Belanghebbende, een gastouder, had in zijn aangifte inkomsten uit 2007 niet aangegeven. De Inspecteur legde een navorderingsaanslag op gebaseerd op gegevens uit een Microsoft Access-bestand van de Belastingdienst met informatie over kinderopvangtoeslagen. Het Hof oordeelde dat het bestand slechts als op de zaak betrekking hebbend stuk geldt voor zover het gegevens bevat die relevant zijn voor belanghebbende en handhaafde de navorderingsaanslag.
De Hoge Raad stelde vast dat artikel 8:42, lid 1, Awb vereist dat alle relevante gegevens, ook in elektronische vorm, aan de rechter en wederpartij beschikbaar worden gesteld. Niet het gehele bestand, maar alleen de relevante gegevens die van belang zijn en raadpleegbaar met het oog op de zaak, moeten worden overgelegd. Software en systemen zelf vallen hier niet onder.
De Hoge Raad bevestigde dat het Hof terecht oordeelde dat alleen de gegevens betreffende belanghebbende relevant zijn en dat het oordeel van het Hof over de juistheid van de overgelegde schermprints begrijpelijk is. Klachten tegen deze oordelen faalden. Wel vernietigde de Hoge Raad het deel van het vonnis dat de boete betrof en verminderde deze vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
De uitspraak verduidelijkt de reikwijdte van de verplichting tot overlegging van elektronische gegevens in bestuursrechtelijke procedures en benadrukt dat de inspecteur niet verplicht is om buiten de hem beschikbare stukken aanvullende gegevens te vergaren.