelde overzichten van de werkelijk behaalde rendementen die volgens hem ontbreken in
andereprocedures dan de onderhavige, stelt dat sprake is van schending van artikel 8:42 van Pro de Awb, volgt het Hof dit niet. Het ontbreken van stukken in andere procedures, voor zover juist, werkt niet door naar de onderhavige procedures.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur / procesgedrag Inspecteur
4.3.
Belanghebbende stelt schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het verbod van vooringenomenheid, het verbod op detournement de pouvoir, het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel. Belanghebbende voert daartoe aan dat de Inspecteur zijn bevoegdheid op oneigenlijke wijze heeft gebruikt danwel de uitspraak op bezwaar onvoldoende heeft gemotiveerd. Ook deze grieven slagen niet nu belanghebbende deze gestelde schendingen niet voldoende concreet heeft onderbouwd. Van misstanden is het Hof niet gebleken en ook niet van verkeerd procesgedrag van de zijde van de Inspecteur of een vorm van oneigenlijk gebruik van zijn bevoegdheden. Ook is niet gebleken van een onvoldoende motivering van de zijde van de Inspecteur.
2021: de hoogte van het in aanmerking te nemen voordeel uit sparen en beleggen
4.4.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de aanslag IB/PVV 2021 dient te worden herzien met inachtneming van het zogenoemde Kerstarrest van de Hoge Raad. Ter onderbouwing daarvan voert belanghebbende aan dat hij over 2021 een daadwerkelijke rendement van € 9.930, oftewel 2,686% van de grondslag sparen en beleggen van € 369.634, heeft behaald.
4.5.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt de box 3-heffing niet te hoog is vastgesteld. Belanghebbende heeft met het enkel overleggen van een overzicht niet aannemelijk gemaakt dat het werkelijke rendement in 2021 € 9.930 bedraagt. De Inspecteur komt op een werkelijke rendement van minimaal € 12.544 waarbij nog geen rekening is gehouden met de samenstelling en waarde ontwikkeling van de aandelen in 2021. Onbekend is hoe de samenstelling en de waarde van de aandelen zich in 2021 hebben ontwikkeld. Belanghebbende heeft geen andere stukken of bescheiden overgelegd, die het door hem gestelde werkelijke rendement onderbouwen. De Inspecteur geeft in het verweerschrift in hoger beroep aan een aantal verschillen te constateren tussen de gegevens uit de aangifte van belanghebbende en de Inspecteur bekende gegevens uit het systeem RBG (Registratie Bank Gegevens).
4.6.
Gelet op de concrete betwisting door de Inspecteur en de vele geconstateerde verschillen tussen de door belanghebbende opgegeven gegevens en de gegevens van de Inspecteur afkomstig uit renseignementen dient belanghebbende, die het standpunt inneemt dat hij door het forfaitaire stelsel in box 3 wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijke rendement, feiten te stellen, en in geval van betwisting aannemelijk te maken, waaruit volgt wat de omvang is van dat werkelijke rendement op zijn gehele vermogen in box 3. [3]
4.7.
Weliswaar heeft belanghebbende gesteld welk werkelijk rendement hij heeft behaald, maar dit gestelde rendement heeft belanghebbende niet met objectieve stukken onderbouwd zodat belanghebbende het gestelde rendement niet aannemelijk heeft gemaakt. Daar komt bij dat belanghebbende geen enkele verklaring heeft gegeven voor de vele verschillen die de Inspecteur constateert tussen de door belanghebbende gebruikte gegevens en de gegevens die de Inspecteur via renseignementen heeft ontvangen ten aanzien van belanghebbendes bank- en spaartegoeden en beleggingen. Belanghebbende heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat de box-3 heffing te hoog is vastgesteld.
2021: de hoogte van de te verrekenen buitenlandse bronheffing box 3
4.8.
Belanghebbende stelt verder dat de Inspecteur onvoldoende voorkoming van dubbele belasting heeft geboden voor de buitenlandse bronheffing over de dividenduitkeringen. Volgens belanghebbende bedraagt het bedrag aan verrekenbare buitenlandse bronheffing € 2.479.
4.9.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat Nederland op grond van het belastingverdrag slechts een verrekening hoeft te bieden voor 15% buitenlandse belasting en geen sprake is van een aan Nederland toerekenbare strijdigheid met het Unierecht.
4.10.
De Rechtbank heeft ten aanzien van deze grief als volgt overwogen (voetnoten weggelaten):
“31. Belanghebbende stelt dat de inspecteur onvoldoende voorkoming van dubbele belasting heeft geboden voor de buitenlandse bronbelasting over de dividenduitkeringen. Belanghebbende verwijst daarbij, naar de rechtbank begrijpt, naar de procedure over de aanslag IB/PVV 2020.
