ECLI:NL:GHARL:2026:158

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
200.342.228/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake financiële afwikkeling na echtscheiding met betrekking tot eigenaarslasten en gebruiksvergoedingen

In deze zaak gaat het om een hoger beroep tussen een vrouw en een man die gehuwd zijn geweest met uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen. De vrouw heeft in eerste aanleg vorderingen ingesteld voor gebruiksvergoedingen met betrekking tot de woning en een vakantiewoning, alsook een vergoeding voor roerende zaken. De rechtbank heeft de vorderingen van de vrouw afgewezen en de man veroordeeld tot betaling van de helft van de hypotheekrente over de jaren 2020-2022. In hoger beroep heeft de vrouw de vernietiging van het vonnis van de rechtbank gevorderd, terwijl de man het vonnis wenst te bekrachtigen. Het hof heeft geoordeeld dat de woning volledig eigendom was van de man en dat er geen grond was voor de gevorderde gebruiksvergoedingen, omdat de huwelijkse voorwaarden uitsluiting van gemeenschap van goederen inhielden. Het hof heeft de vordering van de man tot betaling van de eigenaarslasten afgewezen en het conservatoire beslag opgeheven. De proceskosten zijn gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.342.228/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 216694)
arrest van 13 januari 2026
in de zaak van
[appellant1],
die woont in [woonplaats1] ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie,
hierna:
de vrouw,
advocaat: mr. J. Doornbos te Groningen,
tegen
[geïntimeerde1],
die woont in [woonplaats2] ,
en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie,
hierna:
de man,
advocaat: mr. Y.M. Prins te Groningen.

1.De verdere procedure in hoger beroep

1.1.
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 3 december 2024 hier over.
1.2.
Naar aanleiding van het arrest van 3 december 2024 heeft op 29 september 2025 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden ten overstaan van een raadsheer-commissaris. Daarbij zijn de beide partijen verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
Van deze behandeling is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal).

2.De kern van de zaak

2.1.
Partijen zijn gehuwd geweest. Zij zijn het niet eens over de financiële afwikkeling van het beëindigen van hun huwelijk voor wat betreft de door de man betaalde lasten van de woning aan [adres1] te [plaats1] (hierna: de woning), gebruiksvergoedingen voor de woning en voor de vakantiewoning in [plaats2] (hierna: de vakantiewoning), een door de vrouw gevorderde vergoeding voor roerende zaken en het gelegde beslag
.
2.2.
Het hof zal het bestreden vonnis voor zover het de beslissing over de vordering van de man tot betaling van de eigenaarslasten van de woning betreft vernietigen en deze vordering alsnog afwijzen. Het hof zal de beslissingen van de rechtbank tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw tot betaling door de man voor gebruik van de woning en de vakantiewoning en van de door haar gevorderde vergoeding voor roerende zaken, bekrachtigen. Tot slot zal het hof het conservatoire beslag opheffen.
Dat wordt hierna uitgelegd.

3.De feiten

3.1.
Partijen zijn [in] 1998 na het aangaan van huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. In de huwelijkse voorwaarden zijn partijen, voor zover in hoger beroep van belang, overeengekomen dat iedere gemeenschap van goederen is uitgesloten en dat ingeval het huwelijk eindigt door echtscheiding, zo verrekend wordt dat ieder van de echtgenoten gerechtigd is tot een waarde gelijk aan die waartoe hij gerechtigd zou zijn geweest indien er de algehele gemeenschap van goederen tussen hen had bestaan.
3.2.
Het huwelijk van partijen is [in] 2017 ontbonden.
3.3.
Bij eindvonnis van 16 februari 2022 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de wijze van verdeling gelast van de woning in die zin dat – samengevat – de woning moet worden verkocht en dat de netto-verkoopopbrengst tussen partijen gelijkelijk moet worden verdeeld. Verder is de vakantiewoning aan de vrouw toebedeeld onder de verplichting de helft van de waarde van € 50.000,- (dus € 25.000,-) aan de man te betalen. Deze beschikking is onherroepelijk geworden.
3.4.
De woning is verkocht voor € 300.000,-
.De levering aan de kopers heeft [in] 2024 plaatsgevonden.
3.5.
[in] 2024 is op verzoek van de vrouw voor een bedrag van € 65.000,- verlof verleend voor conservatoir beslag onder de notaris op het aandeel van de man in de verkoopopbrengst van de woning.

4.De omvang van het geschil

4.1.
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 24 april 2024 – voor zover hier van belang – de vorderingen van de vrouw ter zake van gebruiksvergoedingen en een vergoeding voor roerende zaken afgewezen. Verder heeft de rechtbank bepaald dat de vrouw de helft van de door de man betaalde hypotheekrente over de jaren 2020-2022 aan hem dient te vergoeden, en de helft van de eigenaarslasten met betrekking tot de woning.
4.2.
De vrouw vordert in hoger beroep vernietiging van het bestreden vonnis en dat het hof haar oorspronkelijke vorderingen alsnog toewijst en de vorderingen van de man afwijst. Ze vordert verder veroordeling van de man in de kosten van beide instanties, inclusief nasalaris.
4.3.
De man vordert dat het hof het bestreden vonnis bekrachtigt en het beroep van de vrouw afwijst, dan wel niet-ontvankelijk verklaart. De man vordert verder (wijziging eis) opheffing van het beslag op zijn aandeel in de koopsom van de verkoop van de woning en veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure, waaronder begrepen het salaris van de advocaat van de man, de door de vrouw gemaakte beslagkosten en te vermeerderen met de kosten van betekening van dit arrest en de nakosten begroot op € 500,-.

5.De redenen voor het oordeel van het hof

5.1.
Vooraf wil het hof het navolgende opmerken. De woning behoorde in eigendom toe aan de man. Omdat partijen in hun huwelijkse voorwaarden elke gemeenschap van goederen hebben uitgesloten, kon deze woning dan ook niet worden verdeeld, zoals blijkbaar is verzocht en toegewezen. Wel viel de woning onder de reikwijdte van het beding uit de huwelijkse voorwaarden over de afrekening bij het einde van het huwelijk. Dit betekent dat de woning in de verrekening moest worden betrokken, tegen de waarde ten tijde van de ontbinding van het huwelijk. Dit is niet zo uitgevoerd, maar het hof zal bij het beoordelen van de vorderingen wel rekening houden met deze uitgangspunten, temeer omdat de man in zijn memorie van antwoord (voor het eerst) heeft gewezen op het feit dat de woning altijd volledig zijn eigendom is geweest.
5.2.
Tussen partijen is nog in geschil:
de hypotheekrente en eigenaarslasten van de woning;
de gebruiksvergoeding voor de woning;
de gebruiksvergoeding voor de vakantiewoning;
e door de vrouw gevorderde vergoeding voor roerende zaken;
het conservatoire beslag.
Het hof zal deze punten in het navolgende bespreken.
De hypotheekrente en eigenaarslasten van de woning
5.3.
De man heeft in eerste aanleg betaling gevorderd door de vrouw van de helft van de door de hem betaalde hypotheekrente over de jaren 2020-2022 , alsmede de helft van de eigenaarslasten met betrekking tot de woning. Deze twee vorderingen zijn door de rechtbank toegewezen.
De vrouw is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat zij als mede-eigenaar van de woning de helft van de eigenaarslasten ter hoogte van € 1.035,78 moet betalen. Ter zitting is namens de vrouw bevestigd dat zij geen grieven heeft gericht tegen de veroordeling door de rechtbank om de helft van de hypotheekrente aan de man te betalen en dat niet bedoeld is om dat deel van de beslissing van de rechtbank te bestrijden. Aan deze veroordeling heeft zij inmiddels ook voldaan. Het hof zal dan ook alleen een oordeel geven over de veroordeling met betrekking tot de eigenaarslasten.
5.4.
De man heeft in hoger beroep opgemerkt dat de woning uitsluitend zijn eigendom was. De vrouw was dus geen mede-eigenaar van de woning. De man heeft ter zitting van het hof erkend dat de beslissing van de rechtbank op dit punt daarom onjuist is, dat zijn vordering geen juridische basis heeft en dus alsnog moet worden afgewezen. Het hof zal daarom het vonnis van de rechtbank op dit punt vernietigen en alsnog de vordering van de man ten aanzien van de eigenaarslasten ter hoogte van € 1.035,78 afwijzen.
De gebruiksvergoeding van de woning
5.5.
De vrouw vordert een bedrag van € 38.192,76 van de man ter zake van het gebruik van de woning. De rechtbank heeft die vordering afgewezen, waar de vrouw het niet mee eens is.
5.6.
De vrouw beroept zich bij haar vordering op artikel 3:169 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit artikel valt onder titel 7 dat gaat over de gemeenschap. Gemeenschap is aanwezig, wanneer een of meer goederen toebehoren aan twee of meer deelgenoten gezamenlijk. De strekking van artikel 3:169 BW is om een deelgenoot die een goed met uitsluiting van een andere deelgenoot gebruikt, te verplichten de deelgenoot die aldus verstoken blijft van het gebruik en het genot waarop hij recht heeft, schadeloos te stellen door het betalen van een gebruiksvergoeding.
5.7.