32. Deze beroepsgrond faalt. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 14 november 2023 uitspraak gedaan voor het jaar 2020 over precies dezelfde vraag als die belanghebbende voor het jaar 2021 aan de orde heeft gesteld. Daarbij is belanghebbende in het ongelijk gesteld. Deze uitspraak is door de Hoge Raad op 17 mei 2024 met toepassing van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie in stand gelaten.
33. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden overwoog onder meer:
“4.4. (…) Zoals de Rechtbank terecht heeft overwogen, heeft de Inspecteur gehandeld in overeenstemming met de tussen Nederland en Zwitserland respectievelijk Italië gesloten belastingverdragen. Dat de dividend betalende lichamen die inwoner zijn van Zwitserland en Italië op de aan belanghebbende uitgekeerde dividenden meer bronbelasting hebben ingehouden dan 15% van het brutobedrag van de betaalde dividenden, brengt niet mee dat van de zijde van Nederland sprake is van verboden belemmering van het vrije verkeer van kapitaal als Nederland de verrekening beperkt tot de genoemde 15%. Dat belanghebbende geen teruggaafverzoeken in Zwitserland en Italië wenst te doen voor de aldaar teveel ingehouden bronbelasting, blijft voor zijn rekening.
4.5.
De door belanghebbende genoemde (in zijn ogen) buitensporige bevoordeling van Nederlanders in het grensgebied met België leidt, wat daar verder van zij, evenmin ertoe dat belanghebbende recht heeft op een hogere verrekening van buitenlandse bronbelasting dan in aanmerking is genomen. Belanghebbende heeft zich verder beklaagd over allerlei (in zijn ogen) misstanden, zoals bijvoorbeeld politieke besluitvorming waarbij te weinig rekening wordt gehouden met de rechtsstaat, de staat die onrechtmatig heeft gehandeld jegens toeslagouders, het bestuursrechtelijk vals gebruik maken van de FSV, het door de staat inschakelen van [NV1] , het piepen en kraken van het ICT-systeem van de Belastingdienst, misstanden binnen de rechtspraak en het compenseren door de Belastingdienst van bedrijven en niet van burgers. Naar het oordeel van het Hof doen deze klachten niet af aan de rechtmatigheid en de hoogte van de onderhavige belastingaanslag, reeds niet nu de relevantie daarvan voor de onderhavige belastingaanslag ontbreekt.”
34. De rechtbank ziet geen aanleiding om in hetgeen belanghebbende heeft gesteld voor het jaar 2021 anders te oordelen dan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor het jaar 2020 heeft gedaan. Dit betekent dat belanghebbende geen recht heeft op een hoger verrekenbaar bedrag aan buitenlandse bronbelasting dan waarmee de inspecteur rekening heeft gehouden.”
4.11.
Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank met haar hiervoor aangehaalde overwegingen op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof neemt deze overwegingen dan ook over en maakt deze tot de zijne. Hetgeen belanghebbende daarover in hoger beroep nog heeft aangevoerd, maakt het vorenoverwogene niet anders.
2021: de verschuldigdheid van een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2021
4.12.
De afgegeven dwangsombeschikking op grond waarvan de Inspecteur een dwangsom van € 46 is verschuldigd is volgens belanghebbende te laag. Dit bedrag had volgens belanghebbende € 161 moeten zijn.
4.13.
De Rechtbank heeft ten aanzien van de dwangsom als volgt geoordeeld (voetnoten weggelaten):
“35. Belanghebbende stelt dat de inspecteur niet tijdig op het bezwaar heeft beslist en dat de inspecteur daarom een dwangsom heeft verbeurd. De afgegeven dwangsombeschikking op grond waarvan de inspecteur een dwangsom van € 46 is verschuldigd is volgens belanghebbende onjuist, omdat het bedrag te laag is. Dit bedrag had € 161 moeten zijn.
36. Art. 4:17, eerste lid, van de Awb bepaalt dat indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, zoals het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar, de inspecteur een dwangsom verbeurt voor elke dag dat hij in gebreke is. Volgens artikel 4:17, derde lid, van de Awb is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. De verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom worden bij beschikking vastgesteld. Het beroep tegen de beschikking op de aanvraag heeft mede betrekking op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom voor zover belanghebbende deze beschikking betwist. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank in beroep kan oordelen over de hoogte van de dwangsom, ook zonder dat uitspraak op bezwaar is gedaan op het bezwaar tegen de dwangsombeschikking.
37. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur geen dwangsom is verschuldigd. Zoals de rechtbank hiervoor bij de punten 21. en 22. heeft overwogen, had de inspecteur namelijk tot en met 28 februari 2023 de tijd om op het bezwaar beslissen. De ingebrekestelling is op 22 februari 2023 door de inspecteur ontvangen. Deze ingebrekestelling is dus te vroeg gedaan (prematuur), omdat de beslistermijn toen nog niet was verstreken. Daardoor werkt de ingebrekestelling niet. De tweewekentermijn is niet ingegaan en de dwangsom is niet gaan lopen. De rechtbank zal de dwangsombeschikking niet vernietigen, omdat belanghebbende door het beroep niet in een slechtere positie mag komen te verkeren. De dwangsom blijft dus staan op € 46.”
4.14.
Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank met haar hiervoor aangehaalde overwegingen op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof neemt deze overwegingen dan ook over en maakt deze tot de zijne. Hetgeen belanghebbende daarover in hoger beroep nog heeft aangevoerd, maakt het vorenoverwogene niet anders.
2022: niet tijdig opleggen van de aanslag IB/PVV 2022 en dwangsom
4.15.
Voor zover belanghebbende stelt dat de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2022 niet tijdig heeft opgelegd en belanghebbende verzoekt om toekenning van een dwangsom, overweegt het Hof het volgende.
4.16.
De Rechtbank heeft ten aanzien van het jaar 2022 als volgt geoordeeld (voetnoten niet opgenomen):
“38. Belanghebbende stelt dat de inspecteur de aanslag IB/PVV 2022 niet tijdig heeft opgelegd. De rechtbank begrijpt dat belanghebbende haar verzoekt om de inspecteur op te dragen alsnog een aanslag IB/PVV 2022 op te leggen. Ook verzoekt belanghebbende om toekenning van een dwangsom.
39. De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het niet tijdig opleggen van een aanslag IB/PVV 2022 niet-ontvankelijk is. De termijn voor het opleggen van de aanslag IB/PVV 2022 bedraagt namelijk drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. De inspecteur heeft daarom tot en met 31 december 2025 de tijd om de aanslag op te leggen. Van het niet tijdig nemen van een besluit is dus nog geen sprake. De rechtbank kan de inspecteur daarom ook niet opdragen alsnog een aanslag op te leggen. Het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2022 is daarom niet-ontvankelijk.
40. Een dwangsom is in elk geval niet aan de orde, want een aangifte is geen aanvraag in de zin van de Awb. De dwangsomregeling is hierop dus niet van toepassing.”
4.17.
Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank met haar hiervoor aangehaalde overwegingen op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof neemt deze overwegingen dan ook over en maakt deze tot de zijne. Hetgeen belanghebbende daarover in hoger beroep nog heeft aangevoerd, maakt het vorenoverwogene niet anders.
2023: nadere voorlopige aanslag IB/PVV 2023 (H.30.02) en dwangsom
4.18.
Voor zover belanghebbende stelt dat de Inspecteur de nadere voorlopige aanslag IB/PVV 2023 niet tijdig heeft opgelegd en dat de Inspecteur daarom een dwangsom is verschuldigd, overweegt het Hof als volgt.
4.19.
De Rechtbank heeft ten aanzien van het jaar 2023 als volgt geoordeeld (voetnoten niet opgenomen):
“45. Het niet tijdig nemen van een beslissing op het verzoek tot het nemen van een besluit wordt gelijkgesteld met een besluit, zodat daartegen beroep kan worden ingesteld. Een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra de inspecteur in gebreke is tijdig een besluit te nemen. Daartoe moet de belanghebbende de inspecteur in gebreke stellen. Dit geldt dus ook voor het niet tijdig nemen van een beslissing op het verzoek tot herziening van de voorlopige aanslag. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende de inspecteur niet in gebreke heeft gesteld. Het beroep is om die reden niet-ontvankelijk. Een dwangsom is daarom ook niet aan de orde.
46. De rechtbank verwijst de zaak naar de inspecteur ter behandeling van het (als tijdig ingediend te beschouwen) bezwaar tegen de herziening van de voorlopige aanslag IB/PVV 2023.”
4.20.
Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank met haar hiervoor aangehaalde overwegingen op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof neemt deze overwegingen dan ook over en maakt deze tot de zijne. Hetgeen belanghebbende daarover in hoger beroep nog heeft aangevoerd, maakt het vorenoverwogene niet anders.
2021, 2022, 2023
4.21.
Ook in hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, ziet het Hof geen aanknopingspunten voor andersluidende oordelen.
Belastingrente
4.22.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op het verzamelinkomen en belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.
Vergoeding immateriële schade
4.23.
Belanghebbende verzoekt om een vergoeding van (immateriële) schade in welke vorm dan ook. Het Hof stelt echter vast dat de Rechtbank terecht en op juiste gronden heeft geoordeeld dat de redelijke termijn niet is overschreden. Ook is de redelijke termijn in de fase van hoger beroep niet overschreden. Het Hof ziet ook geen andere gronden voor een toekenning van een immateriëleschadevergoeding.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Keulemans, voorzitter, mr. R.R. van der Heide en mr. B.F.A. van Huijgevoort, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 10 maart 2026.
De griffier, De voorzitter,
(H. de Jong) (A.E. Keulemans)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Kamerbrief van de Staatssecretaris van Financiën van 20 april 2023 aan de Tweede Kamer met kenmerk 2023-0000097081.
2.HR 4 mei 2018, nr. 16/04237, ECLI:NL:HR:2018:672.
3.Zie HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704en HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:705.