De woning is eigendom van alleen de man en betreft daarom geen eenvoudige gemeenschap. De huwelijkse voorwaarden houden uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen in. Er is daarom ook geen sprake van een (beperkte) huwelijksgemeenschap. Dit betekent dat artikel 3:169 BW geen basis voor de gevorderde gebruiksvergoeding kan bieden. De vrouw stelt verder dat partijen niettemin hebben gehandeld alsof zij samen een algehele gemeenschap van goederen oftewel huwelijksgemeenschap hadden en dat zo ook is afgerekend. Dat op die manier is afgerekend vloeit naar het oordeel van het hof echter voort uit artikel 14 van de huwelijkse voorwaarden en zet de uitsluiting van iedere gemeenschap als bedoeld in artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden niet opzij. Dit brengt dan ook niet mee dat de vrouw toch deelgenoot is van de woning. Gedrag kan huwelijkse voorwaarden ook niet opzij zetten; alleen een notariële akte kan dat en daar hebben partijen niet voor gekozen. Weliswaar kan een regel die partijen in hun overeenkomst van huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen tussen hen buiten toepassing blijven vanwege de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, maar dit ziet op een verbintenisrechtelijk gevolg en niet op een goederenrechtelijk gevolg; de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid kan niet het huwelijksvermogensregime en daarmee de uitsluiting van gemeenschap opzij zetten. In hoeverre partijen anders hebben geleefd dan wat de huwelijkse voorwaarden inhielden, heeft de vrouw overigens verder ook niet onderbouwd.
5.8.
De vrouw heeft ter zitting van het hof nog genoemd dat de vordering tot verrekening van de waarde van de woning in mei 2017 al bestond en er daarom rente verschuldigd is over de periode sindsdien. Zij heeft evenwel geen rentevergoeding gevorderd. Daar komt bij dat de vrouw ook heeft meegedeeld in de waardestijging van de woning sinds de peildatum die gold voor de verrekening (de ontbinding van het huwelijk).
De gebruiksvergoeding van de vakantiewoning
5.9.
De vrouw vordert een bedrag van € 1.875,- van de man voor het gebruik van de vakantiewoning. De rechtbank heeft die vordering afgewezen, waar de vrouw het niet mee eens is.
5.10.
Tussen partijen staat vast dat de vakantiewoning gemeenschappelijk eigendom is geweest tot 16 februari 2022, toen de vrouw de vakantiewoning toebedeeld kreeg. De vrouw zou daarom tot 16 februari 2022 op grond van artikel 3:169 BW aanspraak kunnen maken op een gebruiksvergoeding.
De vrouw stelt dat de man de vakantiewoning alleen in gebruik heeft gehad en vordert dat hij vanaf oktober 2019, voor de duur van drie jaren, een gebruiksvergoeding van 2,5% per jaar over haar deel van de overwaarde van € 25.000,- moet betalen.
Zoals blijkt uit een door de man overgelegd tussenvonnis van de rechtbank van 6 november 2019, gewezen in een eerdere procedure tussen partijen, zijn partijen toen ter zitting overeengekomen dat de kosten voor de vakantiewoning (die de man van de vrouw vorderde) en de gebruiksvergoeding (die de vrouw van de man vorderde) tegen elkaar weggestreept konden worden. De man stelt dat voornoemde afspraak nadien stilzwijgend is voortgezet. Hij geeft aan dat hij na november 2019 nog altijd de lasten van de vakantiewoning heeft voldaan zonder dat de vrouw daarin bijgedragen heeft. De vrouw heeft ter zitting van het hof erkend dat zij in de periode van november 2019 tot 2022 niet heeft meebetaald aan de lasten van de vakantiewoning. De vrouw geeft weliswaar aan dat zij tegen haar advocaat heeft gezegd dat zij een gebruiksvergoeding wil, maar niet gesteld of gebleken is dat tussen partijen daarover nog is gesproken. Richting de man heeft de vrouw de situatie jarenlang ongewijzigd gelaten. De vrouw heeft pas jaren later in haar akte wijziging van eis (van 20 februari 2023, zoals volgt uit het bestreden vonnis onder 3.1) aanspraak gemaakt op een gebruiksvergoeding voor de vakantiewoning. Het hof is van oordeel dat uit het handelen van partijen een stilzwijgende voortzetting van de ter zitting gemaakte afspraak kan worden afgeleid, zoals de man heeft aangevoerd. Daarnaast zou het met terugwerkende kracht te gelde maken van een gebruiksvergoeding onder deze omstandigheden strijdig zijn met de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen partijen beheerst. De door de vrouw gevorderde gebruiksvergoeding van de vakantiewoning zal het hof daarom afwijzen.
5.11.
In de periode vanaf 16 februari 2022 heeft de man nog steeds gebruik gemaakt van de vakantiewoning. Omdat hij in die periode geen deelgenoot meer was, is artikel 3:169 BW daarop niet meer van toepassing. Het hof zal de vordering evenmin op een andere rechtsgrond toewijzen, omdat de vrouw daarvoor onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld. In het bijzonder heeft de vrouw onvoldoende gesteld om te kunnen oordelen dat de man onrechtmatig heeft gehandeld, waardoor de vrouw schade ter hoogte van het door haar gevorderde bedrag heeft geleden.
De door de vrouw gevorderde vergoeding voor roerende zaken
5.12.
De vrouw vordert € 10.000,- als vergoeding voor roerende zaken die de man niet aan haar heeft afgegeven. De man heeft de vordering bestreden.
De man heeft aangevoerd dat hij bepaalde roerende zaken voor de vrouw heeft bewaard maar dat zij deze zaken, ondanks verzoeken daartoe, niet is komen ophalen. Dat heeft zij niet (voldoende) bestreden. De vrouw heeft aangevoerd dat ze de goederen niet mee heeft genomen omdat ze kapot waren of vervuild. Dat heeft de vrouw verder niet onderbouwd.
Het is aan de vrouw, die schadevergoeding vordert, om concreet te stellen welke roerende zaken zij van de man had moeten krijgen en zij niet van de man heeft gekregen en wat de waarde daarvan is. Dat heeft zij niet gedaan.
De vrouw heeft daarom in het licht van de betwisting door de man, haar stelling niet voldoende onderbouwd en aldus niet aan haar stelplicht voldaan. Het hof zal deze vordering van de vrouw dan ook afwijzen.
Het conservatoire beslag
5.13.
Het hof begrijpt dat de man vordert dat het beslag onder de notaris op de aan hem toekomende verkoopopbrengst van de woning aan [adres2] door het hof wordt opgeheven met veroordeling van de vrouw in de kosten van de gelegde beslagen. Als productie 3 bij de memorie van antwoord van de man is overgelegd het verzoek van de vrouw tot verlof voor het leggen van conservatoir beslag, dat is toegekend. Daaruit blijkt dat het beslag is gelegd voor de gebruiksvergoeding voor de woning, de gebruiksvergoeding voor de vakantiewoning, de vergoeding voor roerende zaken, een alimentatieachterstand en aardbevingsschade. Ter zitting is erkend dat de laatste twee grondslagen voor het beslag inmiddels weggevallen zijn. De overige grondslagen zijn in deze procedure aan het hof voorgelegd. Dat betreft vorderingen die het hof zal afwijzen. Daardoor is er naar het oordeel van het hof niet langer grond voor het laten voortduren van het conservatoire beslag. Het hof zal het beslag dan ook opheffen.
De proceskosten
5.14.
Partijen hebben over en weer gevorderd de ander in de kosten van de procedure te veroordelen. De vrouw heeft haar vordering niet nader onderbouwd. De man wil dat de vrouw in de proceskosten wordt veroordeeld, omdat zij wist van de huwelijkse voorwaarden en desondanks een gebruiksvergoeding heeft gevraagd, en omdat de onderbouwing voor de vordering met betrekking tot de inboedel nog steeds ontbreekt.
Niet alleen de vrouw maar ook de man zelf is er bij de rechtbank ten onrechte vanuit gegaan dat de woning gemeenschappelijk was, wat als gevolg heeft dat het vonnis op het punt van de (eigenaars)lasten van de woning vernietigd moet worden en de vordering van de man alsnog wordt afgewezen. Dat is niet alleen aan de vrouw te wijten geweest. Ook de andere geschilpunten heeft de vrouw aan het hof mogen voorleggen. De omstandigheid dat de vorderingen van de vrouw niet tot toewijzing hebben geleid, brengt nog niet mee dat afgeweken moet worden van het uitganspunt in familierechtelijke zaken dat iedere partij zijn eigen kosten draagt. Het hof zal daarom zoals te doen gebruikelijk in zaken als deze, de proceskosten tussen partijen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 24 april 2024 voor zover het de beslissing van de rechtbank onder 5.1 betreft tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw tot betaling door de man voor gebruik van de woning en de vakantiewoning aan de [plaats2] en voor door haar gevorderde vergoeding voor roerende zaken en voor zover het de beslissing van de rechtbank onder 5.3 betreft waarbij wordt bepaald dat de vrouw de helft van de door de man betaalde hypotheekrente over de jaren 2020-2022 aan de man moet vergoeden;
vernietigt voornoemd vonnis voor zover het betreft de beslissing onder 5.3 over de vordering van de man tot betaling van de helft van de eigenaarslasten van de woning aan [adres1] te Groningen en dat de man uit dien hoofde € 1.035,78 aan de vrouw moet betalen en, opnieuw rechtdoende, wijst deze vordering alsnog af;
heft op het door de vrouw onder de notaris gelegde conservatoir beslag op het aandeel van de man in de koopsom van de verkoop van [adres1] te Groningen, waarvoor op 18 oktober 2024 door de voorzieningenrechter verlof werd verleend;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af wat verder in hoger beroep is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. A.P. de Jong-de Goede, mr. J.G. Knot en mr. C. Koopman, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.